The World is my Oyster (E.L. Doctorow, Andrews hersenen)

Andrews hersenen is een dialoog tussen Andrew, een cognitiewetenschapper, en Doc, een geesteswetenschapper, over de tragische gebeurtenissen die hem hebben gevormd in zijn leven. Tegelijktijd gaat het gesprek over het leven en over de manier waarop gebeurtenissen in de wereld ons leven vormgeven. Volgens Andrew bestaat de mens alleen maar in wisselwerking met de wereld. De wereld brengt het leven voort, en dit leven kent maar één gemeenschappelijke deler in de oneindige variabiliteit aan levensvormen die de wereld constitueert: “zijn meelijwekkende streven om te overleven. Want dat doet het dus nooit, nietwaar, mijn bosjesvrouwtje, en als het leven één definieerbaar iets is in een eindeloze vormverscheidenheid, dan moeten we stellen dat het zich voedt met zichzelf. Het is zelfverterend” (31). Door dit begrip van het zelfverterende leven komen mens en wereld zo dicht bij elkaar te liggen dat beiden identiek worden. “Als het bewustzijn zonder de wereld bestaat, is het niets, en als het om te bestaan de wereld nodig heeft, is het nog steeds niets” (31). Er zit niets meer tussen menselijk leven en wereld volgens deze zienswijze.

Als er niets meer zit tussen mens en wereld, dan is niet goed te begrijpen dat de mens alleen in wisselwerking met de wereld bestaat. Hij is dan namelijk zelfverterend waardoor niets rest. Toch houdt Andrew vast aan dit idee dat mens en wereld alleen tot vervulling komen door een wisselwerking tussen beiden. Andrew geeft het voorbeeld van een park: “Nee, Doc, het is pas een echt park op zondag, het heeft een grote hoeveelheid mensen nodig om als park tot vervulling te komen, want een park is pas een park wanneer het een mensenkolonie tot organisch geheel maakt, en laat het feit dat dit een tijdelijk effect is ons niet het zicht benemen op het feit dat het zich steeds herhaalt” (109). De wereld is pas wereld dankzij de menselijke bewoning ervan, en de mens is pas mens dankzij een wereld die hem is toebedeeld en waarop hij zich aangewezen weet. Dit is de manier waarop “een omgeving zich zonder reden in je hoofd vastzet?” (138). Hoewel het woord ‘zelfverterend’ anders doet vermoeden, stemt deze wisselwerking tussen mens en wereld volgens Andrew gelukkig. Geluk is een gemoedsrust die wordt ingegeven door de “gelijkblijvendheid van het in de wereld opgenomen ik” (96).

Daarmee stuiten we op een tweede probleem met Andrews gedachtegang. Niet alleen kan hij onvoldoende begrijpelijk maken waarin de wisselwerking bestaat als mens en wereld identiek worden in de zelfvertering. Tegelijkertijd getuigt zijn begrip van geluk van een conservatisme dat eigenaardig is aan de filosofische traditie, namelijk de zucht om je te voegen naar de wereld zoals die is (denk aan het idee van waarheid als adaequatio). Maar wat nu als we de gemeenschappelijke deler van het leven niet langer herkennen in zijn zucht tot overleven, maar in zijn meelijwekkende streven om anders te worden dan zichzelf? Dan blijft er niet alleen altijd iets tussen menselijk leven en wereld, dan wordt niet alleen begrijpelijk hoe mens en wereld in hun wisselwerking worden geconstitueerd, maar raken we bovenal verlost van zulk een metafysisch conservatisme. The world is my oyster!

 

Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out /  Change )

Google photo

You are commenting using your Google account. Log Out /  Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out /  Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out /  Change )

Connecting to %s