‘Als er storm komt, gaat het stormen’, of hoe de grondstemming van het menselijk bestaan ervaarbaar wordt (Howard Jacobson, J)

In Howard Jacobson’s roman J, dat handelt over een liefdespaar in wrede tijden, brengt de vrouwelijke hoofdpersoon de grondstemming van het menselijk bestaan ter sprake. Dit is bijzonder, omdat we normaal gesproken uitwijken voor dergelijke stemmingen: “Als mensen zeggen dat ze de wind in de rug hebben is dat een gevoel van vrijheid dat ik niet herken. Een niet-bedreigende, stimulerende ruimte achter me? Nee, die luxe heb ik nooit. Misschien is er niets als ik me omdraai, maar het is geen heilzaam niets. Er is niets goeds wat me voortdrijft, maar ik noem het een goeie dag als ik me omdraai en ten minste niets akeligs zie” (80). Het bijzondere van het boek is dat het laat zien hoe dergelijke grondstemmingen wel, maar ook niet ervaarbaar worden.

Normaal zijn we geneigd om dergelijke stemmingen psychologisch te duiden, zoals ook de geliefde van de vrouw doet: “Hij kon zich er niet van weerhouden om dat persoonlijk op te vatten. Was hij niet de wind in haar rug? Was hij geen heilzame kracht? ‘Ik vind het onverdraaglijk om te bedenken dat het je niet loslaat’, zegt hij” (80). Daarmee slaat hij de plank volledig mis. Enerzijds is de stemming meestentijds zo dat je ervoor uitwijkt en juist opgaat in de ander, zo bevestigt ook zijn geliefde vrouw: “’O, het laat  me wel los. Het laat me los als ik met jou ben’” (80). Daarmee mist hij wat de stemming wezenlijk laat zien, namelijk het naakte bestaan dat ze te leiden hebben. Enerzijds is dit bestaan geen land van onbegrensde mogelijkheden, zo ervaart de vrouw, geen stimulerende ruimte waarover wij vrijelijk beschikken. Het is een verlaten bestaan zonder herkomst noch doel. Anderzijds is het kennen niet geëigend om dit naakte bestaan ervaarbaar te maken: “’waarom voel je je dan verlaten?  Wilde hij weten. ‘waar kom je vandaan als je wakker wordt?. ‘Wist ik het maar. Kende ik mezelf maar” (78). Daarmee is gezegd dat het menselijk bestaan uiteindelijk alleen stemmingsmatig ervaarbaar kan worden in het feitelijke bestaan dat je leidt.

De man stelt zich dit feitelijke bestaan van zijn vrouw voor als een wachten; de stemming stemt haar tot wachten tot hij haar gevonden heeft: “En toen hij zo aan haar dacht, wachtend om gevonden te worden terwijl hij wachtte om te vinden, gaf dat een mooie symmetrie aan de liefde die hij voor haar voelde” (78). Ook hier gaat de man volledig de mist in. De symmetrie tussen vinden en gevonden worden is weliswaar stemmingsmatig maar belet juist de toegang tot mijn naakte bestaan; we gaan dan zodanig in elkaar op dat we voor de stemming uitwijken. De ervaring van die stemming vergt juist geen symmetrie maar een asymmetrie, “een diepgaand antagonisme” (252), dat wil zeggen de ervaring van het naakte bestaan in ons uitwijken voor de stemming. Dit vraagt van ons dat we het wachten om te vinden en gevonden te worden niet langer proberen in te lossen maar juist uitstellen om zo, op onze hoede voor de symmetrie tussen vinden en gevonden worden, op indirecte wijze het naakte bestaan te ervaren. Hoe moeilijk dat is beseft de vrouw als ze zegt dat de stemming haar los dreigt te laten als ze met de man is. Die situatie is het gevaarlijkst, “want dan vergeet ik om op mijn hoede te zijn” (80).

Uiteindelijk stemt het boek hoopvol. Hoe gevaarlijk de symmetrie tussen vinden en gevonden ook is, en hoezeer die symmetrie de ervaring van het naakte bestaan in vergetelheid dreigt af te zinken, uiteindelijk is het niet alleen aan ons om op onze hoede te zijn: “Als er storm komt, gaat het stormen” (86).

Advertisements

Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out / Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out / Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out / Change )

Google+ photo

You are commenting using your Google+ account. Log Out / Change )

Connecting to %s