Category Archives: Literature

Naar een ecologische en niet-antropocentrische vorm van fictie (Jean-Paul Sartre, Walging)

Een herlezing van Sartre’s Walging kan helpen om de grondeloze verveling achter de zelf-ingenomenheid van de auto-fictie bloot te leggen. De ervaring van het boek is de volstrekte singulariteit van het naakte bestaan van mensen en dingen. Die singulariteit wordt zo radicaal genomen dat er geen enkele tijd-ruimtelijke binding is die dit bestaan verbindt tot een zinvol geheel dat we kunnen overzien. Walging is ontnuchterend, want anders dan veel hedendaagse filosofen die de zin van het menselijk bestaan in diens singulariteit zoeken en die enkelvoudigheid van zin proberen te verdedigen tegen de reductie ervan door wetenschap, techniek en gouvernement, ziet Sartre al vroeg dat het naakte bestaan weliswaar singulier is, maar volstrekt zin- en betekenisloos: “er [is] geen enkele, maar dan ook geen enkele reden om te bestaan” (157). Bezien vanuit dit gezichtspunt getuigt de alomtegenwoordigheid van de auto-fictie vandaag de dag van de leugenachtige poging zin te geven aan een leven dat zinloos en absurd is, en het ‘zelf’ juist verhult in haar zelfingenomen pogingen zichzelf in een zinvol verband te plaatsen.

Ik wil de vraag of het menselijk bestaan zinvol is of niet hier in het midden laten, net als de vraag of de rol van de mens bestaat in het geven van zin aan het leven. Voor mij is Walging zo’n boek dat de vertrouwde wereld plotsklaps in een ander en ontnuchterend licht plaatst. Het laat zien dat de roman altijd een auto-fictieve en humanistische tendens heeft, voor zover het disparate ogenblikken in het leven van de hoofdpersonen in een zinvol verband plaatst. Zouden we het boek niet kunnen lezen als oproep tot het einde van de roman? Het is de vraag of de roman als literaire vorm nog een lang leven beschoren is. Als we vandaag de dag in een wereld leven van crises waarin het individu geen beslissende rol meer speelt, zoals in het geval van vroegere oorlogen en uitvindingen, maar wereldomspannende gemeenschappen, economische en ecologische processen die niet langer aan het individuele bestaan gebonden zijn noch daardoor beïnvloed worden, moeten we dan niet toewerken naar een niet-antropocentrische en ecologische vorm van fictie? Walging kan ons dan vooral in negatieve zin helpen om de vanzelfsprekendheid van de humanistische auto-fictie van de literatuur af te leren en te experimenteren met nieuwe vormen. Wat we node missen is een positieve leidraad om zo’n nieuwe vorm van literatuur gestalte te geven.

Literatuur als revolte tegen de alomtegenwoordige auto-fictie (David Foenkinos, Het geheime leven van Henri Pick).

In Het geheime leven van Henri Pick staat het schrijven en lezen van boeken centraal. Een bibliothecaris besluit een bibliotheek op te richten voor boeken die zijn afgewezen door uitgevers en levert een overvloed aan manuscripten op. Een redactrice van een bekende Franse uitgever vindt er vervolgens een meesterwerk van een volslagen onbekende auteur, en bedenkt een vernuftige marketingstrategie om zowel het boek tot een succes te maken, alsook het verhaal over de ontdekking van dit zonderlinge manuscript.

Het boek rekent af met het oppervlakkige idee dat de schrijver erkenning zoekt voor zijn werk en onsterfelijk wil worden door zijn nalatenschap, net als met het idee dat de lezer zichzelf vooral wil herkennen in de verhalen die hij of zij leest. Hoewel de bibliothecaris zijn bibliotheek voor ongepubliceerde manuscripten oprichtte als monument tegen de vergetelheid, wordt al snel duidelijk dat de bibliotheek zelf – en daarmee ook de inhoud ervan – in vergetelheid raakt zodra de bibliothecaris sterft en de belangstelling ervoor alleen maar wordt aangewakkerd door de marketing van het gevonden meesterwerk. In het schrijven en lezen gaat het om iets wezenlijk anders: “Ja, het was echt geweest. Net als al die schitterende verhalen die ze in haar duisternis creëerde. Het leven kent een diepere dimensie, met daarin verhalen die dan misschien geen verwezenlijking vinden in de realiteit, maar wel degelijk echt zijn” (240). De strijd om erkenning en herkenning verblijft nog in het domein van het reële en mist de diepere dimensie van de mogelijkheid van het leven voorbij de werkelijkheid die echt wordt in het lezen en schrijven van de roman. Zo kan het boek gelezen worden als een revolte tegen het hyper-realisme van de alomtegenwoordige autofictie in de hedendaagse literatuur.

 

Over het primaat van de taal (Binet, De zevende functie van taal)

Op een gekke manier is de twintigste eeuwse filosofie bezeten door de gedachte dat taal de eigenlijke toegang tot de wereld verzorgt en belemmert, variërend van continentale filosofen zoals Heidegger tot analytische filosofen zoals Searle en post-moderne filosofen zoals Derrida. Op grandioze manier komt het primaat van de taal ter sprake in De zevende functie van taal van Laurent Binet. Daarin gaat het om een intellectuele whodunit waarin een fictieve moord op Roland Barthes met behulp van alle bekende Franse en Amerikaanse filosofen van de twintigste eeuw wordt onderzocht en opgelost.

Barthes ziet dat de taal geen communicatie-instrument is maar de betekenis van de wereld sticht. We herkennen dit inzicht als we een goede roman voor de geest halen waarin de vanzelfsprekende betekenis van de bestaande wereld ter discussie wordt gesteld – ik denk onwillekeurig aan Elementaire Deeltjes van Houllebecq – of een nieuwe wereld wordt gesticht waarmee ik nog niet vertrouwd was – ik denk onwillekeurig aan De vlucht van Carrasco. Hoe ontegenzeggelijk de performatieve functie van de taal ook is die de wereld sticht, en hoezeer de kwaliteit van een roman ook kan worden afgemeten aan haar performatieve functie, ook de dingen zelf hebben dit vermogen, zoals een boom of steen, of zelfs artefacten zoals een stoplicht of tablet. Denk bijvoorbeeld aan Vonne van der Meer’s Take 7, waarin het de symbolische orde van de draaiende filmcamera is die niets opneemt en toch het ingedutte Spaanse dorpje op hilarische wijze uit haar sluimer wekt.

Hoewel Binet in navolging van Barthes erkent dat alles in het universum betekenis heeft, houdt hij in dit boek vast aan het primaat van de taal die betekenis sticht. Het boek kan als een gedachtenexperiment worden gelezen waarin het primaat van de taal zodanig wordt opgerekt dat alles in het universum een talige betekenis heeft; de mens zelf heeft alleen nog maar een talige identiteit en wordt een romanpersonage: “Hoe weet je dat je niet in een roman zit? Hoe weet je dat je niet in een fictieve wereld leeft? Hoe weet je dat je wérkelijk bestaat?”(389). Als iets mij weerhoudt om mee te gaan met Binet’s voorstel en vast te houden aan de gedachte dat de betekenis van het universum verdere reikt dan de talige, dan is het wel dit boek zelf. Daarin blijken de personages uiteindelijk talige constructies in een verder bloedeloos verband. Wat de 21e eeuwse filosofie nodig heeft is een revolte tegen het primaat van de taal.

 

 

Dit zijn de namen (Paul Beatty, De Verrader)

De verrader gaat over een jongeman die zichzelf begrijpt als product van zijn omgeving en, als die omgeving wegvalt, geconfronteerd wordt met de vraag wie hij zelf is: “Ik was net als heel Dickens een kind van mijn vader en een product van mijn omgeving, meer niet. Ik was Dickens. En ik was mijn vader. Het probleem is dat ze allebei uit mijn leven verdwenen, eerst mijn vader en toen mijn geboorteplaats, en ineens had ik geen idee meer wie ik was en geen flauw benul hoe ik mezelf moest worden” (45). Hij ervaart dat zijn identiteit niet van hemzelf is maar wordt geconstitueerd door de omgeving waarin hij is opgegroeid. Pas wanneer die voorwaardelijke sfeer van familie en omgeving wegvalt, het getto waarin hij is opgegroeid wordt van de een op de andere dag opgeheven, wordt hij geconfronteerd met de vraag wie hij is en hoe hij zichzelf kan worden.

Toch is De verrader geen boek over die zoektocht naar zichzelf. In tegendeel, hij probeert juist vast te houden aan zijn oude identiteit door zijn poging de opheffing van zijn buurt ongedaan te maken en oude grenzen te herstellen. Het levert een even hilarisch als provocatief verhaal op over de rehabilitatie van de segregatie in de Verenigde Staten, dat ik met rode oortjes heb gelezen. Ook stimuleert het de overweging van de rol van namen in identiteitsstichting. Aan de ene kant is namelijk niets veranderd met de opheffing van Dickens. Alle dingen, huizen, straten en mensen blijven hetzelfde als daarvoor, en toch ervaren de bewoners dat hun thuis is afgenomen. De identiteit van de buurt wordt geconstitueerd door de naam, een naam die terug te vinden is in het stratenboek, op verkeersborden die de afslag naar de buurt markeren, en op de weerkaart van het plaatselijke televisiestation. De reanimatie van de naam van de buurt doet niets met de dingen en verandert toch alles, want brengt de disparate fenomenen die op zichzelf niets met elkaar hebben uit te staan – huizen, straten, mensen – onder èèn en dezelfde noemer. Dat is wat de naam doet.

Daarmee is niet gezegd dat namen onschuldig zijn, want namen zoals wit en zwart zijn evengoed omgrenzingen die segregatie kunnen bevorderen, zo blijkt in het boek. Ook kun je ervaren dat namen niet langer passend zijn, zoals opposities tussen wit en zwart of schuldig of onschuldig, en je nopen verraad te plegen tegen de namen die jouw identiteit constitueren. Zo kun je enerzijds bijdragen aan de reanimatie van oude namen – de hoofdpersoon staat terecht voor zijn rehabilitatie van de segregatie in Dickens – en anderzijds ervaren dat dergelijke namen niet langerop jouw gedrag van toepassing zijn “Ik was met stomheid geslagen en probeerde te bedenken of er tussen ‘schuldig’ en ‘onschuldig’ nog een andere staat van zijn bestond. Waarom waren dat de enige opties? dacht ik, waarom kon ik niet ‘geen van beide’ of ‘allebei’ zijn? Na een lange stilte richtte ik me uiteindelijk tot de rechter en zei: ‘Edelachtbare, ik ben alleen maar menselijk’ (18). Dan heeft een rehabilitatie geen zin meer en moet je verraad plegen. Dit verraad, dat niet het verraad is van jou jegens de wereld maar andersom het verraad van de wereld jegens jou, sticht pas de vraag wie je zelf bent en hoe je jezelf moet worden.

Thuisloze literatuur (Manon Uphoff, Vallen is als vliegen)

In Vallen is als vliegen wordt een schrijfster door de dood van haar oudere stiefzus uit haar sluimerbestaan in de fictieve wereld van de literatuur waarin zij heer en meester is gegooid. Zij wordt door onrust bevangen zodra ze beseft dat haar verblijf in die rustieke wereld van de fictie wordt aangedreven door een verdrongen levensgeschiedenis die ze met haar zuster deelt. “Wanneer weten we wie we zijn? En doet het ertoe?” (50). Dat het doen en laten van mensen gedreven wordt door hun al dan niet verdrongen levensgeschiedenis maakt dat we nooit weten wie we zijn en de wereld altijd fictie is, terwijl de zoektocht naar de grondtoon die onze levensgeschiedenis tot de onze maakt er weldegelijk toe doet. Het boek gaat dan ook niet zozeer over een vrouw die het slachtoffer is van incest, maar over de vraag wat thuis betekent in een fictieve wereld.

De verteller daalt af in haar levensgeschiedenis en haar eerste ervaring is dat ze thuis is in een wereld die niet van haar is maar van haar vader, voordat ze ‘ik’ werd. “Echt, het is een mirakel, de dingen die we doodgewoon, saai of juist lachwekkend vinden als we kinderen zijn en onze werkelijkheid nog voor het grootste deel door anderen wordt bepaald. Die wijze, half rijpe, half onrijpe tijd dat we openstaan voor een alles omspannende wereld” (106). Maar als de wereld van de vader gespleten is in de wonderlijke wereld van kunst en literatuur waarin zij dartelt als zijn koningin enerzijds, en een wereld van terror en bezoedeling waarin de angst voor haar vader overheerst, ontstaat de vraag wat thuis betekent en ervaart ze haar eigen gespletenheid in dit gespleten thuis. Want is het thuis nu gespleten in een wereld waarin haar vader liefdevol is en een wereld waarin hij een monster is, of is het thuis een wereld waarin beide gedaanten van haar vader worden teruggevoerd tot één en hetzelfde wezen?

Haar oorspronkelijke strategie is om de orde en kalmte van het thuis te bewaren door de vader als monster te verdringen ten gunste van de liefdevolle vader. “Wanneer onze werkelijkheid haaks staat op ons verlangen en onze hoop, beschikken we over verschillende strategieën. Naast selectief waarnemen kunnen we ook onze eerdere overtuigingen veranderen. Onbewust doen we hierbij vaak wat een advocaat beroepsmatig doet: bewijs verzamelen en dit zo presenteren dat het zo goed mogelijk de gewenste kant van de zaak ondersteunt. Een geconstrueerde en selectieve versie van de feiten die ons de beste overlap met de verlangde werkelijkheid biedt. In feite herschrijven we de geschiedenis” (157). Maar zodra de onrust haar bevangt door de dood van haar zus begint ze aan dit verhaal om die verdrongen geschiedenis, die tot nu haar bestemming alleen op negatieve wijze stuurde, tot zich toe te laten. Haar nieuwe strategie bestaat niet in slachtofferschap maar in een woede die zich niet meer thuis weet in het sluimerbestaan in de fictieve wereld van de literatuur waar zij ooit heer en meester was, maar zich thuisloos weet en zonder oriëntatie in de wereld. Het grandioze aan dit boek is dat niet alleen over die fictieve wereld zonder oriëntatie wordt verhaalt, dan zou ze slechts een nieuw thuis voor rust en orde hebben geschapen, maar dat die woedende onrust haar fictie aandrijft en stuurt.

Schuld en boete (Oek de Jong, Zwarte Schuur)

Zwarte Schuur thematiseert hoe een toevallige gebeurtenis je leven kan tekenen. Maris, de hoofdpersoon van het boek en gevierd kunstenaar, heeft in zijn jonge jaren per ongeluk een prille geliefde gedood. Hij heeft boete gedaan voor zijn misdaad maar de gebeurtenis verder geheimgehouden voor de meeste mensen. Hij wilde opnieuw beginnen en vertrekt naar de Verenigde staten, het land waar je je eigen leven los van je levensgeschiedenis en achtergrond vorm kunt geven. Als het geheim later toch uitkomt is hij bang verstoten te worden door zijn omgeving. Hij vindt dat hij zich niet kan verantwoorden voor iemand die hij nu niet meer is. Maar hij is natuurlijk tegelijkertijd nog steeds de dader die hij ooit was. Daarmee gaat dit boek over de onmogelijkheid aan je geschiedenis te ontkomen. Dat geldt niet alleen voor de persoon met wie iets gebeurt, maar ook voor de anderen in zijn omgeving die het liefst geen deelgenoot van zijn geheim hadden willen worden: “Er verschuift opeens zoveel” (100). Een ingrijpende gebeurtenis veroorzaakt niet alleen een trauma in psychologische zin, maar verschuift tegelijkertijd de zin van de wereld om je heen, en daarmee de geschiedenis, de waarheid en het goede. Het verhaal beschrijft helaas alleen de subjectieve kant van de gebeurtenis en hoe die vormgeeft aan je leven, maar daar kunnen we toch wat van leren.

Hoewel je namelijk van voor tot achter door gebeurtenissen wordt bepaald, verandert de betekenis van die gebeurtenissen in de loop van de geschiedenis en onttrekt die betekenis zich aan je grip. Zo weet Maris dat hij het meisje ruw achteroverduwde omdat zij hem vernederde, zonder de intentie haar de dood in te jagen, en is hij tegelijkertijd bang dat het toch anders is gegaan: “Twijfel, waar hij lange tijd niet mee te maken had gehad, herleefde. Het verhaal dat hij had verteld, was misschien niet het ware verhaal. Als hij nu sprak, onder invloed van de drank, zou hij misschien iets anders vertellen dan hij altijd had verteld, aan anderen en vooral aan zichzelf. Hij kon zich verspreken. Er kon iets anders tevoorschijn komen nu hij zo aangeschoten was. Bij zijn schuldgevoel voegde zich de angst, de angst dat het niet waar was wat hij had verteld” (276). Doordat de betekenis van het gebeurde zich onttrekt aan zijn grip en altijd achteraf onwaar kan blijken te zijn, is zijn boetedoening ook altijd ontoereikend. Aan de hand van het altaarstuk van Grünewald laat de Jong zien dat de aanvaarding van je schuld nodig is voordat je opnieuw kunt beginnen, en dat gebeurt dan ook in het vervolg van het verhaal.

Maar je zou de kruisiging van Jezus ook anders kunnen begrijpen. Het is niet zo dat Jezus boete doet voor al onze zonden in plaats van onszelf, maar Jezus is de enige die boete kan doen voor onze menselijke zonden. Als de betekenis van de gebeurtenis aan verandering onderhevig is en onze boetedoening daardoor altijd ontoereikend is, dan is alleen de boetedoening voor alle mogelijke zonden, die alleen door Jezus gedragen kan worden, toereikend. Maar als alleen Jezus in eigenlijke zin boete kan doen, dan is de opstanding en het opnieuw geboren worden ook alleen aan hem voorbehouden, en blijven wij stervelingen krioelen in onze ontoereikende pogingen om rekenschap af te leggen.

De afgrond van het gebeiteld verband, of de zin van relationele identiteit (Marijke Schermer, Liefde, als dat het is).

Liefde, als dat het is gaat over een gezin dat zojuist uiteengevallen is en alle leden dwingt na te denken over zichzelf in relatie tot de ander. Het leidende idee van de roman is dat het verliefde individu begint met ontzag voor de ander. Dit ontzag doet hem of haar neigen naar de ander en hem of haar liefhebben. Door dit liefhebben ga je jezelf zien als deel van de ander (je onderwerpt je liefdevol aan de ander) of de ander juist als deel van jou (de ander wordt liefdevol onderworpen aan jou), waardoor elk ontzag verzwolgen wordt. In die reductie van het verschil tussen jou en de ander in het streven naar de eenheid van de relatie, wordt elke afstand tussen jou en de ander opgeheven: “Je verliest de afstand tot de ander, je verliest je blik op die ander, je verliest je ontzag voor de ander, en er ontstaat een nieuwe afstand tot de ander, maar die is heel anders van aard, er is geen vrije ruimte meer om elkaar in te ontmoeten, overal zijn regels en gebruiken, wetten en verwachtingen. De afstand is nu een afgrond, het is een geheim of het is de leegte in jezelf die de ander niet opgelost heeft. Het is een ravijn dat je negeert of steeds opnieuw dichtgooit met bezweringen, geruststellingen, grensgevechten, een tweede denkspoor, stiekeme verslavingen“ (148).

De vraag die het boek opwerpt is of dit afgrondelijk verband een natuurlijk gegeven is of dat we eraan kunnen ontkomen door het helemaal anders te doen. Het boek bevat ten minste vier strategieën om met dit vraagstuk om te gaan, elk gekoppeld aan de vier hoofdpersonages David (de man van het gezin), Terri (de vrouw van het gezin), Sev (David’s minnares) en Lucas (Terri’s minnaar). David ervaart überhaupt geen afgrondelijkheid van het gezinsverband en gelooft er juist in: “Maar hij wordt er alleen maar triester van, ook van haar voorbeelden, hij gelooft er zo in, hij heeft er altijd zo met hart en ziel in geloofd, hij weet niet hoe kinderen zich anders dan in één huis thuis moeten voelen, hoe je anders dan in een tweespan op moet voeden, hoe de liefde kan werken buiten het gebeitelde verband. Hij weet niet hoe zijn toekomst iets anders kan zijn dan een gapende afgrond achter zijn opdracht ze in de volwassenheid af te leveren” (18). David ervaart alleen al door zijn kinderen gebonden te zijn aan zijn vrouw. Terri daarentegen stikt in de relatie met David en stapt eruit met de gedachte dat ze nooit meer zo’n verband wil. Na haar vertrekt ervaart ze in toenemende mate hoe belangrijk relationele verbanden zijn voor haar, met name in de afwezigheid daarvan in haar relatie met Lucas en haar kinderen. De tragiek is dat het gebeitelde verband haar verstikt, terwijl de restanten van dat verband haar blijft binden en daarom een nieuwe en meer ongebonden relatie belet. Dit ligt anders bij de nieuwe geliefden van het gescheiden stel. Zij beproeven elk verschillende strategieën om een ongebonden relatie vorm te geven. Sev wil geen relatie met David en ziet hun samenzijn als puur existentieel moment – “Alleen dit, jij, ik, en dit eiland in de tijd…” (12-13) – dat nooit aanhoudt omdat er een rivier stroomt tussen elk verband met de ander en je eigen gedachten en gevoelens. Lucas wil überhaupt geen intimiteit met Terri naast het seksuele en is alleen geïnteresseerd in zelf-verwezenlijking.

Naast een prachtig verhaal over de tragiek van de liefde is het boek ook een proeve van relationele identiteitsconstitutie. De personages merken dat ze geen vaste identiteit met zich meedragen maar dat die in de relatie met de ander wordt geconstitueerd. Je denkt altijd dat je een vaste persoonlijkheid hebt die je in een relatie brengt, maar in werkelijkhied roept elke relatie weer andere aspecten van je persoonlijkhied naar voren. Op meticuleuze wijze laat Schermer zien hoe het kan dat de personages in de ene relatie iets belangrijk vinden en totaal tegenovergestelde gevoelens koesteren tijdens een volgende relatie. Zo vraagt David zich af hoe het toch komt dat hij zich in het gebeiteld verband van het gezin zo anders gedraagt naar zijn vrouw, als dat hij nu doet naar zijn minnares. Het gebeiteld verband is een voorbeeld van een eco-systeem waarin de identiteit van de leden wordt geconstitueerd door de interrelaties die ze met elkaar hebben. Tegelijkertijd maakt het boek duidelijk dat jouw identiteit niet alleen door je interrelatie met de omgeving wordt geconstitueerd maar dat er een subjectief moment lijkt te liggen in de plotselinge ervaring van ontheemding bijvoorbeeld, waardoor het eens zo vertrouwde verband voor de een plotseling als een gevangenis verschijnt, en voor de ander niet. Ik ben altijd huiverig zo’n subjectief moment van effectuering van identiteitsconstitutie aan te nemen, want ‘wie’ is het die ‘mijn’ identiteit effectueert als ‘ik’ pas het product ben van die effectuering. De voorbeelden van Sev en Lucas, die relatief toevallig in de levenswereld van David en Terri binnenwandelen, laten zien dat niet een subjectieve effectuering het springende punt is, maar het feit dat elk eco-systeem fundamenteel open is, dat wil zeggen dat altijd nieuwe gebeurtenissen en nieuwe mensen het bestaande verband kunnen betreden en daarmee uit hun voegen kunnen doen barsten. Hoe tragisch dat ook is in het geval van het gezin in dit boek, vind ik het een geruststellende gedachte dat daarmee duidelijk wordt dat geen enkel verband gebeiteld is en altijd omgeven blijft door een afgrond. Alles is en blijft mogelijk.

 

Wat het syndroom van Cotard ons kan leren over de wereld (De waan van Cotard)

De mens wordt niet slechts één keer geboren, maar meerdere keren gedurende zijn leven. Je eerste geboorte is je fysieke ontsnapping aan de moederschoot. Je tweede geboorte is je vroegste ervaring van je ‘zelf’ die je je later nog kunt herinneren. In De waan van Cotard ervaart een zevenendertigjarige man – Jean – zijn tweede geboorte als hij een oude foto ziet waarop hij als vijftienjarige jongen voor het examen staat en een keuze maakt die de naald van zijn leven naar een andere groef doet overspringen. Zijn tweede geboorte is de stille beleving van zijn “eigenste persoonlijke aardbeving waarna alles anders is” (9). De aardbeving van de tweede geboorte bestaat erin dat je persoon gespleten raakt, namelijk gespleten tussen jouw ‘zelf’ en jouzelf als degene die reflecteert op dit zelf. Daarin ontstaat de volwassen mens.

Nu is die tweede geboorte van Jean gestoord, aangezien hij de draad met zichzelf verliest in deze verdubbeling. Terwijl een gezonde verdubbeling ons in staat stelt om ‘zelf’ over ons ‘zelf’ na te denken, dus een verdubbeling betreft die desondanks niet de draad met zichzelf verliest, leidt de ongezonde verdubbeling bij Jean tot een verdubbeling waarin het zelf dat nadenkt over zichzelf losgezongen raakt van dit zelf. Hij is alleen nog maar een oog dat dit zelf ziet, maar is niet meer dit zelf zelf: “Al het leven wordt weggezogen, met als resultaat een ijzingwekkende stilte en een doods tafereel, waarin ik, Jean, als oog aanwezig ben, een levenloos oog dat louter registreert. Een oog dat in wat het ziet geen waarde zoekt – en zichzelf ook niet langer waardeert” (21). Daarmee wordt ook alles wat Jean over dit zelf van zichzelf te zeggen heeft een leugen, “want niemand (en dat zijn wij) kan voor een ander spreken” (56). Met andere woorden, als de ongezonde verdubbeling leidt tot een zelf dat losgezongen is van zichzelf, dan betreft dit zelf dat spreekt een dubbelganger van het zelf voor wie hij niet kan spreken. Het zelf wordt als een ander die alleen maar buitenkant is en een niets ten overstaande van ons denken, dromen en verlangen naar die ander. En daarmee stuiten we op een literaire verbeelding van het syndroom van Cotard, namelijk de stoornis waarin je denkt dood te zijn of niet te bestaan.

Nu geeft een psychische stoornis ook aanwijzingen naar de ongestoorde situatie, dat wil zeggen onze ongestoorde verdubbeling in onze reflectie op onszelf. Zo zegt Jean niet zozeer uit zichzelf gevallen te zijn in zijn gestoorde verdubbeling, maar “uit alle verbanden” (49). Daarmee krijgen we een aanwijzing dat onze verdubbeling ongestoord is omdat wij onszelf en onze reflectie op onszelf begrijpen vanuit zo’n verband, dat we wereld noemen. De wereld is het eenheid stichtende in onze relatie met de dingen om ons heen, dat ons de draad met onszelf niet doet verliezen. Hoe vermag de wereld dit? De wereld is niet zozeer iets tegenover ons, maar het netwerk van betekenissen waarin en waarmee wij altijd al zijn verweven, zoals een buurt, een gezin, een volk. Daarin hebben wij met andere woorden altijd al onze plek als bewoner, geliefde, broer of zus etc. In de verdubbeling van het zelf blijft de draad met dit zelf behouden doordat je vertrouwd bent met dit verband van dingen en gebeurtenissen van waaruit je dit zelf begrijpt, taxeert als oneigenlijk in je eerste reflecties op jezelf, en al dan niet tooëigent in je volwassenwording. Jean is juist uit dit vertrouwde verband losgeslagen en dat blijkt onherstelbaar (hij wordt opgevangen door een liefdevol pleeggezin als hij op zijn vijftiende zijn ouderlijk huis achter zich laat, maar zelfs de luisterende tederheid van zijn beste vriend en geliefde helpen niet het verband te herstellen). Deze vertrouwdheid van het verband met de wereld garandeert in ons geval dat we de draad met onszelf niet verliezen. De waan van Cotard laat daarmee zien dat het verband van wereld juist geen zinloze waan is zoals sommige filosofen beweren, maar juist cruciaal is om ons zelf toe te eigenen en te begrijpen.

Niets minder dan een revolutie is nodig voor een verenigd Europa (Robert Menasse, De Hoofdstad)

Het probleem van Europa is dat het idee van Europa wordt overwoekerd door een neoliberale ideologie van belangengroepen zonder politieke legitimatie, die zijn weerslag krijgt in een bloedeloos bureaucratisch bestel. Vandaag de dag wordt het idee van Europa ronduit geschoffeerd door de eigen belangen die de lidstaten laten prevaleren om elkaar naar de kroon te steken. Hoe anders was het ooit begonnen, toen Europese burgers na de tweede Wereldoorlog een haast universele ervaring doorheen naties, klassen en geloofsovertuigingen deelden nooit meer Auswitch te willen.

De Hoofdstad is een gedachtenexperiment waarin de Brusselse bureaucratie een plan bedenkt om dit probleem op te lossen door een jubileumfeest te organiseren voor de vijftigste verjaardag van de Europese Commissie. De ambtenaren zien de eensgezinde afwijzing van de gruwelen van Auswitch als mogelijkheidsvoorwaarde voor de Europese Unie als overwinning van nationalisme en racisme. “Ideeën verstoren wat er zonder ideeën niet eens zou zijn” (39), dus men tracht het idee van Europa als bodemloze bureaucratische put te kantelen richting de idee van Europa als moreel instituut. Het boek laat eerst en vooral zien dat de bureaucratie van Europa zelf het meest verstikkende element is waarin elk idee ervan wordt gesmoord. Het roept de vraag op of een emancipatie van Europa ooit van binnenuit kan worden verwacht.

Deze vraag wordt bijvoorbeeld gesteld door professor Alois Erhart, een hoogleraar in de economie die radicaal wil breken met de hegemonie van nationale economieën en pleit voor een Europese mensheidseconomie. Zo’n mensheidseconomie kan volgens hem nooit incrementeel worden bereikt op basis van concurrerende natiestaten, maar vergt een radicaal nieuw begin dat zijn uitgangspunt vindt bij een Europese unie van soevereine burgers. Daarin zijn nationale economieën opgeheven, evenals het nationale paspoort, en zijn ook nieuwe instituties nodig zoals een nieuwe Europese hoofdstad van de toekomst op de plek van Auswitch.

Het boek laat allereerst zien dat de mens een idee of verhaal nodig heeft als context van zin, en dat die betekenis nooit gevonden kan worden in noch vervangen kan worden door het bureaucratisch bestel. De revolutionaire gedachte van de hoogleraar economie is ook te overwegen in het licht van het nieuwe boek van Piketty, Kapitaal en Ideologie, waarin hij pleit voor verregaande democratisering van Europa, harmonisering van de nationale belastingstelsels, en breekt met het primaat van de meritocratie om de heersende ongelijkheidsregimes te keren. Hoewel De hoofdstad in literair opzicht een gruwel is waarop alle clichés van toepassing zijn (personages van bordkarton, verhaallijnen die geen toegevoegde waarde hebben dan misschien het plezieren van liefhebbers van politieke thrillers, en oppervlakkige ironie), werpt het wel de kritische vraag op of de ongelijkheidsregimes van Europa wel van binnenuit veranderd kunnen worden door belastinghervormingen ten gunste van het participatief socialisme dat Piketty voorstaat, of een radicaal nieuw en buiten-economisch idee van Europa vergt. Dit is de blinde vlek van Piketty. Maar de idee van Europa uit De Hoofdstad helpt geen zier hiertegen zolang geen recht wordt gedaan aan de multipliciteit van stemmen die toch centraal zou moeten staan als de soevereiniteit van de Europese burger het uitgangspunt vormt.

Goedheid als aangeboren natuur (George Saunders, Tien december)

De verhalen van Saunders kunnen stuk voor stuk gelezen worden als levenslessen in ethisch handelen. In verschillende verhalen over arme mensen aan de zelfkant van het leven in de Verenigde Staten laat hij zien “dat goedheid niet alleen mogelijk is, maar onze aangeboren natuur is” (dankwoord). Tegelijkertijd laat het boek goed zien dat die goedheid altijd verkeerd geïnterpreteerd kan worden en zelfs tot slechte daden leiden kan, zonder iets van die aangeboren goedheid in te boeten.

Zo gaat het verhaal Puppy over een vrouw die een slechte jeugd heeft gehad en besluit uit liefde voor haar kinderen een puppy te kopen. Als zij aankomt bij het adres dat de puppy in de aanbieding heeft ziet zij een huis van hillbilly’s met een vrouw die haar kind aan de ketting heeft liggen in de tuin. Ze herinnert zich haar eigen mishandeling als kind en besluit de hond niet te nemen en de kinderbescherming te bellen. Daarmee denkt ze het goede te doen. Wat ze niet weet is dat de vrouw een liefdevolle moeder is die houdt van haar man en haar kind zoals ze zijn. Haar zoon is een woeste, misschien wel gestoorde maar in elk geval onhandelbare jongen die de boel in huis afbreekt maar gelukkig is als hij buiten mag spelen. Daarom laat zij hem buiten spelen en bindt ze hem alleen vast met een ketting aan een boom omdat hij de neiging heeft om uit te breken, met alle gevaarlijke situaties die dat tot gevolg kan hebben en hem kunnen beschadigen en verwonden. Net zo is de puppy te koop omdat haar man hem dreigt te verdrinken zoals hij vanaf zijn jeugd al gewoon is te doen met overtollige dieren. Uiteindelijk besluit ze hem alleen achter te laten in een maisveld, en net te doen alsof zij de hond heeft verkocht. Goedheid is de aangeboren natuur van beide vrouwen, en hoewel die goedheid verkeert geïnterpreteerd kan worden – je kunt je afvragen of vluchtgedrag legitimeert om een kind vast te binden – dat doet aan de aangeboren goedheid van de moeder niets af.

De verhalen zijn lessen in het opschorten van je oordeel en onderzoeken van diepere gronden van het gedrag van mensen, lessen die ons in eerste instantie begaanheid met andermans noden leren. Zo gaat het laatste verhaal, Tien december, over een oudere schizofrene man die in pyjama het ziekenhuis ontvlucht om buiten in de kou te sterven, maar gered wordt door een spelende jongen die in zijn reddingspoging zelf dreigt te sterven van de kou. In zijn poging de jongen op zijn beurt te redden beseft de man dat hij bang was zijn waardigheid te verliezen en daarom dood wilde. In zijn reddingspoging ervaart hij tegelijkertijd dat er nog zo veel goedheid en geluk voor hem in het verschiet liggen. “Kijk. Zo kon je iets betekenen. Hopelijk voelde het joch zich nu niet meer zo rot. Had hij daarvoor gezorgd? Dat was een reden. Om nog niet de pijp uit te gaan. Toch? Je kunt niemand meer troosten als je eenmaal de pijp uit bent. Je kunt helemaal niks doen als je er niet meer bent” (271). Zoals de jongen zich nog helemaal niet bewust is van zijn goedheid en opgaat in het spel totdat de man zijn begaanheid met hem wakker schudt, zo ziet de oude man geen rol meer voor zijn goedheid weggelegd tot de jongen zijn begaanheid met hem nieuw leven inblaast. Daarin maakt gesteggel over de vraag of de mens wel of niet van nature goed is plaats voor de menselijke begaanheid met de ander als zin van het leven. Wat een levensvatbare uitspraak: “Je kunt niemand meer troosten als je eenmaal de pijp uit bent”.