Heideggers antisemitisme en de overtreding van de wet

Het is vrijwel onmogelijk om vandaag de dag een uitspraak te doen over Heideggers antisemitisme. Hoewel de inkt van zijn Schwarze Hefte nog maar nauwelijks is gedroogd, lijkt de discussie al gesloten voor hij goed en wel op gang kan komen. Ik geef een voorbeeld. Ik mag mij keren tegen de recente politiek van Israël om het Palestijnse volk aan te vallen. Ik mag vinden dat de Israëlische oorlogspolitiek ideologisch gedreven is en ik mag me zelfs keren tegen deze ideologie. Maar hoewel deze ideologie gedeeltelijk in de Blut und Boden van het Joodse volk verankerd ligt, overtreed ik de wet zodra ik de Israëlische ideologie in verband breng met het Joodse volk of met het Joodse ras. Een meer filosofisch voorbeeld: Als filosoof in de fenomenologische traditie mag ik mij bezinnen op de singulariteit van mijn eigen lichamelijkheid, bijvoorbeeld in lijn met het denken van Merleau-Ponty, maar overtreed ik de wet zodra ik die singulariteit verbind met de singulariteit van een ras. Heidegger moet zich in de jaren dertig in een vergelijkbare, hoewel precies omgekeerde positie hebben bevonden. Hij zou de wet juist overtreden hebben wanneer hij de filosofische vraag naar het wezen van mensen en dingen, bijvoorbeeld in zijn beruchte rectoraatsrede, niet zou hebben verbonden met het ras van de Duitser.

Maar goed, filosofen zijn nu eenmaal geboren wetsovertreders , zo ook Heidegger [1]. In de kritische periode tussen 1934 en 1940 zegt hij tijdens een voordracht: “Der Mensch ist nicht weniger Subjekt, sondern wesentlicher, wenn er sich als Nation, als Volk, als Rasse, als ein irgendwie auf sich selbst gestelltes Menschentum begreift. Hierbei ist besonders zu beachten, dass auch und gerade der Rassegedanke nur auf dem Boden der Subjektivität möglich ist” (GA 90: 38). Volgens Heidegger begrijpt het racisme de mens als subject, dus als het onderliggende voor ons verstaan van mensen en dingen. Het denken over de mens in termen van een ras bestaat in de zelf-constitutie van het subject in het licht van een idee, zoals bijvoorbeeld communisme, liberalisme, semitisme maar ook anti-semitisme. “Rasse – ein rein subjektiever Begriff” (GA 90: 67). Omdat iedereen die ook maar èèn letter van Heidegger gelezen heeft weet dat hij de mens als subject afwijst, is duidelijk dat hij met deze uitspraken de wet overtreedt en het racisme afwijst.

We kunnen Heideggers positie zelfs anti-rascistisch noemen, want zijn oerintuïtie is nu juist dat het subject geen toegang heeft tot de waarheid, dat wil zeggen, tot de ontologische differentie tussen ons vanzelfsprekende verstaan van mensen en dingen – bijvoorbeeld als ras in de jaren dertig en als homo economicus vandaag de dag – en de openheid waarin dit verstaan opkomt en ook weer ondergaat. Heidegger neemt afscheid van het subject en is in die zin anti-semitisch. Dit anti-semitisme bestaat in de afwijzing van de zelf-constituties van het subject, Heidegger spreekt in dit verband van maakbaarheid en berekening, ten faveure van onze openheid voor de waarheid. Dit is het zogenaamde zijnshistorische anti-semitisme van Heidegger.

Het anti- van Heidegger’s anti-semitisme kan dan ook niet als een vernietiging of uitzuivering van het semitisme worden begrepen. In de oorlogsjaren zegt Heidegger tijdens een college: “Ich will überhaupt nicht ‘gegen’ etwas Vorgehen. Wer sich in die Gegnerschaft einlässt, verliert das Wesenhafte, mag er dabei siegen oder unterliegen” (GA 77: 51). Als je ‘tegen’ iets bent, bijvoorbeeld tegen het Joodse volk, dan ben je er volgens Heidegger negatief afhankelijk van: “Alles ‘anti’ denkt im Sinne dessen, wogegen es ‘anti’ ist” (GA 54: 77). Belangrijker nog is dat een dergelijke vernietiging of uitzuivering zou uitmonden in een nieuwe zelf-constitutie van het subject, bijvoorbeeld als het Duitse volk, terwijl de openheid waarin dergelijke zelf-constituties opkomen en weer ondergaan dan vergeten blijft. Het anti- van Heidegger’s anti-semitisme betekent dat hij terughoudend is ten aanzien van de zelf-constituties van het subject – of dit nu de zelf-constitutie van het semitisme of van het anti-semitisme betreft – en de wet van dergelijke zelf-constituties overtreedt, om zo pas zicht te krijgen op de waarheid.

Nu lijkt Heidegger èèn uitzondering te maken, want hij brengt de filosofische vraag naar de identiteit van mensen en dingen expliciet in verband met het Duitse volk. Zoals ik elders heb laten zien is Heidegger’s denken ambigu hierin [2]. Soms lijkt ‘de Duitser’ een heel specifiek volk of ras te behelzen, dus het product van een subjectieve zelf-constitutie, en soms is ‘de Duitser’ juist dat volk of ras dat de wet van dergelijke zelf-constituties overtreedt, een anti-ras dus dat pas zo in de nabijheid van de waarheid kan verblijven.

En hier zouden we aanleiding kunnen vinden voor een filosofische kritiek op Heidegger’s anti-semitisme, als we namelijk het Joodse volk als voorbeeld van zo’n anti-ras zouden kunnen begrijpen. Rosenberg noemde de Joden al ras-loos en een anti-ras, en ook Heidegger zelf noemt het Jodendom een bodemloos kosmopolitisme in zijn Schwarze Hefte. Met het bezwaar van kosmopolitisme kan ik niet zo veel, althans, we kunnen het Israëlische nederzettingenbeleid toch moeilijk kosmopolitisch noemen. Maar een filosofische bezinning op het Jodendom als het bodem- en heimat-loze, op het omzwervend bestaan van de wandelende Jood Ahasverus bijvoorbeeld, zou Heidegger indicaties hebben kunnen geven hoe we precies in de nabijheid van de waarheid zouden kunnen verblijven.

Maar let op, een dergelijke positieve reflectie op het Jodendom is verboden omdat we daarmee net als Heidegger de ont-rassing (Entrassung) van volkeren in onze liberale democratie een halt zouden toeroepen en fundamentele verschillen tussen volkeren, bijvoorbeeld tussen de homo economicus die opgaat in zijn subjectivistische zelf-constituties en Ahasverus als de omzwervende hoeder van de waarheid, zouden erkennen. Met andere woorden, om ook maar een begin te maken met een kritiek op Heideggers anti-semitisme zouden we de wet al moeten overtreden.

[1] Zie voor het begrip van de geboren overtreder: https://vincentblok.wordpress.com/2014/08/20/de-crack-in-everything-leonard-cohen-en-de-geboren-overtreder-tommy-wieringa/
[2] Blok, V. (2012), “Naming Being – or the philosophical Content of Heidegger’s National Socialism”, Heidegger Studies, Vol. 28, pp.101-122

Advertisements

Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out / Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out / Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out / Change )

Google+ photo

You are commenting using your Google+ account. Log Out / Change )

Connecting to %s