De aangeboren onervarenheid van de verdeelde mens (Dostojewski – De Idioot)

De Idioot van Dostojewski (1869) en De Cirkel van Dave Eggers (2013) markeren het begin en het einde van een tijdperk. In De Idioot karakteriseert Dostojewski de post-moderne mens door hem af te zetten tegen voorgaande generaties: “Toen waren de mensen als het ware allemaal bezeten van één idee, maar nu zijn ze nerveuzer, meer ontwikkeld, gevoeliger, als bezeten door twee of drie ideeën tegelijk… de mens van nu is veelzijdiger en heus, dat belet hem om zo’n mens uit één stuk te zijn als in die eeuwen” daarvoor (641). Prins Mysjkin, de hoofdpersoon en idioot uit het verhaal, is het voorbeeld van dit nieuwe type mens die door twee ideeën wordt bezeten. In het begin van het verhaal is de prins net teruggekeerd in Rusland na een lang verblijf in een Zwitsers Sanatorium, waar hij behandeld werd vanwege hevige aanvallen van epilepsie. Al gauw ontmoet hij twee vrouwen – Aglája Jepántsjina en Natásja Filíppovna – waar hij hevig maar lange tijd stilzwijgend verliefd op wordt.

Aan de ene kant vertegenwoordigen de twee vrouwen twee ideeën die de prins beheersen en zo zijn verdeelde identiteit uitmaken. Aan de andere kant vertegenwoordigen de vrouwen zelf twee uiterste verhoudingswijzen van de verdeelde mens. Ook Aglàja Jepàntsjina en Natásja Filíppovna worden namelijk bezeten door twee of meer ideeën. Aglàja’s houding is wispelturig te noemen; op het ene moment betuigt ze namelijk haar liefde voor de prins en op het andere moment drijft ze de spot met hem en wendt ze zich tot een ander. Daarmee getuigt Aglàja van een heel specifieke coping strategy om met haar verdeeldheid af te rekenen, namelijk het continu overspringen van de ene naar het andere idee dat haar identiteit uitmaakt. Natàsja Filìppovna daarentegen ontwikkelt een tegenovergestelde strategie: “er openbaarde zich in haar een soort barbaarse neiging om twee verschillende smaken door elkaar te klutsen” (171). Haar coping strategy bestaat juist in de versmelting van ideeën, zoals bijvoorbeeld deugd en ondeugd, god en duivel etc. De twee verhoudingswijzen geven het maximum en het minimum aan van het tijdperk dat door De Idioot wordt geopend.

En toch laat Prins Mysjkin een derde weg zien omdat het “een dekselse toer is om tegen die dubbele gedachten in te vechten” (384). In tegenstelling tot de twee vrouwen ervaart de prins dat de verdeelde identiteit van de mens tussen verschillende ideeën niet tot een eenheid kan worden teruggebracht. De ervaring van de prins is namelijk dat elk idee een vreemd beginsel blijft ten opzichte van de andere ideeën die zijn identiteit uitmaken, en daardoor nooit eigen kan worden gemaakt door de verdeelde mens. De prins ervaart vreemd te staan ten opzichte van dergelijke ideeën, weliswaar toegang daartoe zoekend maar tegelijkertijd in het besef altijd uitgesloten te blijven daarvan. De natuurlijke dingen hebben hier geen last van. Vogels, bloemen en zelfs grassprietjes kennen hun plaats in de gang van dag en nacht en zijn daar gelukkig mee, aldus de prins: “Alle dingen volgden hun weg en allen kenden hun weg, gingen met een lied heen en kwamen met een lied, alleen hij wist niets, begreep niets, de mensen, noch de klanken in de wereld, niets, alles was hem vreemd en hij was bij alles uitgeschakeld” (521-522). Enerzijds belet de vreemdheid van de ideeën de prins om wispelturig te zijn tussen ideeën of ideeën te versmelten zoals de twee vrouwen. Anderzijds kan hij die vreemdheid van de ideeën pas ervaren dankzij zijn verdeeldheid tussen twee of meerdere ideeën.

De ervaring van vreemdheid wordt niet opgedaan door over en weer te gaan tussen de ideeën. Dan zouden de ideeën hun vreemdheid alweer hebben verloren. De idiotie van de prins bestaat daarentegen in een “aangeboren onervarenheid” (709) met de ideeën die hem in staat stelt zijn verdeeldheid tussen immer vreemd blijvende ideeën te ervaren. De post-moderne mens wordt dus niet alleen gekenmerkt door zijn verdeelde identiteit tussen twee of meerdere vreemde ideeën, want die vreemdheid wordt alleen ervaren dankzij zijn aangeboren onervarenheid.

Dave Eggers roman De Cirkel markeert het einde van het tijdperk dat met Dostojewski’s karakterisering van de idioot geopend is. Enerzijds kan zijn karakterisering van de verdeelde identiteit van de mens helpen om de zin van de existentiële ervaring van het oneindige van mensen en dingen, die Eggers als een scheur of snee in ons binnenste beschrijft, te begrijpen (zie mijn blog van 13 september 2014). Anderzijds is het juist deze verdeelde identiteit van de post-moderne mens die wordt afgesloten en opgeheven door De Cirkel. Het ideaal van De Cirkel is namelijk dat we weer bezeten worden door èèn enkel idee, en wel het idee van ons ware zelf: “Om de tools van de Cirkel te mogen gebruiken … moest je jezelf zijn, je ware zelf, je TruYou. Het tijdperk van valse identiteiten, identiteitsdiefstal, meerdere gebruikersnamen, ingewikkelde wachtwoorden en betalingssystemen was voorbij” (25). In tegenstelling tot de verdeelde mens is de circulaire mens bezeten van het ideaal een mens uit één stuk te zijn – “ons beste ik” (266) – en in de ban van het idee om elke verdeeldheid op te heffen.

Wat Eggers niet kan bevroeden is dat De Cirkel dit ideaal realiseert en perfectioneert door heen en weer te slingeren tussen de coping strategies van Aglája Jepántsjina en Natásja Filíppovna. De vraag blijft staan of de criticasters van De Cirkel een beter lot beschoren zouden zijn als ze de derde weg van Prins Mysjkin zouden kiezen. De enige toetssteen voor die vraag is onze eigen aangeboren onervarenheid.

 

Advertisements

Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out / Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out / Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out / Change )

Google+ photo

You are commenting using your Google+ account. Log Out / Change )

Connecting to %s