Robert Graves en de methode van de filosofie

Ik twijfelde eigenlijk altijd of ‘problemen’ wel het uitgangspunt van de filosofie kunnen vormen. Problemen vragen om een oplossing terwijl de filosofie vaak helemaal niets oplost maar juist probeert stil te staan bij de structuren die ons doen en laten omgeven; ook ons oplossen van problemen. De eigenaardigheid dat problemen vragen om hun oplossing ligt al verankerd in het woord ‘probleem’ zelf. Problêma betekent oorspronkelijk ‘voorgebergte’ of ‘uitstekende rotspunt’, een obstakel dat van zich uit erom vraagt overwonnen te worden. Wie een berg ziet wil weten wat er achter zit. Wie een probleem heeft wil hem oplossen zodat we door kunnen naar de volgende, terwijl de filosofie bij dit problematische van het probleem stil zou willen houden.

Nu levert mijn recente lezen van Robert Graves Goodbye to All That een ander gezichtspunt op. Het autobiografische boek, dat de levensloop van de auteur beschrijft en vooral beroemd is geworden vanwege diens verbeelding van de loopgravenoorlog tijdens WOI, begint met de vooroorlogse jaren van de jonge auteur. Hij heeft een afkeur voor de ´salonactiviteiten´ van de geletterden en trekt er liever op uit om bergen te beklimmen. Over dit bergbeklimmen zegt Graves: “Alpinisme, een van de gevaarlijkste sporten die er mogelijk zijn, tenzij men zich aan de regels houdt, wordt een redelijk veilige bezigheid als men zich inderdaad aan de regels houdt. Indien ieder lid van de ploeg lichamelijk fit is, het weer nauwlettend in de gaten wordt gehouden, de klimuitrusting grondig wordt nagezien en niemand zich haast, zenuwachtig wordt of zich te buiten gaat aan stunts, kan bergbeklimmen veel veiliger zijn dan een vossenjacht. Aan de jacht zijn factoren verbonden waarop geen invloed kan worden uitgeoefend, zoals aan het oog onttrokken draad, kuilen waarin het paard kan struikelen, nukken of grillen van het paard. Klimmers vertrouwen volledig op hun eigen voeten, benen, handen en schouders, op hun evenwichtsgevoel en hun vermogen afstanden te schatten” (78).

Op het eerste gezicht gaat de vergelijking tussen alpinisme en vossenjacht over het feit dat de bergbeklimmer in control is over de berg, terwijl de vossenjager out of control is. Dat komt omdat de alpinist vertrouwt op interne factoren – hij moet lichamelijk fit zijn en hij staat op eigen benen – terwijl de vossenjager vooral afhankelijk is van externe factoren zoals zijn paard of onvoorziene omstandigheden. Toch is dit niet zo, want de alpinist is even afhankelijk van externe factoren als de vossenjager, zoals het weer en zijn klimuitrusting. Het verschil is dat de alpinist methodisch te werk gaat. Die methode bestaat in het volgen van regels die maken dat hij oog houdt voor de weersomstandigheden en dat hij zich niet haast, waardoor hij in staat is zijn evenwicht te houden en afstanden beter weet in te schatten bij de beklimming van de berg. Waarom zou de methode van de alpinist geen aanwijzing kunnen geven naar de filosofische methode; de voorbedachte vertraging van ons leven van alledag om oog te krijgen voor de structuren die ons doen en laten beheersen, het evenwicht dat we moeten bewaren door naar die structuren te vragen zonder af te zien van de wereld om ons heen, en de teruggeworpenheid op onszelf op het pad van dit soort vragen van de filosofie. Misschien is het daarom wel dat Nietzsche zegt: “Philosophie … ist das freiwillige Leben in Eis und Hochgebirge”.

Advertisements

Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out / Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out / Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out / Change )

Google+ photo

You are commenting using your Google+ account. Log Out / Change )

Connecting to %s