Author Archives: Vincent Blok

About Vincent Blok

Dr. Vincent Blok MBA is Assistant Professor of Innovation and Entrepreneurship at the Social Sciences Group, Wageningen University (the Netherlands). He is also research fellow in philosophy at the faculty of philosophy, theology & religious Studies, Radboud University Nijmegen (The Netherlands). for more information: www.vincentblok.nl

De vlucht voor breuklijnen en de hartstocht van de ondernemer (De schooldagen van Jezus, John Coetzee)

In het vervolg op De Kinderjaren van Jezus van John Coetzee vluchten de hoofdpersonen David en zijn pleegvader Simon opnieuw naar een nieuwe stad. Het vorige verhaal draaide om hun aankomst in een nieuw land waar wordt afgezien van het singuliere van het menselijk bestaan ten gunste van het universalisme van het heden, dat blijk geeft van een bloedeloze maar welwillende houding jegens vreemdelingen. David en Simon worden weliswaar opgenomen in het nieuwe land en kunnen naar school en aan het werk, maar zij voelen zich niet thuis in het nieuwe land. Beiden blijven ze de singulariteit van het menselijk bestaan centraal stellen, ieder op hun eigen manier. Terwijl dit bij Simon blijkt uit zijn verlangen naar de persoonlijkheid van de ander of de wereld en uitkristalliseert in zijn zorg voor David, wordt Davids houding getekend door een radicale breuk tussen hem en de wereld om hem heen. Omdat hij doodsbenauwd is in die breuklijn tussen zelf en wereld te vallen en verzwolgen te worden door het niets, wordt zijn houding eerder getekend door een vlucht voor de wereld. Hierdoor wordt zijn vlucht naar een nieuw begin aan het eind van De kinderjaren van Jezus ingegeven. Ik eindigde mijn reflectie op het boek met de vraag hoe te leven zonder continu weg te hoeven vluchten voor de wereld.[1]

In het vervolg – De schooljaren van Jezus – lijken we hier een antwoord op te krijgen. Davids oriëntatie op het singuliere reikt zo ver dat hij alleen maar singulariteiten ziet – deze tafel, deze stoel, deze mens – en totaal geen oog heeft voor de universele kenmerken of categorieën op grond waarvan tafels en stoelen overeenkomen – het woord ‘tafel’, ‘stoel’, ‘mens’ – en de tafel, de stoel, de mens vormen. Op het vermogen “om voorwerpen te rangschikken op grond van hun overeenkomsten” (39) door middel van de taal is het normale schoolsysteem gebaseerd, en dat is de reden achter hun vlucht naar een nieuwe stad aan het eind van De kinderjaren.

In de nieuwe stad vindt David een nieuwe school die niet uitgaat van het woord als categorie en van het meten van overeenkomsten en verschillen met behulp van dergelijke categorieën, maar van de dans. De dans bestaat ook uit tellen en ritmische bewegingen, maar belichaamt primair het gebied waar deze tafel als deze tafel hier bestaat, het gebied waar deze mens als deze mens bestaat; David, Simon, etc. Dit gebied is niet het gebied van het woord als algemeen begrip maar van de naam als eigen naam: “Onze academie legt zich erop toe de ziel van onze leerlingen naar dat gebied te loodsen, hen in overeenstemming te brengen met de grote onderliggende beweging van het universum of, zoals wij het liever noemen, de dans van het universum” (82). In De schooljaren van Jezus komt de dans naar voren als antwoord op de vraag hoe te leven zonder continu weg te hoeven vluchten voor de breuklijnen tussen zelf en ander of de wereld: “Hetzelfde kind durfde, voordat het uw academie bezocht, niet eens van de ene stoeptegel op de volgende te stappen uit vrees dat hij door de spleet zou vallen en in het niets zou verdwijnen. Maar nu danst hij moeitelos over spleten heen. Over wat voor magische krachten beschikt de dans?” (251).

En toch moeten we hier een kritische vraag stellen. Als de dans begrepen wordt als manier om de ziel van het kind in overeenstemming te brengen met de grote onderliggende beweging van het universum, getuigt de dans daarmee dan niet van eenzelfde tendens om de singulariteit van het bestaan op te heffen, nu door op te gaan in dit al? In dat opzicht valt Simons oplossing van dit probleem uit het vorige boek te heroverwegen. Voor Simon betekende singulariteit dat je de breuklijnen tussen zelf en ander of de wereld erkent, en dat die breuklijnen kunnen worden overbrugd door het verlangen naar de ander of de wereld. Mijn antwoord op de vraag hoe te leven zonder continu weg te hoeven vluchten voor de breuklijnen tussen zelf en ander of de wereld zou ik zoeken in het domein van het verlangen of de hartstocht. Enerzijds maakt de hartstocht het pas mogelijk dat ik betrokken ben of de ander of de wereld, terwijl die hartstocht alleen maar wezenskenmerk van het menselijk bestaan kan zijn als ze onvervuld blijft en zonder inlossing; de mens is alleen in de voltrekking als oneindige onderweg van en reiken naar de ander of de wereld zonder ooit vervult te raken.

Daarmee moet een tegenspraak opvallen in de karakterisering van Simon in beide boeken. Terwijl Simon in De kinderjaren nog wordt gekenmerkt door de hartstocht voor de ander of de wereld, wordt hij in De schooljaren geportretteerd als een man van de ratio die geen hartstocht kent. En toch is die tegenspraak alleen schijn. Het nieuwe boek geeft juist een nadere bepaling van de aard van de hartstocht voor de ander of de wereld, namelijk een omwenteling van het menselijk bestaan; Simon ervaart dat hij en David elkaar nauwelijks begrijpen, dat wil zeggen dat de breuklijn tussen zelf en ander onoverbrugbaar dreigt te worden. En dat is geen probleem voor David – hij vlucht voor de breuklijnen tussen zelf en ander – maar wel voor Simon. Ten opzichte van David voelt hij zich kil en rationeel, dat wil zeggen zonder hartstocht. Tegelijkertijd geeft dit gevoel een aanwijzing naar zijn hartstocht, dat bestaat in zijn wens om een ander – hartstochtelijker – mens te worden om zo een betere gids en leidsman te zijn voor David. De aard van de hartstocht of het verlangen naar de ander of de wereld bestaat in de onderneming van een omwenteling van het menselijk bestaan, dat wil zeggen een onderneming die als oneindig onderweg – entre-preneur – hartstochtelijk blijft. In deze hartstocht vinden we het antwoord op de vraag hoe te leven zonder continu weg te hoeven vluchten voor de breuklijnen tussen mij en de ander of de wereld.

[1] Zie mijn eerdere blog over De Kinderjaren van Jezus: https://vincentblok.wordpress.com/2013/08/01/john-coetzees-the-childhood-of-jesus-or-how-to-escape-the-world/

De begrenzing van de circulaire economie (Don Delillo’s Onderwereld ).

Don Delillo’s Onderwereld gaat over de aarde als ondergrond van de beschaafde wereld. Als ondergrond behoort ze zelf niet tot de beschaafde wereld; ze verandert met de minuut en kent geen vaste of stabiele vorm. Omdat we normaal gesproken alleen aandacht hebben voor de stabiele wereld zoals we die zien, voelen en ruiken, vraagt Denillo naar de methode om de onderwereld als ondergrond van de beschaafde wereld ter sprake te brengen. De Italianen hebben daar een woord voor. Dietrologia is de zoektocht naar de verborgen beweegredenen achter de beschaafde wereld. Volgens Delillo leidt een dietrologia niet zozeer tot complottheorieën over de onderwereld maar is het een specifieke methode van omtrekkende bewegingen waarin die onderwereld ter sprake wordt gebracht. Het is die omtrekkende beweging die Denillo’s roman constitueert.

Terwijl filosofen de onderwereld in verband zullen brengen met materie of het elementaire, spreekt Denillo zelf over afval: “De beschaving is niet opgekomen en heeft niet gebloeid terwijl mannen jachttaferelen in bronzen hekken smeedden en filosofie fluisterden onder de sterren, met afval als een vervelend bijproduct, opgeveegd en vergeten. Nee, eerst was er het afval, en het heeft mensen aangespoord om in antwoord erop een beschaving op te bouwen, als zelfverdediging. We moesten manieren vinden om van ons afval af te komen en om te gebruiken wat we niet kwijt konden. Het afval duwde terug. Het groeide in de hoogte en de breedte en het heeft ons gedwongen de logica en de discipline te ontwikkelen die zouden leiden tot systematisch onderzoek van de werkelijkheid, tot wetenschap, kunst, muziek, wiskunde”  (314). Daarmee stelt Denillo een vanzelfsprekendheid van onze tijd ter discussie, namelijk het idee dat afval een bijproduct van de beschaving is die we lange tijd onbestraft hebben kunnen lozen in de natuur en de atmosfeer, en vandaag de dag om betere regulering vraagt middels afvalscheiding en hergebruik. “Vuilnis werd altijd  overdekt of naar de randen van een kamer of een landschap geduwd. Maar het had zijn eigen tempo. Het duwde terug. Het duwde naar alle lege plekjes toe en schreef op die manier het bouwpatronen voor en veranderde rituele systemen”  (313-314). Denillo stelt dus voor om afval te begrijpen als onderwereld of ondergrond waaruit elke beschaving opkomt, als beweegreden achter iedere zoektocht om een beschaving te vestigen.

In eerste instantie heeft afval nog een positieve connotatie. Botjes, potscherven en hulzen geven toegang tot verleden beschavingen. Je zou die positieve connotatie kunnen opvatten als aanleiding of beweegreden om afval vandaag de dag positiever te waarderen in onze samenleving: “Breng afval in het openbaar. Laat het de mensen zien en laat ze er respect voor hebben. Verstop je afvalplekken niet. Creëer een architectuur van afval. Ontwerp prachtige gebouwen voor de recycling van afval en vraag mensen hun eigen afval in te zamelen en naar de perspomp en de sorteerband te brengen. Raak vertrouwd met je huisvuil” (313). Deze opvatting van afval ligt ten grondslag aan de hedendaagse roep om materialen te recyclen en meer algemeen om de inrichting van een biobased of circulaire economie; from cradle to grave to cradle to cradle. Daarin is afval niet langer het bijproduct van onze beschaving dat weggespoeld kan worden of anderszins verbannen naar de marge. Er is geen sprake meer van een dergelijke marge van de beschaving als we het idee van ‘global’ warming serieus nemen. De positieve waardering van afval in onze samenleving ziet het als een onderwereld die dient als grondstof en motor voor de verdere ontwikkeling van een duurzame beschaving.

Wat Denillo’s pleidooi voor recyclen van en bouwen met afval niet ziet is dat de circulaire economie afval helemaal niet serieus kan denken, net zomin als zijn protagonist die oproept vertrouwt te raken met afval. Ze begrijpt afval niet als onderwereld van afval waar beschavingen een reactie op vormen, maar als grondstof voor de bouw en ontwikkeling van een duurzame beschaving. Het ideaal van de circulaire economie is dan ook zero-waste ten gunste van een circulaire beweging waarin elk afvalproduct van de beschaving nieuwe grondstof is in de verdere ontwikkeling van die beschaving. De circulaire economie miskent dus juist de onderwereld van afval omdat ze die bij voorbaat begrijpt als grondstof van, en daarmee onderdeel van de beschaving. De circulaire economie is afgewend van die onderwereld in de energie-accumulatie van waste to energy. Dat volgens filosofen zoals Bataille juist een dergelijke energie-accumulatie en miskenning van de noodzaak van wastefulness als humane categorie leidt tot oorlog en verderf, ziet Denillo niet.[1]

Tegelijkertijd ziet Denillo een nieuw type afval opkomen in het tijdperk van de kernwapens. “Afval heeft tegenwoordig iets bloedserieus, een soort onaanraakbaarheid. Witte bakken plutoniumafval met gele waarschuwingsbordjes erop. Voorzichtig. Zelfs het onbeduidendste huisvuil wordt nauwlettend bekeken. Mensen kijken tegenwoordig met een ander oog naar hun vuilnis, en zien elke fles en elk platgestampt pak in een planetair verband” (99). In tegenstelling tot de positieve waardering van afval in de opgraafwerkzaamheden van de archeoloog en in de circulaire economie, dient kernafval juist definitief begraven en juist niet gerecycled te worden. Biedt kernafval een betere toegang tot de onderwereld waar Denillo’s boek aandacht voor vraagt?

Allereerst biedt kernafval een concrete ervaring van afval die niet meer als grondstof voor de circulaire economie te denken is, maar als onderwereld moet worden gedacht. Elke poging om kernafval in te zetten voor de circulaire economie zal de mens met de dood bekopen. Daarmee biedt kernafval een eerste aanwijzing naar afval als onderwereld waarvoor de beschaving uit de weg gaat. Kernafval betreft tegelijkertijd een onderwereld: terwijl we afval vroeger nog konden proberen weg te denken door het weg te spoelen of anderszins te verbannen naar de randen van de beschaving, leven we vandaag de dag in het besef dat elke lozing van kernafval als een boemerang terug kan keren in onze beschaving. Ten tweede biedt kernafval daarmee een concrete ervaring van de onderwereld van afval. De mens is inbegrepen in die onderwereld, want kernafval bedreigt en ondermijnt niet alleen de beschaving maar ook de mens daarbinnen: “de mensen worden door afval weggeduwd”, “omdat ze geen ruimte meer hadden om te leven en te ademen, omgeven door hun eigen almaar groeiende berg afval”  (373).

Het is deze onderwereld van kernafval die op verborgen wijze onze beschaving stuurt en richting geeft: “Verontreinigd afval zetten we bij met een gevoel van ontzag en vrees. Het is noodzakelijk dat wij respect voelen voor wat we weggooien” (99). Het is een beschaving die elke andere beschaving uitsluit. Vanaf nu zijn namelijk onherroepelijke risico’s verbonden aan elke opgraving van afvalresten en elke inmenging van afval als grondstof voor de circulaire economie. Daarom wordt kernafval “het landschap van de toekomst” genoemd, “het enige landschap dat er op den duur nog zal zijn” (312).

Wat kunnen we leren van de onderwereld van kernafval? Enerzijds stelt dit begrip van afval een grens aan het ideaal van de circulaire economie. Nucleair afval kan niet worden opgenomen in de circulaire economie, wat betekent dat de toelaatbaarheid van nucleair materiaal in onze samenleving de toetssteen vormt of we de circulaire economie daadwerkelijk ernstig nemen of louter als metafoor bezigen. Anderzijds stelt dit begrip van afval een grens aan wastefulness als humane categorie. Het voorbeeld van kernafval laat zien dat afval weliswaar de onderwereld van onze beschaving is, en daarmee van onszelf, maar dat we er op geen enkele manier vertrouwd mee kunnen raken zonder het met de dood te moeten bekopen.

[1] Zie hiertoe J. Zwier, V. Blok, P. Lemmens, R.J. Geerts (2015). “The Ideal of a Zero-Waste Humanity: Philosophical Reflections on the demand for a Bio-Based Economy”. Journal of Agricultural & Environmental Ethics 28 (2): 353–374.

De ziel van het naakte leven volgens Nick Cave’s Push the Sky Away

Ik heb me lang afgevraagd wat de titelsong van Nick Cave’s Push the Sky Away te betekenen zou kunnen hebben:

 I was right

I was right

Oh, the sun, the sun

The sun is rising from the field

Het is een treurig lied waar je geneigd bent veel achter te zoeken. Het lied gaat over een man die het leven niet langer ziet zitten maar zichzelf oproept door te blijven ademen en de dood tegen beter in uit te stellen:

I’ve got a feeling

I just can’t shake

I’ve got a feeling

That just won’t go away

 

You’ve got to just

Keep on pushing

Keep on pushing

Push the sky away

Toen ik Adam Johnson’s verhaal over Katrina in Als het lot lacht herlas viel toch een ander licht op de liedtekst. In dit verhaal figureren de geliefden Nonc en Relle die beiden AA bijeenkomsten bezoeken in New Orleans. Tijdens de bijeenkomsten spreekt Relle over Nonc als een vriend die niet bij naam wordt genoemd, en geeft ze aan hem te willen helpen. Net als de andere aanwezigen weet Nonc dat zij het over hem heeft. “’Ik kan niet voor je vriend spreken’, zegt Nonc, ‘maar misschien denkt hij: bedankt voor die hand, en heeft ie de boel onder controle. Misschien heeft hij op dit moment geen hulp nodig’. … ‘Ik bedoel alleen dat je vriend zich aardig redt. Hij overleeft toch? Hij zet de ene voet voor de andere, en het lukt hem’” (58-59). Ik bedacht me dat Caves lied aandacht vraagt voor een register van het leven voorbij alle plannen en doelen, een leven als bare life dat de ene stap voor de andere zet zonder verdere plichtplegingen.

De zin van dit naakte leven kan blijken door de discussie tussen Nonc en zijn vriendin voor een moment te volgen. De levensopvatting van Nonc staat namelijk lijnrecht tegenover die van zijn vriendin en geliefde. Volgens Relle denkt Nonc maar dat hij het redt: “’Maar hij zit vast, en nergens heen gaan is achteruit gaan. Ik maak plannen, weet je. Ik probeer hem mee te krijgen’”. Vervolgens spreekt zij hem direct aan: “’Ik maak wat van je’, zegt ze. Ze kijkt Nonc in de ogen. ‘Niemand heeft dat ooit gedaan, niemand die genoeg om je gaf om die moeite te nemen. Pak mijn hand, laat me iets van je maken’”. De levensopvatting van Relle wordt getekend door het plannen en maken, terwijl Nonc beseft dat de zin van het bestaan niet wordt geconstitueerd door dit soort plannen als transcendent oriëntatiepunten, maar in de pure immanentie van de ene stap voor de andere gelegen is. Dit ziet ook Cave:

And if your friends think

That you should do it different

And if they think

That you should do it the same

 

You’ve got to just

Keep on pushing

Keep on pushing

Push the sky away

Cave ervaart niet alleen dat het naakte leven vooraf gaat aan alle ideeën en plannen van anderen, maar ook aan al je eigen plannen en doelen met je leven:

And if you’re feeling

You’ve got everything you came for

If you got everything

And you don’t want no more

 

You’ve got to just

Keep on pushing

Keep on pushing

Push the sky away

Het naakte leven bestaat niet in het observeren van anderen of jezelf, niet in reflectie op je doelen en wensen, maar in de pure immanentie van de ene stap voor de andere. Tegelijkertijd is dit naakte leven niet louter vegetatief en afhankelijk van z’n omgeving, of getekend door het automatisme van het hart. Anders zou geen aandacht hoeven te worden gevraagd voor de noodzaak to push the sky away. Eerder wordt het naakte leven vergeleken met de gang van de zon die elke ochtend weer stap voor stap te voorschijn komt om weer onder te gaan, zonder plan en zonder doel en volledig immanent. Het is dit naakte leven dat de ene stap voor de andere zet en zo altijd al leeft vóór al onze plannen en doelen, dat de ziel van de mens volgens Cave kenmerkt.

And some people

Say it’s just rock ‘n roll

Oh, but it gets you

Right down to your soul

Gebeurtenis versus Ontwikkeling in life changing events (Adam Johnson, Als het lot lacht)

Het verhaal Anonieme Orkanen speelt in New Orleans ten tijde van de aanslag van de orkaan Katrina. Pakketbezorger Nonc moet plotseling voor zijn zoon Geronimo zorgen omdat zijn ex-vriendin en moeder van het kind verdwenen is. Volgens Nonc is de orkaan maar een gebeurtenis zoals er vele gebeurtenissen in je leven zijn; de dood van je vader bijvoorbeeld gebeurt maar brengt je niet uit koers en verandert je leven niet wezenlijk, denkt hij. Sommige gebeurtenissen, zoals de zwangerschap van je vriendin bijvoorbeeld, zijn in feite ontwikkelingen die je wel uit het lood slaan. “Je beseft dat er een groots plan is waar jij niet van afweet, en een ontwikkeling is een eerste stap in de nieuwe richting”.

Het verhaal wordt gestructureerd door de oppositie tussen gebeurtenis en ontwikkeling, en laat uiteindelijk zien dat er helemaal geen verschil bestaat tussen die twee. “Soms lijken dingen heftige ontwikkelingen – er wordt beslag gelegd op je loon, je ouwe neemt jouw auto mee als hij de benen neemt, je wordt je huis uit gezet, je bezittingen worden meegenomen – maar op den duur pas je je aan, je vindt een nieuwe manier van leven en je beseft dat ze je niet uit de koers hebben gegooid, ze hebben je niet veranderd” (49). Andersom kan een onschuldige gebeurtenis een onvoorziene ontwikkeling – “een groots plan waar je niets van afweet” – in zich dragen.

Terwijl we normaal gesproken geneigd zijn zo’n life changing event te reduceren tot gebeurtenissen met geringe reikwijdte, markeert het verhaal zo’n ontwikkeling in het kielzog van Katrina. Die ontwikkeling wordt geïnitieerd door de dood van Nonc’s vader. Daarmee wordt de kiem van een ontwikkeling gelegd, namelijk het afscheid van Nonc van zijn eigen zoon. Dit wordt veroorzaakt door Nonc’s flexibiliteit en soepelheid, dat wil zeggen, door zijn neiging om ontwikkelingen tot gebeurtenissen te reduceren. Hij beschouwt de dood van zijn eigen vader als een gebeurtenis die hem noopt zijn zoon een paar dagen ergens onder te brengen om de uitvaart te regelen. Hij wordt nog gewaarschuwd dat hij een inschattingsfout maakt: “Maar als het op zaken aankomt als de jongen, mag je nooit buigen. Je moet voor hem kiezen – en je moet er voor honderd procent voor gaan. Beschouw het niet als het maken van een keuze, maar als het gehoor-geven aan een keuze. Bepaal wat je wilt en gehoorzaam daar dan aan” (69). Maar Nonc denkt zelf de regie in handen te hebben genomen ten aanzien van zijn zoon. De dingen overkomen hem niet langer en hij heeft greep op de gebeurtenissen in zijn leven. Hij zegt ook te kiezen voor zijn zoon en spreekt die belofte zelfs naar hem uit. Toch laat hij hem op dezelfde manier in de steek zoals zijn vader hem ooit in de steek liet.

Zodra Nonc zijn hielen heeft gelicht beseft hij dat een ontwikkeling schuilgaat achter de niets beduidende gebeurtenis van de dood van zijn vader, een waar omslagpunt: “Je kust je zoon op zijn kruintje, en zonder twijfel is dat onmiskenbaar een serieuze ontwikkeling. Je draait het contactsleuteltje om en zet de wagen in beweging, en je weet dat het geen gewone gebeurtenis is. Je bereikt de top van de Lake Charles-brug op weg naar het westen met de wind in je ogen, en zelfs het omlaagklappen van je zonnebril voelt geladen met eeuwigheid” (88). Wat Nonc ervaart, is dat elk moment van het leven de kiem van een omslagpunt in zich draagt. Een gelukzalige en tegelijkertijd ondraaglijke gedachte voor hem, namelijk de mogelijkheid van redding en van onherroepelijk afscheid tegelijkertijd. Maar is een afscheid nog wel een afscheid als hij onherroepelijk is? Als in elke gebeurtenis de kiem van een ontwikkeling verscholen ligt, dan zet geen ontwikkeling zich vast tot in de eeuwigheid, maar draagt ze altijd de mogelijkheid van een nieuw begin, van een weerzien in zich.

Het failliet van de Nederlandse literaire kritiek deel 2: Arnon Grunberg’s Blauwe Maandagen

Normaal waag ik me niet aan recensies en probeer ik me te beperken tot filosofische reflecties naar aanleiding van de romans die ik lees. Het alom bewierookte Blauwe Maandagen van Arnon Grunberg is echter zo’n aanfluiting dat ik de Nederlandse literaire kritiek niet langer serieus kan nemen. Denk je in: auteur schrijft een roman over een Amsterdamse tiener en zijn hang naar seks, drank en hoeren, die uiteindelijk besluit zichzelf aan te bieden als hij platzak is. De hoofdpersoon is ongeloofwaardig, alsof een Amsterdamse tiener die van school is getrapt zich allerlei luxe – variërend van dure drankjes in Amsterdamse uitspanningen tot hoeren die 150 gulden per uur kosten – kan veroorloven. De verhaallijn is ook dodelijk vermoeiend – het boek beschrijft in feite een aaneenschakeling van ontmoetingen met drinkebroers en lichtekooien die niets om het lijf hebben – en de hoofdpersoon heeft een ééndimensionaal karakter. Ten slotte is niet goed nagedacht over het personage van de hoofdpersoon. Eerst denkt hij namelijk dat “de waarheid net zo oninteressant en dodelijk is als het bestuderen van de hel” (75). Op zich is dit een gemeenplaats onder tieners met literaire aspiraties die voor het eerst Nietzsche hebben gelezen; de waarheid is een illusie. Maar even later zegt hij: “Ik heb altijd van alles moeten verzinnen, omdat ik bang was voor wat de mensen tegen me zouden zeggen als ik hun de waarheid zou vertellen” (98). Klaarblijkelijk is de waarheid dus toch iets anders dan een illusoir verzinsel en belangwekkender dan in eerste instantie werd aangenomen. Ten slotte wordt de waarheid toch weer als een illusie neergezet, maar dan wederom a la Nietzsche, namelijk als noodzakelijke illusie zonder welke je niet kunt leven. “Die [illusies] moet je dan bewaken als een leeuwin haar jong, want dat was de enige schat in dit leven” (221). Wat eerst dus oninteressant en dodelijk is, wordt vervolgens als enige schat van het leven gezien. De auteur roept dus maar wat voor de vuist weg, zonder dat die inconsistentie literair gearticuleerd wordt in het boek. En dat is kwalijk! De ontmaskering van het literaire talent van Arnon Grunberg is eigenlijk heel eenvoudig, en had een meer kritische literaire kritiek op moeten vallen. Ik ben hier oprecht boos over, want waarvoor hebben we anders deze langzaam uitstervende beroepsgroep nog. Zij zou ons lezers juist scherp moeten houden.

Onderhuidse taal (Michel Faber, Onderhuids)

Onderhuids gaat over een buitenaardse mogendheid die op aarde een vleesverwerkingsindustrie met mensen bestiert. Gespierde mannelijke lifters in de Schotse hooglanden worden door een tot vrouw omgebouwd buitenaards wezen opgepikt en verdoofd, van haren en tanden ontdaan en gecastreerd, om ten slotte vetgemest te worden in een vleesboerderij naar het model van onze bio-industrie. Uiteindelijk worden deze ‘vodsels’, zoals aardbewoners door de buitenaardse mogendheid worden genoemd, uitgevoerd om voor veel geld als ‘voddissinfilet’ op een buitenaardse markt te worden verkocht. Als een van de vodsels losbreekt uit zijn kooi en ternauwernood in staat is een briefje te schrijven met daarop het woord ‘genade’, ontspint zich een filosofisch relevante discussie over taal tussen twee buitenaardse wezens.

De vrouw “pijnigde  haar hersens op zoek naar een vertaling, maar realiseerde zich toen dat het woord zich, puur toevallig, niet in haar eigen taal liet overzetten. Het begrip bestond eenvoudigweg niet” (178). Als Heidegger gelijk heeft dat de taal het huis van het zijn is, dat wil zeggen dat de taal een betekenisvolle wereld articuleert waarin wij altijd al weten wat de dingen betekenen en hoe we ermee om moeten gaan, dan betekent dit niet alleen dat de buitenaardse mogendheid het woord ‘genade’  niet kent, maar dat het woord hun denken en doen niet be-tekent. Het is te gemakkelijk om hieruit te concluderen dat het ontbreken van het woord genade in de buitenaardse taal verklaart waarom ze geen genade kennen met de mensen die ze als beesten verwerken voor hun bio-industrie.

Het probleem is dat de vrouw opgaat in haar taal en daarmee van imperialisme getuigt. Hoezeer vodsels en mensen, zoals de buitenaardse wezens zichzelf noemen, ook op elkaar konden lijken, “als het puntje bij paaltje kwam, waren vodsels tot geen van de dingen in staat die een menselijk wezen tot mens bestempelden. Ze konden niet siuwillen, ze konden niet mesnisjtillen en ze hadden geen flauw idee wat slan inhield. In hun beestachtigheid hadden ze zich nooit tot het gebruik van hunsjur weten te ontwikkelen; hun leefgemeenschappen waren zo primitief dat hississinnen er niet voorkwamen en ook leken deze schepselen geen enkele behoefte aan tsjail, of zelfs maar aan tsjailsinn te hebben” (180-181). In het licht van woorden ‘siuwillen’, ‘mesnisjtillen’, ‘slan’ die de identiteit van de buitenaardse wezens tekenen, verschijnt de noodkreet van de vodsel als barbaars gekrabbel, als loos. En omdat dit gekrabbel niet thuis te brengen is in de taal die de menselijke identiteit uitmaken, vallen de vodsels niet onder de categorie ‘mens’ en mogen ze worden afgeslacht als beesten.

De mannelijke tegenstrever van de vrouw daarentegen gaat niet op in zijn taal en vraagt juist aandacht voor het gekrabbel op het stukje papier. Of we nu wel of niet in staat zijn de betekenis van het woord ‘genade’ te verstaan, in beide gevallen indiceert het dat vodsels over spraak en schrift beschikken en een taal hebben. Voor de vrouw be-tekent ‘siuwillen’ de identiteit van de mens, en legitimeert het ontberen van die naam dat vodsels als beesten worden verwerkt voor de bio-industrie, terwijl de man juist zegt dat het hebben van taal überhaupt de identiteit van de mens tekent, of we die nu verstaan of niet. Niet langer is de verstaanbaarheid het criterium voor menszijn, maar de onderhuidse taal die mens en vodsel bindt zonder daarmee hun verschilligheid te overbruggen, de openheid waar mens en vodsel omheen staan zonder elkaar te raken.

Het carnaval van alternatieve feiten, of Johnathan Franzens boek Purity

Soms heeft een roman een kerngedachte die leidend is voor alle personages die in het boek voorkomen. Zij getuigen van verschillende manieren om die kerngedachte gestalte te geven, er in op te gaan of juist tegen in te gaan. Ze resulteert in de verschillende levenswijzen en levenshoudingen van de personages die het boek bevolken. Een recent voorbeeld daarvan is de roman Zuiverheid van Jonathan Franzen.

De kerngedachte staat in het midden van het boek. Daar spreekt Franzen over de twee geboden om geheimen enerzijds te bewaren en anderzijds openbaar te maken: “Hoe weet je dat je iemand bent, iemand die zich onderscheidt van andere mensen? Door bepaalde dingen voor jezelf te houden. Die bewaak je in jezelf, want als je dat niet doet, is er geen onderscheid tussen binnen en buiten” (303). Geheimen constitueren het onderscheid tussen mijn en dijn. Die zijn noodzakelijk omdat we niet zouden kunnen ervaren zonder onderscheid tussen binnen en buiten. En als je niet kunt ervaren, dan ben je dood. Geheimen zijn dus noodzakelijke voorwaarde voor het leven en alle personages in het boek, afgezien van de hoofdpersoon Purity zelf misschien, leven dan ook van geheimen.

Franzen vervolgt de kerngedachte van het boek als volgt: “Door geheimen te hebben weet je dat er zoiets als een binnenwereld bestaat. Een radicale exhibitionist is iemand die zijn persoonlijkheid heeft verbeurd” (303). De mens die wordt geconstitueerd door geheimen staat tegenover de mens als exhibitionist. Dat is dus iedereen in onze tijd van sociale media; iedereen geeft zich te kennen in zijn of haar zucht tot openbaarheid, variërend van de pijnloze opgave van elke vorm van privacy die alleen nog vanuit de politieke achterhoede wordt bestreden, tot de roep om elke afwijking of elke eigengereidheid toegankelijk te maken in de publieke ruimte, variërend van man-bijt-hond achtige programma’s over zonderlinge figuren tot de volledige transparantie en verantwoordelijkheid die wordt geëist van publieke figuren.

Lees dit niet als oproep tot een verborgen bestaan, zoals de moeder van hoofdpersoon Purity probeert. Dat loopt faliekant mis, zoals het boek op onnavolgbaar mooie wijze laat zien. Uiteindelijk komt dit omdat “een identiteit in een vacuüm ook betekenisloos is. Vroeg of laat heeft je binnenwereld behoefte aan een getuige. Anders ben je gewoon een koe, een kat, een steen, zomaar een ding, gevangen in je ding-zijn. Om een identiteit te kunnen hebben, moet je geloven dat andere identiteiten op eenzelfde manier bestaan. Een mens heeft intimiteit met andere mensen nodig. En hoe ontstaat intimiteit? Door het delen van geheimen” (303).

Uiteindelijk komt Franzen tot de conclusie dat “je identiteit bestaat op het snijpunt van die vertrouwenslijnen” (303). Hoe ziet die mens eruit die tegelijkertijd onthult en verhult? Normaal gesproken zijn we geneigd om dergelijke figuren in verband te brengen met maskerade en carnaval. Die houding is vandaag de dag alleen gedegenereerd tot de presentatie van alternatieve feiten en nepnieuws (vgl. het falen van de krant The Complicator in het boek). Ik kom niet verder dan de houding van de dubbelganger die zich verhult achter zijn praatjes en zijn gedrag niettemin laat leiden door de kerngedachte van Franzens boek. Die figuur komt echter gek genoeg niet voor in Zuiverheid.