Category Archives: Literature

Wat de goedhartige ongeïnteresseerdheid in de wereld brengen kan, of de onverschilligheid als tegengif tegen de onverschilligheid in de wereld (Vasili Grossman, Een klein leven).

Toen ik de film Shoah zo’n 20 jaren terug zag was ik diep onder de indruk. Een van de gruwelijk indrukwekkende beelden die beschreven werden was dat de aarde bewoog door de gistende lijken in de omgeving van de concentratiekampen. Een vergelijkbare scène komt aan de orde in een verhaal uit Een klein leven van Vasili Grossman (De oorlog en de jodenvervolging), maar dan in de context van dingen: “Hopen keukengerei kruipen uit de barsten in de aarde: koekenpannen, aluminium mokken, kopjes, kookpannen, potjes, bussen, sauskommen, plastic kinderkommetjes. Alsof alles wat de Duitsers hebben begraven door een onzichtbare hand naar buiten wordt geduwd, puilen elders uit de bodemloze, bolstaande aarde halfvergane Sovjetpaspoorten, notitieboekjes in het Bulgaars, foto’s van kinderen uit Warschau en Wenen, brieven in kriebelig kinderhandschrift, een gedichtenbundel, een geel briefje waarop een gebed is geschreven, Duitse voedselbonnen… Er liggen honderden flacons en piepkleine gesloten parfumflesjes, groene, roze, blauwe… En over dat alles hangt een afschuwelijke geur van ontbinding, die noch het vuur, noch de zon, noch de regen, noch de sneeuw, noch de wind heeft kunnen verjagen. Honderden kleine bosvliegen kruipen over de halfvergane voorwerpen, papieren en foto’s” (161). Jaren terug al had ik besloten niet meer te lezen over de gruwelijke gebeurtenissen tijdens de tweede Wereldoorlog en nu, terwijl ik relatief toevallig op dit prachtige boekje stuitte, werd ik weer gegrepen door dit onmenselijke lijden. Hoe moet je je verhouden tot een dergelijke onverschilligheid waartoe de mens in staat is?

Normaal gesproken is de morele superioriteit niet van de lucht bij de beantwoording van deze vraag. “Hardheid en onverschilligheid waren de grote vijanden van het leven” (107). En toch lijken al die antwoorden te gemakkelijk in hun al te eenvoudige afwijzing van de mogelijkheid dat een peilloze onverschilligheid in ons eigen hart huist. Zou onze eigen onverschilligheid jegens de onverschilligheid waartoe de menselijke zucht tot oorlog en vernietiging in staat is niet ook als tegengif tegen de onverschilligheid kunnen dienen, zoals een ander verhaal uit de bundel lijkt te suggereren? De weg wordt op prachtige wijze verteld vanuit het perspectief van de muilezel Giù, die vanuit noord-Italië met het leger meereist en na allerlei omzwervingen door een Russisch offensief tot staan wordt gebracht: “Langzaam, onontkoombaar werd het muildier verpletterd door de oorlog en de winter, en Giù beantwoordde de immense, onverschillige aanval die hem dreigde te vernietigen met zijn eigen peilloze onverschilligheid” (226). De weg suggereert dat onverschilligheid het antwoord is op de onverschilligheid waartoe de menselijk zucht tot oorlog en vernietiging in staat is.

De onverschilligheid van Giú geldt niet alleen de wereld om hem heen, maar ook hemzelf: “Hij was het evenbeeld geworden van het oude muildier dat naast hem liep: hun onverschilligheid tegenover elkaar was even groot als hun onverschilligheid tegenover zichzelf. Die onverschilligheid tegenover zichzelf was zijn laatste opwelling van opstandigheid. Zijn of niet zijn – het liet Giù volkomen koud. Het muildier had zogezegd Hamlets dilemma opgelost” (227). Het oogmerk van Giù’s onverschilligheid bestaat echter niet in een indifferentie ten aanzien van zijn eigen leven en dood, maar in de reductie van elk onderscheid tussen hemzelf en de wereld om hem heen: “De vlakte had zijn hele voorgaande leven opgeslokt: de hitte, de steilheid van de rode wegen, de geur van merries en het geluid van beekjes. Giù was haast niet meer te onderscheiden van de roerloosheid om hem heen; hij was ermee vervloeid, deel geworden van de nevelige vlakte” (228). In zijn onverschilligheid ziet hij af van zichzelf en van de wereld om zich heen om daarmee samen te vloeien en daarin op te gaan. Juist in de zo begrepen onverschilligheid ligt volgens Giù een laatste opwelling van opstandigheid. De radicale reductie van zelf en wereld leidt niet alleen tot zijn onverschilligheid jegens zijn eigen leven of dood, maar bergt tegelijkertijd de mogelijkheid in zich om de ander in die vereenzelviging te ervaren.

Giù ervaart dit als hij door een Russische overwinnaar wordt ingespannen voor een kar samen met een klein Russisch paard: “Giù stond daar met hangende kop, net zo onverschillig als tevoren wat zijn eigen voortbestaan betrof, goedhartig ongeïnteresseerd in de wereld, in die eindeloze vlakte die hem onbewogen vernietigde. … Maar terwijl hij zijn ritme hervond in die wereld van onverschilligheid, merkte hij iets vreemds: het paard dat naast hem draafde, stond niet onverschillig tegenover hem. Ze zwiepte haar staart zijn kant uit, een zijdezachte, gladde staart die helemaal niet leek op de zweep of op de staart van zijn vroegere maat – teder gleed hij over zijn vacht. … In de blinde muur van algehele onverschilligheid ontstond een kleine, kronkelige barst” (230-231). In de vereenzelviging van zelf en wereld ervaart Giù met andere woorden de ander op een heel andere wijze: “Zo draafden ze lange, lange tijd verder, tot de tros halt hield. Ze draafden naast elkaar, met opengesperde neusgaten, en de geuren van het muildier en het paard die dezelfde kar trokken vermengden zich tot één geur” (231). In de onverschillige versmelting met de wereld om hem heen ervaart hij de “vriendelijke warmte” van de aanraking door het paard dat naast hem is ingespannen (231), die hem laat ervaren dat de onverschilligheid “hem blijkbaar toch niet helemaal had gesloopt” (232). Zijn ‘laatste opstandigheid’ bestaat erin dat hij in de vereenzelviging met het droevige paard naast hem voor hem in begint te staan: “Zonder zelf te weten waarom begon hij harder aan de strengen te trekken; de botten van zijn borstkas voelden de last en de druk, terwijl het haam van het paard losser werd en haar last lichter leek” (231). Dit is niet alleen een voorbeeld van ethisch handelen van dieren, dat we normaal gesproken niet geneigd zijn te erkennen. De weg leert dat onze eigen opstand tegen de onverschilligheid in de wereld zelf bestaat in een welbegrepen onverschilligheid die pas kan leiden tot verantwoordelijkheid voor de ander, pas de mogelijkheid tot ethisch handelen in zich draagt.

 

Advertisements

Op het kruispunt van verleden en toekomst (David Vann, Aquarium)

David Vann’s boek Aquarium gaat over een jong meisje dat samen met haar moeder een sober leven leidt van noeste arbeid. Het verschil tussen het meisje en haar moeder is dat de eerste georiënteerd is op de toekomst en leeft in mogelijkheden, terwijl haar moeder zonder toekomst leeft. “Als je iets hebt om naar uit te kijken verandert alles. Ik heb altijd een toekomst nodig gehad. Ik kan niet zonder”, zegt het meisje (62). Die toekomst waarover het meisje spreekt heeft niet zozeer betrekking op veranderingen in de wereld, maar op het mogelijkheidskarakter van haar eigen bestaan. Dit blijkt uit een tweegesprek met haar opa: “’Wij denken dat de wereld af is, dat hij zo hoort te zijn, maar eigenlijk is hij zich nog steeds aan het vormen. Over een miljoen jaar heeft zo’n makreel een soort ballon als maag, die bij de kop past’. ‘Dat bedoel ik niet’, zei ik. ‘Wat dan wel?’ ‘Dat we nog niet in elkaar gezet zijn. Dat er stukken ontbreken’” (124). De toekomst is niet ‘iets’ dat in de tijd gebeurt om vervolgens te verglijden in het verleden. De toekomst is altijd onderweg omdat mensen nooit ophouden onderweg te zijn in hun menswording. In de grond van de zaak is de mens een historisch of beter, ‘geschiedelijk’ wezen. De consequentie is dat je de toekomst niet nodig hebt, zoals het meisje denkt, maar dat je toekomstig bent.

De moeder van het meisje leeft in een heel ander besef en verwijt haar dochter een zekere eenzijdigheid: “Je denkt dat de wereld tegelijk met jou ontstaan is. Maar dat is  niet zo. Die is tegelijk met mij ontstaan” (134). De wereld ontstaat niet pas met je geboorte maar de geschiedenis, gematerialiseerd in je moeder of je opa, draagt en stuurt je menswording altijd al. Je zou de moeder eveneens een zekere eenzijdigheid kunnen verwijten. Enerzijds heeft ze alleen aandacht voor de historische bepaaldheid van het menselijk bestaan, en anderzijds neemt ze zichzelf als maatstaf bij die bepaling. Door het gedrag van haar eigen moeder te kopiëren hoopt de moeder haar dochter een besef bij te brengen van die historische bepaaldheid van het menselijk bestaan: “Ze is een kind. Alle kinderen zijn egoïstisch… Wij bestaan niet echt. Wij hebben geen gevoelens of gedachten die niet met haar te maken hebben. Ze kan niet geloven dat wij al vóór haar bestonden. Dus laat ik haar die tijd doormaken. Dan wordt het een deel van haar eigen herinneringen, en dan gaat ze het geloven” (170). Deze strategie is natuurlijk inadequaat en ongepast omdat ze een algemeen gedeeld verstaan van de geschiedenis veronderstelt. Haar dochter heeft hier weet van wanneer ze haar uiterste best doet om te delen in de geschiedenis van haar moeder, en tegelijkertijd beseft dat “het ene leven nooit weet kan hebben van het andere” (205).

Er zit iets in het verwijt van eenzijdigheid van zowel moeder als kind, want in werkelijkheid is niet alleen de toekomst maar ook het verleden altijd onderweg omdat mensen nooit ophouden onderweg te zijn in hun menswording. Dit maakt het mogelijk om recht te doen aan de ervaring van de moeder dat het verleden niet kan worden uitgewist en dat niets ongedaan kan worden (in dat opzicht is Derrida’s gedachte dat met de dood een wereld sterft twijfelachtig), en de ervaring van het kind de toekomst nodig te hebben, toekomstig te zijn. Op het kruispunt van die twee gedachtelijnen kan pas sprake zijn van ware vergiffenis

De vlucht voor breuklijnen en de hartstocht van de ondernemer (De schooldagen van Jezus, John Coetzee)

In het vervolg op De Kinderjaren van Jezus van John Coetzee vluchten de hoofdpersonen David en zijn pleegvader Simon opnieuw naar een nieuwe stad. Het vorige verhaal draaide om hun aankomst in een nieuw land waar wordt afgezien van het singuliere van het menselijk bestaan ten gunste van het universalisme van het heden, dat blijk geeft van een bloedeloze maar welwillende houding jegens vreemdelingen. David en Simon worden weliswaar opgenomen in het nieuwe land en kunnen naar school en aan het werk, maar zij voelen zich niet thuis in het nieuwe land. Beiden blijven ze de singulariteit van het menselijk bestaan centraal stellen, ieder op hun eigen manier. Terwijl dit bij Simon blijkt uit zijn verlangen naar de persoonlijkheid van de ander of de wereld en uitkristalliseert in zijn zorg voor David, wordt Davids houding getekend door een radicale breuk tussen hem en de wereld om hem heen. Omdat hij doodsbenauwd is in die breuklijn tussen zelf en wereld te vallen en verzwolgen te worden door het niets, wordt zijn houding eerder getekend door een vlucht voor de wereld. Hierdoor wordt zijn vlucht naar een nieuw begin aan het eind van De kinderjaren van Jezus ingegeven. Ik eindigde mijn reflectie op het boek met de vraag hoe te leven zonder continu weg te hoeven vluchten voor de wereld.[1]

In het vervolg – De schooljaren van Jezus – lijken we hier een antwoord op te krijgen. Davids oriëntatie op het singuliere reikt zo ver dat hij alleen maar singulariteiten ziet – deze tafel, deze stoel, deze mens – en totaal geen oog heeft voor de universele kenmerken of categorieën op grond waarvan tafels en stoelen overeenkomen – het woord ‘tafel’, ‘stoel’, ‘mens’ – en de tafel, de stoel, de mens vormen. Op het vermogen “om voorwerpen te rangschikken op grond van hun overeenkomsten” (39) door middel van de taal is het normale schoolsysteem gebaseerd, en dat is de reden achter hun vlucht naar een nieuwe stad aan het eind van De kinderjaren.

In de nieuwe stad vindt David een nieuwe school die niet uitgaat van het woord als categorie en van het meten van overeenkomsten en verschillen met behulp van dergelijke categorieën, maar van de dans. De dans bestaat ook uit tellen en ritmische bewegingen, maar belichaamt primair het gebied waar deze tafel als deze tafel hier bestaat, het gebied waar deze mens als deze mens bestaat; David, Simon, etc. Dit gebied is niet het gebied van het woord als algemeen begrip maar van de naam als eigen naam: “Onze academie legt zich erop toe de ziel van onze leerlingen naar dat gebied te loodsen, hen in overeenstemming te brengen met de grote onderliggende beweging van het universum of, zoals wij het liever noemen, de dans van het universum” (82). In De schooljaren van Jezus komt de dans naar voren als antwoord op de vraag hoe te leven zonder continu weg te hoeven vluchten voor de breuklijnen tussen zelf en ander of de wereld: “Hetzelfde kind durfde, voordat het uw academie bezocht, niet eens van de ene stoeptegel op de volgende te stappen uit vrees dat hij door de spleet zou vallen en in het niets zou verdwijnen. Maar nu danst hij moeitelos over spleten heen. Over wat voor magische krachten beschikt de dans?” (251).

En toch moeten we hier een kritische vraag stellen. Als de dans begrepen wordt als manier om de ziel van het kind in overeenstemming te brengen met de grote onderliggende beweging van het universum, getuigt de dans daarmee dan niet van eenzelfde tendens om de singulariteit van het bestaan op te heffen, nu door op te gaan in dit al? In dat opzicht valt Simons oplossing van dit probleem uit het vorige boek te heroverwegen. Voor Simon betekende singulariteit dat je de breuklijnen tussen zelf en ander of de wereld erkent, en dat die breuklijnen kunnen worden overbrugd door het verlangen naar de ander of de wereld. Mijn antwoord op de vraag hoe te leven zonder continu weg te hoeven vluchten voor de breuklijnen tussen zelf en ander of de wereld zou ik zoeken in het domein van het verlangen of de hartstocht. Enerzijds maakt de hartstocht het pas mogelijk dat ik betrokken ben of de ander of de wereld, terwijl die hartstocht alleen maar wezenskenmerk van het menselijk bestaan kan zijn als ze onvervuld blijft en zonder inlossing; de mens is alleen in de voltrekking als oneindige onderweg van en reiken naar de ander of de wereld zonder ooit vervult te raken.

Daarmee moet een tegenspraak opvallen in de karakterisering van Simon in beide boeken. Terwijl Simon in De kinderjaren nog wordt gekenmerkt door de hartstocht voor de ander of de wereld, wordt hij in De schooljaren geportretteerd als een man van de ratio die geen hartstocht kent. En toch is die tegenspraak alleen schijn. Het nieuwe boek geeft juist een nadere bepaling van de aard van de hartstocht voor de ander of de wereld, namelijk een omwenteling van het menselijk bestaan; Simon ervaart dat hij en David elkaar nauwelijks begrijpen, dat wil zeggen dat de breuklijn tussen zelf en ander onoverbrugbaar dreigt te worden. En dat is geen probleem voor David – hij vlucht voor de breuklijnen tussen zelf en ander – maar wel voor Simon. Ten opzichte van David voelt hij zich kil en rationeel, dat wil zeggen zonder hartstocht. Tegelijkertijd geeft dit gevoel een aanwijzing naar zijn hartstocht, dat bestaat in zijn wens om een ander – hartstochtelijker – mens te worden om zo een betere gids en leidsman te zijn voor David. De aard van de hartstocht of het verlangen naar de ander of de wereld bestaat in de onderneming van een omwenteling van het menselijk bestaan, dat wil zeggen een onderneming die als oneindig onderweg – entre-preneur – hartstochtelijk blijft. In deze hartstocht vinden we het antwoord op de vraag hoe te leven zonder continu weg te hoeven vluchten voor de breuklijnen tussen mij en de ander of de wereld.

[1] Zie mijn eerdere blog over De Kinderjaren van Jezus: https://vincentblok.wordpress.com/2013/08/01/john-coetzees-the-childhood-of-jesus-or-how-to-escape-the-world/

De begrenzing van de circulaire economie (Don Delillo’s Onderwereld ).

Don Delillo’s Onderwereld gaat over de aarde als ondergrond van de beschaafde wereld. Als ondergrond behoort ze zelf niet tot de beschaafde wereld; ze verandert met de minuut en kent geen vaste of stabiele vorm. Omdat we normaal gesproken alleen aandacht hebben voor de stabiele wereld zoals we die zien, voelen en ruiken, vraagt Denillo naar de methode om de onderwereld als ondergrond van de beschaafde wereld ter sprake te brengen. De Italianen hebben daar een woord voor. Dietrologia is de zoektocht naar de verborgen beweegredenen achter de beschaafde wereld. Volgens Delillo leidt een dietrologia niet zozeer tot complottheorieën over de onderwereld maar is het een specifieke methode van omtrekkende bewegingen waarin die onderwereld ter sprake wordt gebracht. Het is die omtrekkende beweging die Denillo’s roman constitueert.

Terwijl filosofen de onderwereld in verband zullen brengen met materie of het elementaire, spreekt Denillo zelf over afval: “De beschaving is niet opgekomen en heeft niet gebloeid terwijl mannen jachttaferelen in bronzen hekken smeedden en filosofie fluisterden onder de sterren, met afval als een vervelend bijproduct, opgeveegd en vergeten. Nee, eerst was er het afval, en het heeft mensen aangespoord om in antwoord erop een beschaving op te bouwen, als zelfverdediging. We moesten manieren vinden om van ons afval af te komen en om te gebruiken wat we niet kwijt konden. Het afval duwde terug. Het groeide in de hoogte en de breedte en het heeft ons gedwongen de logica en de discipline te ontwikkelen die zouden leiden tot systematisch onderzoek van de werkelijkheid, tot wetenschap, kunst, muziek, wiskunde”  (314). Daarmee stelt Denillo een vanzelfsprekendheid van onze tijd ter discussie, namelijk het idee dat afval een bijproduct van de beschaving is die we lange tijd onbestraft hebben kunnen lozen in de natuur en de atmosfeer, en vandaag de dag om betere regulering vraagt middels afvalscheiding en hergebruik. “Vuilnis werd altijd  overdekt of naar de randen van een kamer of een landschap geduwd. Maar het had zijn eigen tempo. Het duwde terug. Het duwde naar alle lege plekjes toe en schreef op die manier het bouwpatronen voor en veranderde rituele systemen”  (313-314). Denillo stelt dus voor om afval te begrijpen als onderwereld of ondergrond waaruit elke beschaving opkomt, als beweegreden achter iedere zoektocht om een beschaving te vestigen.

In eerste instantie heeft afval nog een positieve connotatie. Botjes, potscherven en hulzen geven toegang tot verleden beschavingen. Je zou die positieve connotatie kunnen opvatten als aanleiding of beweegreden om afval vandaag de dag positiever te waarderen in onze samenleving: “Breng afval in het openbaar. Laat het de mensen zien en laat ze er respect voor hebben. Verstop je afvalplekken niet. Creëer een architectuur van afval. Ontwerp prachtige gebouwen voor de recycling van afval en vraag mensen hun eigen afval in te zamelen en naar de perspomp en de sorteerband te brengen. Raak vertrouwd met je huisvuil” (313). Deze opvatting van afval ligt ten grondslag aan de hedendaagse roep om materialen te recyclen en meer algemeen om de inrichting van een biobased of circulaire economie; from cradle to grave to cradle to cradle. Daarin is afval niet langer het bijproduct van onze beschaving dat weggespoeld kan worden of anderszins verbannen naar de marge. Er is geen sprake meer van een dergelijke marge van de beschaving als we het idee van ‘global’ warming serieus nemen. De positieve waardering van afval in onze samenleving ziet het als een onderwereld die dient als grondstof en motor voor de verdere ontwikkeling van een duurzame beschaving.

Wat Denillo’s pleidooi voor recyclen van en bouwen met afval niet ziet is dat de circulaire economie afval helemaal niet serieus kan denken, net zomin als zijn protagonist die oproept vertrouwt te raken met afval. Ze begrijpt afval niet als onderwereld van afval waar beschavingen een reactie op vormen, maar als grondstof voor de bouw en ontwikkeling van een duurzame beschaving. Het ideaal van de circulaire economie is dan ook zero-waste ten gunste van een circulaire beweging waarin elk afvalproduct van de beschaving nieuwe grondstof is in de verdere ontwikkeling van die beschaving. De circulaire economie miskent dus juist de onderwereld van afval omdat ze die bij voorbaat begrijpt als grondstof van, en daarmee onderdeel van de beschaving. De circulaire economie is afgewend van die onderwereld in de energie-accumulatie van waste to energy. Dat volgens filosofen zoals Bataille juist een dergelijke energie-accumulatie en miskenning van de noodzaak van wastefulness als humane categorie leidt tot oorlog en verderf, ziet Denillo niet.[1]

Tegelijkertijd ziet Denillo een nieuw type afval opkomen in het tijdperk van de kernwapens. “Afval heeft tegenwoordig iets bloedserieus, een soort onaanraakbaarheid. Witte bakken plutoniumafval met gele waarschuwingsbordjes erop. Voorzichtig. Zelfs het onbeduidendste huisvuil wordt nauwlettend bekeken. Mensen kijken tegenwoordig met een ander oog naar hun vuilnis, en zien elke fles en elk platgestampt pak in een planetair verband” (99). In tegenstelling tot de positieve waardering van afval in de opgraafwerkzaamheden van de archeoloog en in de circulaire economie, dient kernafval juist definitief begraven en juist niet gerecycled te worden. Biedt kernafval een betere toegang tot de onderwereld waar Denillo’s boek aandacht voor vraagt?

Allereerst biedt kernafval een concrete ervaring van afval die niet meer als grondstof voor de circulaire economie te denken is, maar als onderwereld moet worden gedacht. Elke poging om kernafval in te zetten voor de circulaire economie zal de mens met de dood bekopen. Daarmee biedt kernafval een eerste aanwijzing naar afval als onderwereld waarvoor de beschaving uit de weg gaat. Kernafval betreft tegelijkertijd een onderwereld: terwijl we afval vroeger nog konden proberen weg te denken door het weg te spoelen of anderszins te verbannen naar de randen van de beschaving, leven we vandaag de dag in het besef dat elke lozing van kernafval als een boemerang terug kan keren in onze beschaving. Ten tweede biedt kernafval daarmee een concrete ervaring van de onderwereld van afval. De mens is inbegrepen in die onderwereld, want kernafval bedreigt en ondermijnt niet alleen de beschaving maar ook de mens daarbinnen: “de mensen worden door afval weggeduwd”, “omdat ze geen ruimte meer hadden om te leven en te ademen, omgeven door hun eigen almaar groeiende berg afval”  (373).

Het is deze onderwereld van kernafval die op verborgen wijze onze beschaving stuurt en richting geeft: “Verontreinigd afval zetten we bij met een gevoel van ontzag en vrees. Het is noodzakelijk dat wij respect voelen voor wat we weggooien” (99). Het is een beschaving die elke andere beschaving uitsluit. Vanaf nu zijn namelijk onherroepelijke risico’s verbonden aan elke opgraving van afvalresten en elke inmenging van afval als grondstof voor de circulaire economie. Daarom wordt kernafval “het landschap van de toekomst” genoemd, “het enige landschap dat er op den duur nog zal zijn” (312).

Wat kunnen we leren van de onderwereld van kernafval? Enerzijds stelt dit begrip van afval een grens aan het ideaal van de circulaire economie. Nucleair afval kan niet worden opgenomen in de circulaire economie, wat betekent dat de toelaatbaarheid van nucleair materiaal in onze samenleving de toetssteen vormt of we de circulaire economie daadwerkelijk ernstig nemen of louter als metafoor bezigen. Anderzijds stelt dit begrip van afval een grens aan wastefulness als humane categorie. Het voorbeeld van kernafval laat zien dat afval weliswaar de onderwereld van onze beschaving is, en daarmee van onszelf, maar dat we er op geen enkele manier vertrouwd mee kunnen raken zonder het met de dood te moeten bekopen.

[1] Zie hiertoe J. Zwier, V. Blok, P. Lemmens, R.J. Geerts (2015). “The Ideal of a Zero-Waste Humanity: Philosophical Reflections on the demand for a Bio-Based Economy”. Journal of Agricultural & Environmental Ethics 28 (2): 353–374.

Gebeurtenis versus Ontwikkeling in life changing events (Adam Johnson, Als het lot lacht)

Het verhaal Anonieme Orkanen speelt in New Orleans ten tijde van de aanslag van de orkaan Katrina. Pakketbezorger Nonc moet plotseling voor zijn zoon Geronimo zorgen omdat zijn ex-vriendin en moeder van het kind verdwenen is. Volgens Nonc is de orkaan maar een gebeurtenis zoals er vele gebeurtenissen in je leven zijn; de dood van je vader bijvoorbeeld gebeurt maar brengt je niet uit koers en verandert je leven niet wezenlijk, denkt hij. Sommige gebeurtenissen, zoals de zwangerschap van je vriendin bijvoorbeeld, zijn in feite ontwikkelingen die je wel uit het lood slaan. “Je beseft dat er een groots plan is waar jij niet van afweet, en een ontwikkeling is een eerste stap in de nieuwe richting”.

Het verhaal wordt gestructureerd door de oppositie tussen gebeurtenis en ontwikkeling, en laat uiteindelijk zien dat er helemaal geen verschil bestaat tussen die twee. “Soms lijken dingen heftige ontwikkelingen – er wordt beslag gelegd op je loon, je ouwe neemt jouw auto mee als hij de benen neemt, je wordt je huis uit gezet, je bezittingen worden meegenomen – maar op den duur pas je je aan, je vindt een nieuwe manier van leven en je beseft dat ze je niet uit de koers hebben gegooid, ze hebben je niet veranderd” (49). Andersom kan een onschuldige gebeurtenis een onvoorziene ontwikkeling – “een groots plan waar je niets van afweet” – in zich dragen.

Terwijl we normaal gesproken geneigd zijn zo’n life changing event te reduceren tot gebeurtenissen met geringe reikwijdte, markeert het verhaal zo’n ontwikkeling in het kielzog van Katrina. Die ontwikkeling wordt geïnitieerd door de dood van Nonc’s vader. Daarmee wordt de kiem van een ontwikkeling gelegd, namelijk het afscheid van Nonc van zijn eigen zoon. Dit wordt veroorzaakt door Nonc’s flexibiliteit en soepelheid, dat wil zeggen, door zijn neiging om ontwikkelingen tot gebeurtenissen te reduceren. Hij beschouwt de dood van zijn eigen vader als een gebeurtenis die hem noopt zijn zoon een paar dagen ergens onder te brengen om de uitvaart te regelen. Hij wordt nog gewaarschuwd dat hij een inschattingsfout maakt: “Maar als het op zaken aankomt als de jongen, mag je nooit buigen. Je moet voor hem kiezen – en je moet er voor honderd procent voor gaan. Beschouw het niet als het maken van een keuze, maar als het gehoor-geven aan een keuze. Bepaal wat je wilt en gehoorzaam daar dan aan” (69). Maar Nonc denkt zelf de regie in handen te hebben genomen ten aanzien van zijn zoon. De dingen overkomen hem niet langer en hij heeft greep op de gebeurtenissen in zijn leven. Hij zegt ook te kiezen voor zijn zoon en spreekt die belofte zelfs naar hem uit. Toch laat hij hem op dezelfde manier in de steek zoals zijn vader hem ooit in de steek liet.

Zodra Nonc zijn hielen heeft gelicht beseft hij dat een ontwikkeling schuilgaat achter de niets beduidende gebeurtenis van de dood van zijn vader, een waar omslagpunt: “Je kust je zoon op zijn kruintje, en zonder twijfel is dat onmiskenbaar een serieuze ontwikkeling. Je draait het contactsleuteltje om en zet de wagen in beweging, en je weet dat het geen gewone gebeurtenis is. Je bereikt de top van de Lake Charles-brug op weg naar het westen met de wind in je ogen, en zelfs het omlaagklappen van je zonnebril voelt geladen met eeuwigheid” (88). Wat Nonc ervaart, is dat elk moment van het leven de kiem van een omslagpunt in zich draagt. Een gelukzalige en tegelijkertijd ondraaglijke gedachte voor hem, namelijk de mogelijkheid van redding en van onherroepelijk afscheid tegelijkertijd. Maar is een afscheid nog wel een afscheid als hij onherroepelijk is? Als in elke gebeurtenis de kiem van een ontwikkeling verscholen ligt, dan zet geen ontwikkeling zich vast tot in de eeuwigheid, maar draagt ze altijd de mogelijkheid van een nieuw begin, van een weerzien in zich.

Het failliet van de Nederlandse literaire kritiek deel 2: Arnon Grunberg’s Blauwe Maandagen

Normaal waag ik me niet aan recensies en probeer ik me te beperken tot filosofische reflecties naar aanleiding van de romans die ik lees. Het alom bewierookte Blauwe Maandagen van Arnon Grunberg is echter zo’n aanfluiting dat ik de Nederlandse literaire kritiek niet langer serieus kan nemen. Denk je in: auteur schrijft een roman over een Amsterdamse tiener en zijn hang naar seks, drank en hoeren, die uiteindelijk besluit zichzelf aan te bieden als hij platzak is. De hoofdpersoon is ongeloofwaardig, alsof een Amsterdamse tiener die van school is getrapt zich allerlei luxe – variërend van dure drankjes in Amsterdamse uitspanningen tot hoeren die 150 gulden per uur kosten – kan veroorloven. De verhaallijn is ook dodelijk vermoeiend – het boek beschrijft in feite een aaneenschakeling van ontmoetingen met drinkebroers en lichtekooien die niets om het lijf hebben – en de hoofdpersoon heeft een ééndimensionaal karakter. Ten slotte is niet goed nagedacht over het personage van de hoofdpersoon. Eerst denkt hij namelijk dat “de waarheid net zo oninteressant en dodelijk is als het bestuderen van de hel” (75). Op zich is dit een gemeenplaats onder tieners met literaire aspiraties die voor het eerst Nietzsche hebben gelezen; de waarheid is een illusie. Maar even later zegt hij: “Ik heb altijd van alles moeten verzinnen, omdat ik bang was voor wat de mensen tegen me zouden zeggen als ik hun de waarheid zou vertellen” (98). Klaarblijkelijk is de waarheid dus toch iets anders dan een illusoir verzinsel en belangwekkender dan in eerste instantie werd aangenomen. Ten slotte wordt de waarheid toch weer als een illusie neergezet, maar dan wederom a la Nietzsche, namelijk als noodzakelijke illusie zonder welke je niet kunt leven. “Die [illusies] moet je dan bewaken als een leeuwin haar jong, want dat was de enige schat in dit leven” (221). Wat eerst dus oninteressant en dodelijk is, wordt vervolgens als enige schat van het leven gezien. De auteur roept dus maar wat voor de vuist weg, zonder dat die inconsistentie literair gearticuleerd wordt in het boek. En dat is kwalijk! De ontmaskering van het literaire talent van Arnon Grunberg is eigenlijk heel eenvoudig, en had een meer kritische literaire kritiek op moeten vallen. Ik ben hier oprecht boos over, want waarvoor hebben we anders deze langzaam uitstervende beroepsgroep nog. Zij zou ons lezers juist scherp moeten houden.

Onderhuidse taal (Michel Faber, Onderhuids)

Onderhuids gaat over een buitenaardse mogendheid die op aarde een vleesverwerkingsindustrie met mensen bestiert. Gespierde mannelijke lifters in de Schotse hooglanden worden door een tot vrouw omgebouwd buitenaards wezen opgepikt en verdoofd, van haren en tanden ontdaan en gecastreerd, om ten slotte vetgemest te worden in een vleesboerderij naar het model van onze bio-industrie. Uiteindelijk worden deze ‘vodsels’, zoals aardbewoners door de buitenaardse mogendheid worden genoemd, uitgevoerd om voor veel geld als ‘voddissinfilet’ op een buitenaardse markt te worden verkocht. Als een van de vodsels losbreekt uit zijn kooi en ternauwernood in staat is een briefje te schrijven met daarop het woord ‘genade’, ontspint zich een filosofisch relevante discussie over taal tussen twee buitenaardse wezens.

De vrouw “pijnigde  haar hersens op zoek naar een vertaling, maar realiseerde zich toen dat het woord zich, puur toevallig, niet in haar eigen taal liet overzetten. Het begrip bestond eenvoudigweg niet” (178). Als Heidegger gelijk heeft dat de taal het huis van het zijn is, dat wil zeggen dat de taal een betekenisvolle wereld articuleert waarin wij altijd al weten wat de dingen betekenen en hoe we ermee om moeten gaan, dan betekent dit niet alleen dat de buitenaardse mogendheid het woord ‘genade’  niet kent, maar dat het woord hun denken en doen niet be-tekent. Het is te gemakkelijk om hieruit te concluderen dat het ontbreken van het woord genade in de buitenaardse taal verklaart waarom ze geen genade kennen met de mensen die ze als beesten verwerken voor hun bio-industrie.

Het probleem is dat de vrouw opgaat in haar taal en daarmee van imperialisme getuigt. Hoezeer vodsels en mensen, zoals de buitenaardse wezens zichzelf noemen, ook op elkaar konden lijken, “als het puntje bij paaltje kwam, waren vodsels tot geen van de dingen in staat die een menselijk wezen tot mens bestempelden. Ze konden niet siuwillen, ze konden niet mesnisjtillen en ze hadden geen flauw idee wat slan inhield. In hun beestachtigheid hadden ze zich nooit tot het gebruik van hunsjur weten te ontwikkelen; hun leefgemeenschappen waren zo primitief dat hississinnen er niet voorkwamen en ook leken deze schepselen geen enkele behoefte aan tsjail, of zelfs maar aan tsjailsinn te hebben” (180-181). In het licht van woorden ‘siuwillen’, ‘mesnisjtillen’, ‘slan’ die de identiteit van de buitenaardse wezens tekenen, verschijnt de noodkreet van de vodsel als barbaars gekrabbel, als loos. En omdat dit gekrabbel niet thuis te brengen is in de taal die de menselijke identiteit uitmaken, vallen de vodsels niet onder de categorie ‘mens’ en mogen ze worden afgeslacht als beesten.

De mannelijke tegenstrever van de vrouw daarentegen gaat niet op in zijn taal en vraagt juist aandacht voor het gekrabbel op het stukje papier. Of we nu wel of niet in staat zijn de betekenis van het woord ‘genade’ te verstaan, in beide gevallen indiceert het dat vodsels over spraak en schrift beschikken en een taal hebben. Voor de vrouw be-tekent ‘siuwillen’ de identiteit van de mens, en legitimeert het ontberen van die naam dat vodsels als beesten worden verwerkt voor de bio-industrie, terwijl de man juist zegt dat het hebben van taal überhaupt de identiteit van de mens tekent, of we die nu verstaan of niet. Niet langer is de verstaanbaarheid het criterium voor menszijn, maar de onderhuidse taal die mens en vodsel bindt zonder daarmee hun verschilligheid te overbruggen, de openheid waar mens en vodsel omheen staan zonder elkaar te raken.