Opstand tegen de barbaren (John Coetzee, Wachten op de barbaren)

Wachten op de barbaren gaat over een magistraat die een afgelegen grenspost van het rijk bestuurt en in opstand komt als hem wordt opgedragen de barbaren in het grensgebied te vervolgen. De aard van de opstand van de magistraat is filosofisch relevant als we ons afvragen wat de aard van onze opstand zou moeten wezen, willen we hedendaagse crises zoals die van de economie of het klimaat daadwerkelijk tot ons toelaten.

Allereerst is de opstand van de magistraat niet ontologisch maar ethisch gemotiveerd. Als hij tijdens zijn nachtelijke omzwervingen in het grensgebied oog probeert te krijgen voor de hogere zin van het land van de barbaren buiten de stadspoorten, ervaart hij dat die er niet is: “Ik zat te kijken naar het opkomen van de maan, stelde mijn zintuigen open voor de nacht, wachtte op een teken dat alles wat om me heen lag, wat onder mijn voeten lag, niet louter zand, beenderstof, schilfers roest, scherven of as was. Maar het teken kwam niet. … De ruimte die ons hier omgeeft is louter ruimte, niet onaanzienlijker of grootser dan de ruimte boven de keten en woningen en tempels en kantoren van de hoofdstad. Ruimte is ruimte, leven is leven, overal gelijk. Maar ik, … ik koester mijn melancholie en tracht in de leegte van de woestijn iets van bijzonder en aangrijpend historisch belang te ontdekken. Nutteloos, ijdel, misleid! Gelukkig maar dat niemand me ziet” (29-30). De magistraat ervaart niet alleen dat er geen verschil is tussen het leven binnen en buiten de stadspoorten, geen verschil is tussen de barbaren en zijn volksgenoten, maar bovenal dat zijn hoop op een hogere zin van de barbaren ijdel is. En toch komt hij in opstand als hij ziet dat deze mensen op onmenselijke wijze naar de stad worden geleid om daar mishandeld en vernederd worden.

De opstand van de magistraat bestaat erin dat hij aandacht vraagt voor de morele grens die wordt overschreden door de folteraars van het Rijk: “‘Kijk!’ schreeuw ik. ‘Wij zijn het grootste wonder der schepping! Maar van sommige klappen kan dit wonderbaarlijke lichaam zich niet herstellen. ‘Hoe…!’ Ik kan niet uit mijn woorden komen. ‘Kijk naar deze mensen!’ herneem ik. ‘Ménsen!’ De menigte rekt, voor zover daartoe in staat, de halzen om naar de gevangenen te kijken en zelfs naar de vliegen die op hun bloedende striemen beginnen neer te dalen” (166). Het is het gelaat van de ander, om met Levinas te spreken, die oproept tot de opstand van de magistraat. Tegelijkertijd laat zich een belangrijk verschil zien. Terwijl de ander volgens Levinas de principiële mogelijkheid van een nieuw begin in zich draagt, de opstanding van een menselijke bestaanswijze die responsief is naar de noden van de barbaren en vreedzaam met hen samen probeert te leven, ervaart de magistraat dat zo’n nieuw begin hem niet gegeven is: “De nieuwe mannen van het Rijk zijn degenen die in zaken als een nieuw begin geloven, een nieuw hoofdstuk, een schone lei; ik ploeter voort met het oude verhaal, hopend dat het me voordat het eindigt zal onthullen waarom ik het ooit de moeite waard heb geacht. Zo komt het dat ik, nu de verantwoordelijkheid voor wet en orde in deze contreien vandaag weer aan mij is overgedragen, bevel geef dat de gevangenen gevoed moeten worden, dat de dokter geroepen moet worden om te doen wat hij kan…” (42). De magistraat ervaart met andere woorden dat zijn opstand gebonden is aan de tijd-ruimtelijke situatie die hem gegeven is, dat wil zeggen de orde die door het Rijk wordt geconstitueerd en waarmee hij zich onlosmakelijk verbonden weet.

Die ervaring van geworpenheid maakt dat de opstand van de magistraat eindigt in een dwaze volharding. Hij fantaseert over het herstel van de vrede aan de grens. “De barbaren hebben zich met hun kuddes tot in de diepste bergdalen teruggetrokken en wachten totdat de soldaten er genoeg van krijgen en weggaan. Als dat gebeurt zullen ze weer tevoorschijn komen. Ze zullen hun schapen weiden en ons met rust laten, wij zullen onze akkers inzaaien en hen met rust laten, en binnen een paar jaar zal de vrede langs de grens hersteld zijn” (203). Hij beseft tegelijkertijd dat niet de veedrijver maar alleen de akkerbouwer van dergelijke grenzen leeft, dat dergelijke grenzen pas ontstaan als de schaarste toeneemt en juist daarom verdedigd en bestreden moeten worden in oorlog en strijd. Dergelijke fantasieën over vrede aan de grens heeft de magistraat nodig, hoezeer hij ook beseft dat ze het dwaalspoor verhullen waarop hij zich bevindt: “Zoals zo vaak tegenwoordig loop ik met een dwaas gevoel weg, alsof ik al langgeleden ben verdwaald maar hardnekkig verderga op een weg die misschien nergens naartoe leidt” (237). Het lukt de magistraat met andere woorden niet zijn eigen barbarendom tot zich toe te laten.

En misschien vinden we hier wel een aanwijzing naar de opstand die ons opgegeven is. Want leert de dwaze volharding van de magistraat ons niet dat we weliswaar moeten erkennen al lang geleden verdwaald te zijn, maar tegelijkertijd een nieuw begin moeten beproeven? Dan is de opstand van de magistraat te begrijpen als een morele beslissing die in de singulariteit van de verdwaalde en dwalende, dat wil zeggen in zijn eigen barbarendom verankerd ligt. Maar dan had de opstand van de magistraat ook kunnen bestaan in de overtreding van de wetten van het Rijk, in de ondermijning van het gezag dat de verdwaalde en dwalende, dat wil zeggen de barbaren mishandelt en vernietigt. Ten slotte had de opstand van de magistraat dan kunnen bestaan in het verlangen naar een nieuw begin. In feite doet de magistraat er juist alles aan om elk verlangen en elke begeerte te doven; de situatie is uitzichtloos en leidt tot gelatenheid.

Als wij daarentegen ervaren dat geen neutrale positie meer in te nemen is ten aanzien van de hedendaagse crises van de economie en het klimaat, dan is er geen ruimte meer voor een dergelijk gelatenheid. De morele beslissing om zorg te dragen voor de slachtoffers van de huidige crises, ondanks de onafwendbaarheid ervan, volstaat dan niet meer. Liever een geboren overtreder[1] dan een dwaze volharder zoals de magistraat! Onze opstand bestaat dan in de overtreding van de wetten die de crises hebben veroorzaakt, in het verlangen naar een nieuw begin van de verdwaalde en dwalende – de grenzeloze verbeelding van de geboren overtreder – en in de morele beslissing om zorg te dragen voor de slachtoffers van de menselijke verbeelding.

[1] Vgl. mijn blog ‘De crack in everything (Leonard Cohen) en de geboren overtreder (Tommy Wieringa)’ van 30 Augustus 2014.

Advertisements

Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out / Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out / Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out / Change )

Google+ photo

You are commenting using your Google+ account. Log Out / Change )

Connecting to %s