“Vader van God” (Martin Driessen) en “De Kinderjaren van Jezus” (John Coetzee): een gesprek

Soms opent een roman niet zozeer een nieuw perspectief op de wereld of op menselijke verhoudingen die je nog niet kende, maar eerder op een ander boek. Zo ook Martin Driessens prachtige vertelling Vader van God”, waarin Jozef zijn pleegkind Jezus ontvoert om hem aan zijn pijnlijke lot aan het kruis te onttrekken. Het boek zet John Coetzee’s recente roman “De kinderjaren van Jezus” in een ander licht, waarin de vluchtelingen David (Jezus) en zijn pleegvader aankomen in een nieuw land om “een nieuw leven op te bouwen, een nieuw begin te maken”. Op een raadselachtige manier geeft “Vader van God” antwoord op de vraag waarom David (Jezus) is gevlucht naar het nieuwe land. Tegelijkertijd geeft “De kinderjaren van Jezus” antwoord op de vraag wat Jozef precies drijft om Jezus te ontvoeren; voor hem prevaleert de singuliere persoon van Jezus boven zijn universele rol als verlosser van de mensheid (zie mijn blog van 1 augustus 2013). Precies daarom poogt Jozef Jezus te onttrekken aan zijn lot en neemt hij hem mee naar het onherbergzame.

In “Vader van God” is Jozef daarmee de “deugdzame” terwijl Jezus de “zondige” is. De mens is namelijk pas deugdzaam als hij “is” wat hij had “kunnen” zijn (vgl. 157). De menselijke verantwoordelijkheid ligt dan ook in de vrije wil om te zijn wat je had “kunnen” zijn (vgl. 179). Dit is de weg van Jozef. Jezus volgt Jozefs vlucht weliswaar overal en op haast passieve wijze, maar keert terug naar moeder Maria zodra hij de kans krijgt, zijn smartelijke lot tegemoet.

Een dergelijke oppositie tussen vrije wil en lotsbestemming of tussen activiteit en passiviteit bestaat natuurlijk niet; wil en lot moeten juist in elkaars nabijheid worden gedacht.[1] Dergelijke opposities maken ons namelijk blind voor de mogelijkheid dat Jozef zijn pleegzoon niet zozeer aan zijn lot onttrekt door hem te ontvoeren, maar zijn lot juist sticht door namens het lot in actie te komen. In dat opzicht getuigt “De kinderjaren van Jezus” van een dieper begrip van de wil: “’als het kind was voorbestemd, … waarom kon je het dan niet aan het lot overlaten…?’. ‘Omdat het niet voldoende is te gaan zitten afwachten of het lot in actie komt, Elena, net zoals het niet voldoende is een idee te hebben en dan te gaan zitten afwachten of het wordt gerealiseerd. Iemand moet het idee ter wereld brengen. Iemand moet namens het lot in actie komen’” (122). Als Jozef zijn deugdzaamheid in een dergelijke act had gevonden, dan pas had Jezus kunnen worden wie hij had “kunnen” zijn, dan pas had Jezus zich kunnen voegen naar zijn lot.


[1] Vgl. Vincent Blok “Towards the rehabilitation of the will in contemporary philosophy”, Journal of the British Society for Phenomenology, Vol. 44, No. 3 (2013).

Advertisements

Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out / Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out / Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out / Change )

Google+ photo

You are commenting using your Google+ account. Log Out / Change )

Connecting to %s