Het leven als gebroken bestemming (Nina Weijers, De consequenties)

Minnie, de hoofdpersoon van De consequenties, leeft in de overtuiging dat je levensloop bepaald wordt door je vroegste levenstijd, en dat je later niets meer kunt doen aan de consequenties die verankerd liggen in je ontwerp. In het geval van Minnie wordt het ontwerp van haar leven getekend door haar te vroege geboorte, eerder dood dan levend, en haar vroegste bestaan zonder gekrijs of gehuil, zonder connectie met de wereld om haar heen. In haar kinderjaren ondergaat ze een alternatieve therapie om haar apathie te keren en haar levenslust te wekken. Die therapie lijkt aan te slaan, gezien Minnie’s latere ontwikkeling tot gevierd kunstenares van werk dat aan Sophie Calle doet denken. Zo geeft ze een fotograaf, die haar in een wuft jurkje gestoken slapende lijf ‘s nachts stiekem gefotografeerde voor een reclame in een tijdschrift, de opdracht om haar als tegenprestatie drie weken lang te bespieden met zijn lens zonder in te mogen grijpen, wat er ook gebeuren zou. Toch is het leven niet maakbaar volgens Minnie, maar ligt alles in het ontwerp besloten zonder dat daar ooit iets aan te veranderen valt.

Deze levensopvatting van Minnie kom je al tegen bij de Stoa. Het idee is dat de gang van de wereld en jouw bestaan in de wereld vast liggen en dat de vrijheid van de mens bestaat is in de vrijheid van je oordeel over dat al van voor tot achter vastliggende leven. Dat oordeel is weliswaar zinloos, want verandert niets, maar wel vrij.

Je zou deze levensopvatting fatalistisch kunnen noemen, maar dat is ze niet per se volgens Minie. Weliswaar is je lot al bezegeld, maar toch heb je de innerlijke keuze om dat lot op glorieuze manier te vieren of niet. “Dat is een keuze, en dat niet alleen. Je zou het een voorstel aan de werkelijkheid kunnen noemen. Was het daarvóór denkbaar dat zoiets zou kunnen gebeuren?” (46). Precies zo moeten Minnie’s kunstwerken begrepen worden, namelijk als voorstellen aan de werkelijkheid: “The value is in the effort” (150). De opdracht voor de heimelijke fotoshoot van haar leven is daar een voorbeeld van.

Een ander bezwaar tegen deze levensopvatting is dat ze veronderstelt dat we een enkelvoudig bestaan hebben dat is samengeklonken door de wetten van oorzaak en gevolg en is samengeklonterd tot een enkelvoudig en zich chronologisch ontspinnend levensverhaal. Maar Minnie laat zien dat dit niet noodzakelijk het geval is: “Mensen uit één stuk logen zichzelf voor. In werkelijkheid, dacht Minnie, zijn er alleen maar losse stukjes, die steeds weer afsterven en nooit meer terugkomen. Talloze keren verdwijn je uit je eigen leven, zonder zelfs maar afscheid van jezelf te nemen. Ze wist niet of ze dit moest zien als een triest gegeven of als een geruststelling, maar vermoedde dat het eigenlijk met geen van beide iets te maken had. De tijd denderde gewoon voort, zoals die altijd had gedaan en vermoedelijk altijd zou blijven doen” (102). Hoewel je levensweg dus de consequentie is van je vroegste conceptie, kun je ontkomen aan een deterministische opvatting van het menselijk bestaan door haar eenheid aan te vechten. De vraag is alleen of je nog wel kunt spreken over je levensloop als consequentie van je vroegste conceptie als je niet op de een of andere manier een continuïteit in je bestaan aanneemt. Ik vraag me af of Minnie wel recht kan doen aan haar oerintuïtie over de gebrokenheid van haar bestaan, zolang ze het leven primair als consequentie denkt. Mijn voorstel zou zijn om de menselijke levensweg te denken vanuit de gebrokenheid van heden, verleden en toekomst in het menselijk bestaan. Dat sluit een bestemming van het leven niet uit, maar is die niet langer te denken in termen van oorzaak en gevolg. Eerder is sprake van een gebroken bestemming van het menselijk bestaan.

 

Het plot van Grand Hotel Europa (Ilja Leonard Pfeijffer)

Het is treffend dat twee genomineerde romans voor de Libris prijs van afgelopen jaar, De Goede Zoon van Rob van Essen en Grand Hotel Europa van Ilja Leonard Pfeijffer, in scherp contrast staan als het aankomt op het plot. Terwijl De goede zoon een plotloze thriller is waarin de hoofdpersoon onwetend rondloopt in de nieuwe wereld die hem omgeeft (zie mijn blog De somnambulaire toestand van het plotloos bestaan, 15-2-2020), schetst Pfeijffer een wereld vol plot in zijn boek. Het uitgangspunt van beide boeken lijkt vergelijkbaar, namelijk een door mentale inertie (van Essen) en de religie van het neoliberalisme (Pfeijffer) doordesemde werkelijkheid.

In tegenstelling tot de hoofdpersoon van van Essens boek, die meegaat in de nieuwe wereld en bedrogen uitkomt, lijkt Pfeijffer de taak van kunst en literatuur te zien in de noodzaak om zin en betekenis te geven aan die zinloze wereld: “Het wordt zinloos zonder verhalen. Zin bestaat uit zinnen. De woorden die het verhaal vertellen, leggen een geruststellend verband van oorzaak en gevolg over de lukrake feiten en gebeurtenissen. Mensen snakken naar plot omdat een plot de ondraaglijke en onbehapbare chaos in het ondermaanse reduceert tot de menselijke maat en tot een keten van initiatieven en consequenties die een mens vermag te bevatten. Een plot geeft een idee van controle, herkomst en bestemming, oorsprong en richting” (370).

Het boek gaat over een schrijver die neerstrijkt in een oud hotel na de beëindiging van zijn relatie met een in het verleden levende jonge kunsthistorica om te overdenken hoe het mis heeft kunnen gaan tussen hen. Hoezeer ik ook genoten heb van Pfeijffers woede en ergernis over het verval van het oude Europa tot een afgekloven pleisterplaats voor massatoerisme, hoezeer ik ook genoten heb van de prachtige taal waarin zijn dialogen met Clio de grandeur van de vroegere intellectuele voorhoede naar voren haalt, hoezeer ik me ook gesterkt voelde om mijn leven te wijden aan kunst, filosofie en literatuur, mijn vrees is dat het plot van dit boek de mentale inertie en lusteloosheid van het zo verfoeide neoliberalisme alleen maar verhevigt door haar draaglijk en zelfs genietbaar te maken.

 

Religieuze versus filosofische ervaring (Stefan van Dierendonck, En het regende brood)

Een filosoof vraagt naar de zin van het leven en staat daartoe stil bij de schizofrenie van alledaagse ervaring en wetenschappelijke ervaring of religieuze ervaring bijvoorbeeld. Die zin wordt namelijk niet geheel en al gevat door een wetenschappelijk of juist een gelovig leven te leiden, want wat blijft is een discrepantie tussen de wetenschappelijke, religieuze en alledaagse ervaring, een openheid die je telkens moet oversteken om op te gaan in de ervaring en die het ontegenzeggelijke verschil tussen de ervaringswijzen op een gekke manier bijeenhoudt zonder ze samen te laten klonteren.

Deze discrepantie wordt op weergaloze wijze aan de orde gesteld in Stefan van Dierendoncks prachtige debuut En het regende brood. Daarin wordt het levensverhaal verteld van Clemens Driessen, een rechtlijnige jongen wiens openstelling voor God onbeantwoord blijft maar die zich vastbijt in zijn geloof en het tot priester schopt. Hij heeft last van glutenallergie en kan daarom niet de heilige hostie nemen zonder gedonder in de maag- en darmstreek over zich af te roepen. Eerst ontkent hij zijn lichamelijke gevoeligheid, maar op een gegeven moment dringt de realiteit van zijn allergie zich ondubbelzinnig aan hem op om niet meer te verdwijnen.

De religieuze ervaring schrijft voor dat Clemens de hostie nuttigt, wil hij geaccepteerd worden door de Katholieke kerk: “’Maakt u zich geen zorgen. Wij hebben onze artsen geraadpleegd. Zij zeggen dat een beetje geen kwaad kan. Bovendien weegt de geestelijke waarde van de eucharistie natuurlijk veel zwaarder dan wat lichamelijk ongemak. Ziekte kan een weg zijn naar de Heer. Begrijpt u dat? De weg naar het eeuwig heil loopt via het kruis’” (224). Maar de alledaagse ervaring van Clemens is dat hij zichzelf jarenlang vergiftigd heeft met tarwemeel: “’Dus de Kerk wil dat ik in elke Mis brood eet waar ik ziek van word, zo ziek dat ik er uiteindelijk aan kan sterven? Ze vraagt mij om een langzame zelfmoord die wel tien jaar kan duren. Ik weet echt niet of ik dat wel kan opbrengen” (224). Er zit een kloof tussen de ervaring van Clemens als priester die zich aan de kerkelijke wetten en gebruiken wil houden, en zijn ervaring van zijn lichamelijke noden waarin zijn opspelende darmen niet langer ontkend kunnen worden.

In een dramatische setting in het Vaticaan volgt de radicale transformatie van Clemens als priester tot Clemens als man van vlees en bloed, waardoor hij zichzelf als gelovige van zich afschudt en zijn eigen weg gaat bepaalt: “Diepe emotie brengt de waarheid die ik eindelijk heb ervaren: ik ben geland in mijn eigen lichaam! Met een schok die mijn bewustzijn niet kon verdragen heeft God me uit mijn koude hoofd getrokken en in mijn warme lijf gedonderd. De klap heeft mijn hele leven doordrongen en omgevormd, al mijn vragen beantwoord, puzzels gelegd en kaartenhuizen laten instorten. ALLES IS ANDERS!” (245). Met deze ervaring eindigt ook het leven van Clemens, want hij stort zich met motor en al tegen een brug om zijn lichaam ter beschikking te stellen aan de medische wetenschap.

En in deze stap ligt volgens mij het verschil tussen filosofische en niet-filosofische ervaring. Als je namelijk ervaart dat er een discrepantie is tussen verschillende ervaringswijzen, dan heb je allereerst de neiging om die andere ervaringswijzen te reduceren zoals Clemens bijvoorbeeld in eerste instantie doet met zijn lichamelijke ervaring. Maar breder herkennen we deze strategie in de reductie van alledaagse ervaring in het hedendaagse wetenschappelijke wereldbeeld (‘wij zijn ons brein’). Soms lukt zo’n reductie domweg niet meer, zoals in het geval van Clemens. Toch kan ook hij de discrepantie tussen de verschillende ervaringswijzen niet uitstaan en slaat hij radicaal om van de ene naar de andere ervaringswijze. Ook dat is een reductie en ontkenning, hoewel een andere, die hij uiteindelijk met de dood moet bekopen. Het lukt alleen sommige mensen, en ik noem die maar even de filosofen onder ons, die in staat blijken om bij de schizofrenie tussen de ervaringswijzen te blijven als ze vragen naar de zin van het leven.

‘Als je er met een speld in prikt en er komt rood bloed uit, ben je in de werkelijke wereld’ (Haruki Murakami, 1Q84)

1q84 gaat over de ervaring van een omslag van de betekenis van de wereld waarin je altijd al thuis bent – aangeduid met het jaar 1984 – waardoor je in een nieuwe wereld terecht komt waarin je je nog niet thuis weet – 1q84, dat wil zeggen 1984 met een question-mark. Die ervaring wordt verteld vanuit het perspectief van een meisje (Aomame) en een jongen (Tengo) die ogenschijnlijk in twee verschillende werelden leven zonder zin en bestemming, maar uiteindelijk al in hun vroegste jeugd verbonden blijken te zijn in een gemeenschappelijke wereld. Door hun beider werelden te herschrijven in dit gemeenschappelijke verleden, ontstaat de mogelijkheid van een gemeenschappelijke wereld in de toekomst waarin hun separatie is opgeheven.

Tengo beschrijft zonder het zelf te weten die nieuwe wereld in zijn verhalen. Hij constitueert zijn in-de-wereld-zijn en verzekert zich zo van zijn plaats in die wereld. Aomame daarentegen wordt zonder het zelf te weten in de door Tengo beschreven wereld verplaatst. Zij ervaart dat de wereld van slag is en dat zich een parallelle wereld vormt waarin heel veel hetzelfde is gebleven maar bepaalde dingen ontegenzeggelijk een andere zin en betekenis hebben gekregen: “Of ik ben gek geworden, of de wereld is gek geworden – het is een van de twee. En ik weet niet wat het antwoord is. Het deksel en de pot passen niet bij elkaar. Misschien is het de schuld van het deksel, misschien van de pot, maar hoe je het ook bekijkt, het een past niet bij het ander. Aan dat feit valt niet te tornen” (164). P.F. Thomése heeft Murakami’s proza eens treffend karakteriseerd als ‘slaapwandelaarsproza’. In dit verhaal is Aomame de slaapwandelaar die niet weet in welke wereld ze verkeert en door Tengo’s verhaal langzaamaan wakker wordt geschud. Net zo is Tengo de slaapwandelaar die zonder het zelf te weten hun beider geschiedenis herschrijft en daarmee de mogelijkheid van een gezamenlijke wereld in de toekomst opent.

Toch is het gekke van dit boek dat het verschil tussen de werelden gevonden wordt in alternatieve feiten, bijvoorbeeld de ervaring van twee manen als indicatie dat je in 1q84 leeft en niet meer in 1984, terwijl een omslag van de wereld primair een verandering van de categorieën of structuren betreft in het licht waarin de feiten verschijnen. Die verwarring van Murakami kan ook verklaren waarom de vraag of ‘ik’ nog wel dezelfde ben als mijn wereld omslaat uit de weg wordt gegaan. Voor Tengo is dat bijvoorbeeld geen vraag: “En bovendien, of er op deze wereld (of op díé wereld) nu één maan was, of twee, of drie, er was maar één Tengo. Dus wat maakte het uit? Tengo was Tengo, waar hij ook was. Hij was een en dezelfde mens, behept met zijn eigen problemen, begaafd met zijn eigen talenten. Het ging helemaal niet om de maan. Het ging om hemzelf!” (799). Maar moeten we de question-mark ten aanzien van de omgeslagen wereld niet veel ernstiger nemen, ook al geven we daarmee de mogelijkheid op dat deze twee mensen elkaar ooit nog terug zullen vinden, evenals de mogelijkheid dat zij zichzelf ooit terug zullen kunnen vinden in de onherroepelijk vervliedende tijd? Dan is er nog maar een toetssteen voor de realiteit van de wereld waarin je leeft: “’Als je er met een speld in prikt en er komt rood bloed uit, ben je in de werkelijke wereld’” (1095).

Het moreel appel van de vreemdeling (Annelies Verbeke, Dertig Dagen)

Annelies Verbeke beschrijft dertig dagen uit het leven van Alphonse, een Senegalese huisschilder die zijn wilde muzikantenbestaan in de grote stad heeft verruild voor een rustig leventje in het grensgebied van Vlaanderen, waar ooit de eerste wereldoorlog woedde. Tijdens zijn schilderklussen is hij vaak een luisterend oor voor uiteenlopende verhalen van de plaatselijke bevolking over familiaire intriges en biedt hij een helpende hand waar dat nodig is. Zijn levensmotto lezen we halverwege het boek: “Zeg wat je weet, doe wat je kunt, en als je gaat liggen, zul je goed slapen” (136). Hoewel Alphonse sterk verwesterd is, getuigt dit levensmotto van zijn vreemdelingenstatus in een wereld waar de één hem tegemoet treedt met een naast on-westers aandoende openhartigheid, en de ander met onverholen racisme. Hij is het tegenovergestelde van de calculerende westerling die zich altijd bewust is wat hem of haar tot voordeel kan strekken, van wie het liberalisme vooral bestaat in het doen waar je zelf zin in hebt, en die doof is voor vreemdelingen in nood, zoals de vluchtelingen die hun toevlucht hebben gezocht in voormalige loopgraven in de Westhoek.

Zo steekt Alphonse een helpende hand toe als een opdrachtgever zich zorgen maakt over zijn buurman die al dagenlang de deur niet meer opendoet: “Hij wil naar binnen om deze onfortuinlijke man te vinden, hem te troosten en voor hem te zorgen, en niet omdat diens ongeluk hem beter doet voelen, omdat het hem koud laat of omdat hij het nodig heeft, maar omdat hij het kan, helpen, omdat het is wat hij doet. Omdat hij sterk is. Hij weet de deur open te krijgen, en voelt het roffelen in zijn borst, de gloed achter zijn ogen. Je kunt me alleen nog vermoorden, zo zingt hij zijn onvoorspelbare danspartner in gedachten toe, en zelfs dan zal ik onvoorwaardelijk van je houden, want zolang ik leef, val ik niet meer te vloeren” (180). Alphonse heeft een innerlijke keus gemaakt om te zijn wie hij is, ondanks het racisme en het gruwelijke geweld waaraan hij tegen het einde van het boek wordt blootgesteld. Het boek is daarmee een moreel appel van de vreemdeling op ons om te doen wat we kunnen om de ander te verstaan, waar mogelijk te helpen en, wanneer onze pogingen desondanks falen, vertroosting te bieden.

Overwegingen bij de prosodie van The Sound and the Fury (William Faulkner, Het geluid en de drift)

Het geluid en de drift verhaalt over de ondergang van de ooit vooraanstaande familie Compson in het zuiden van de Verenigde Staten, waarvan fragmenten worden verteld vanuit vier verschillende perspectieven op vier verschillende tijdstippen in de geschiedenis: de zwakzinnige Benjy, zijn broer Quentin die later zelfmoord pleegt, zijn sadistische broer Jason en de zwarte huishoudster en sloof van de familie Dilsey.

Hoewel heel veel over dit boek gezegd kan worden, want hoe geweldig is het niet in de huid te kruipen van een gek die stom is en niets kan maar wel wil zeggen, of van zijn incest plegende broer die jaloers is op de latere promiscuïteit van zijn zuster en de dood in wordt gedreven, wil ik me concentreren op een kleinigheid. De stommeling heet Benjamin maar wordt door zijn liefhebbende zus en beschermer Benjy genoemd. De huidhoudster begrijpt niet waarom hij een nieuwe naam zou moeten krijgen zolang de vorige nog niet versleten is, maar zij verandert zijn naam om hem meer geluk te bezorgen. Daarin volgt ze de zienswijze van haar moeder, die denkt dat je naam voorspelt wie je zal worden.

Klaarblijkelijk is dit een gedachte die diep verankerd ligt in de levensopvatting van de Compsons: “Versh zei: Je heet nou Benjamin. Weet je hoe ‘t komt dat je nou Benjamin heet. Om te zorgen dat je blauw tandvlees krijgt. Mammy heeft verteld dat je opa vroeger de naam van ’n neger veranderd heeft, en dat die predikant werd, en dat die ook blauw tandvlees had toen ze bij ‘m keken. En daarvoor had ie helemaal geen blauw tandvlees. En als ’n zwangere vrouw bij volle maan in z’n ogen keek kwam er ’n kind met blauw tandvlees. En op ’n avond, toe er wel tien van die kinderen met blauw tandvlees rondliepen, kwam ie helemaal niet meer thuis. Buidelratjagers vonden ‘m in de bossen, helemaal opgevreten. En weet je wie ‘m had opgevreten. Die kinderen met blauw tandvlees hadden dat gedaan” (70). De Compsons huldigen niet de gangbare opvatting van taal als instrument in handen van de mens om betekenisinhouden over te dragen en uit te wisselen, maar denken dat taal constitutief is voor wie je bent. Als je vernoemd wordt naar een hoer en slet, dan is je zo’n beetje eenzelfde lot beschoren. En misschien is dit niet eens een-op-een zo bedoeld, maar wie kan zich aan de indruk onttrekken dat namen als Michiel of Alexander, Medea of Haedewych iets met de naamdrager doen. De naam luidt een heel specifieke toekomst in, en als het vooruitzicht van die toekomst niets heilzaams te brengen heeft en geen geluk, waarom dan niet een naamsverandering beproeven, zo lijkt de zuster van Benjamin te hebben gedacht.

En toch maakt de titel van het boek, Het geluid en de drift, duidelijk dat de naam en de taal niet volstaat om onze levensweg te begrijpen. Juist het opvoeren van een stommeling die alleen kan brullen laat de ontoereikendheid van de namen zien en het gewicht van de prosodie van de taal. Het geluid en de drift kenmerkt primair het ritme, de toon en de intonatie van de vier stemmen die, of ze nu wel of niet tot taal in staat zijn, de ondergang van de familie Compson inluiden en tot klinken brengen. Niet alleen is het dus zo dat de naam geen instrument blijkt maar (mede) constitutief is voor ons levensverhaal, maar dat het vooral de prosodie van de taal is – The sound and the fury in de verhalen van de vier stemmen – die onze levensweg bepaalt.

De onschadelijkheid van de wet van Gresham (Philip Dick, De man in het hoge kasteel)

De man in het hoge kasteel is een alternatieve geschiedenis waarin Duitsland en Japan de tweede wereldoorlog niet hebben verloren maar juist hebben gewonnen en Amerika onderling hebben verdeeld. In het midden van Amerika ligt een gebied waar zowel Japan als Duitsland geen controle over hebben kunnen krijgen, waar de man in het hoge kasteel woont. Hij is de auteur van een verboden boek dat verhaalt over een alternatieve geschiedenis waarin Duitsland en Japan de tweede wereldoorlog wel hebben verloren. Het verhaal ontspint zich rond allerlei figuren die onwetend zijn over hun rol en functie in de achtervolging van de auteur van deze verboden bestseller, waarin al het onechte echt blijkt en al het echte onecht. Sterker, in het verhaal wordt het onderscheid tussen echt en onecht opgeheven.

Dit wordt bijvoorbeeld geïllustreerd aan de discussie over de historische waarde van objecten zoals een oude aansteker of revolver: ”’Luister. Een van die twee Zippo’s had Franklin D. Roosevelt in zijn zak toen hij werd vermoord. En de andere niet. De een heeft historische waarde, en niet zo’n klein beetje ook. En de andere heeft het niet. Voel je het?’ Hij knikte haar bemoedigend toe. ‘Nee, hè? Je voelt of ziet geen verschil. Er is geen ‘mystieke uitstraling’, er zit geen ‘aura’ omheen. … Ik bedoel, als een pistool aanwezig is geweest bij een beroemde slag, zeg bij die van de Maas-Argonne, dan is het niet anders dan wanneer dat niet het geval zou zijn geweest, tenzij je het weet. Het zit hier…’ – hij tikte tegen zijn hoofd – ‘… in de geest, niet in het wapen’” (87). Dit voorbeeld illustreert dat woorden als vervalsing en authenticiteit hun betekenis hebben verloren, en dat slaat natuurlijk terug op de ‘alternatieve’ geschiedenis waarover dit boek gaat.

En toch ontkomt ook de auteur er niet aan om het onderscheid vast te houden. De wet van Gresham uit de monetaire economie zegt dat “slecht geld” “goed geld” verdringt. Als zilveren munten slijten verlaagt dit hun nominale waarde en zullen degenen die een nieuwe munt ontvangt geneigd zijn die te bewaren, terwijl ze de oude versleten munten gebruiken in hun economische transacties. Bij de invoering van de Euro zag je hetzelfde effect optreden. De nieuwe munten werden opgepot door de ontvangers ervan, terwijl zij hun oude muntgeld grif uitgaven. In De man in het hoge kasteel komt deze wet aan de orde als het gaat om vervalsingen van oude wapens met historische waarde, waar een enorme vraag naar is van de kant van de Japanners die Amerika bezetten in het boek: “En eigenlijk vroegen ze zich, voor zover hij wist, nooit af of die zogenaamde historische kunstnijverheidsproducten die in de winkels aan de Westkunst verkocht werden wel echt waren. Ooit zouden ze dat misschien wel doen, en dan zou de zeepbel uit elkaar spatten en zou de markt instorten, zelfs voor authentieke sieraden. Het was een van de wetten van Gresham: de vervalsingen zouden de waarde van de authentieke sieraden ondermijnen” (69).

Er zijn dus twee mogelijkheden. Ofwel de wet van Gresham houdt stand in deze alternatieve geschiedenis, maar dan heeft het verschil tussen vervalsing van de geschiedenis en authentieke geschiedenis nog wel betekenis voor ons en is het verschil tussen echt en onecht niet opgeheven. Ofwel de wet van Gresham houdt geen stand, maar dan is het ook niet zo dat deze alternatieve geschiedenis van de uitkomst van de tweede wereldoorlog de authentieke geschiedenis verdringt. En als deze alternatieve geschiedenis de authentieke geschiedenis niet verdringt, dan blijft ze gewoon staan naast een multipliciteit aan alternatieven. En daarin lijkt de zin van deze geweldige roman te bestaan. Enerzijds is ze volstrekt onschadelijk omdat alleen maar wordt gespeeld met alternatieven terwijl de echtheid van onze wereld nooit werkelijk wordt ondermijnd. Anderzijds zaait dit juist dit spel van alternatieve geschiedenissen twijfel ten aanzien van ons perspectief op de geschiedenis, bijvoorbeeld de geschiedenis van de tweede wereldoorlog, die veelal wordt gemedieerd door oneigenlijke symbolen en archetypen.

 

 

Over onpeilbare dieptes die onze levensweg omgeven (David Vann, Klare lucht zwart).

In Klare lucht zwart hervertelt David Vann de klassieke tragedie over Medea die haar man Jason helpt te vluchten met het gouden vlies en, als hij haar verraadt, de kelen van hun kinderen doorsnijdt. Hoewel dit verhaal al menigmaal is herverteld in film en theater, vindt in deze versie een belangrijke verschuiving plaats. In deze versie staat niet de onpeilbaarheid van de vrouw Medea centraal zoals in vele van haar voorgangers (van toverkol tot feministe avant la lettre), maar de onpeilbaarheid van de zee waarover zij met de Argonouten uit haar vaderland vlucht en op weg gaat naar Korinthe, dat wil zeggen de onpeilbaarheid van de aarde die ons reilen en zeilen omgeeft zonder dat we daar normaal gesproken erg in hebben omdat we opgaan in de wereld van onze verlangens en gedachten.

Deze verschuiving komt naar voren in het begin van het boek: “Welke mythe houdt stand wanneer je in je broers resten knielt? Wanneer je zelf zijn keel hebt doorgesneden? Welk verhaal kan ons leiden als we alles kunnen verraden? U, duistere, zegt Medea tegen het water. Laat alles wat samenbindt vallen. Laat alles wat gekend is verward raken. Laat alles wat wij zijn sterven. Laat mij de meest gehate onder de vrouwen zijn, en de meest waarachtige” (22). In deze hervertelling staat niet de mythe van Medea zelf centraal staat, waarin ze haar broer vermoordt en in stukken in de zee gooit om zich haar vader van het lijf te houden. Hoewel het verhaal nog jaarlijks wordt opgelepeld in de grootsteedse theaters en bezocht wordt door bendes belezen bejaarden en opgroeiende Gymnasiasten, houdt die mythe geen stand en heeft het verhaal ons niets meer te zeggen vandaag de dag. In Vann’s versie wordt de eens gehate vrouw daarom nu de waarachtige vrouw die vertelt over de onpeilbaarheid van de zee waarover zij varen en waarop we normaal gesproken geen acht slaan omdat we opgaan in onze wereld vol ankerpunten. Ze laat ons zien dat die omgevende aarde niet het stabiele decorstuk is dat de achtergrond vormt voor onze strevingen, maar een element dat onze levensweg draagt en bedreigt. Medea ervaart dit bijvoorbeeld als ze even gaat zwemmen op open zee, en ervaart “dat er altijd iets onder ons woelt, ongeziene beweging, wachtend, iets groots, dat niet gekend of beheerst kan worden” (111). Het is die ervaring van de onpeilbaarheid van de ons omgevende aarde, die de wereld als datgene wat alles samenbindt en ordent uiteen laat vallen en alles wat gekend is in verwarring brengt.

Medea is dan ook niet zozeer de priesteres van duisternis omdat haar drijfveren en gedrag zelf duister zouden zijn, want zij voelt zelf de angst voor die duisternis: “Als de wind draait, zal die nog steeds van opzij waaien en zeilen ze mogelijk recht op het land af, zonder te weten dat ze gedraaid zijn. In werkelijkheid hebben we geen idee van hun koers. Elk van hen verwacht opduikende rotsen, de romp gescheurd, binnenstromend water en ze kunnen alleen maar hopen op een kust, niet een kleine rots midden in zee. Angst leeft nabij. In de romp en de mast die kan breken, in de roeren, in de lucht die ergens land bevat, maar bovenal in het water. Rotsen en elk onbekend schepsel. Wat daar beneden leeft kan onbeperkt groeien. Alle landdieren bekend, maar uit de diepten komt altijd iets nieuws omhoog” (63). Medea is geen vrijheid zoekende vrouw die het opneemt tegen haar vader en haar man verantwoordelijk houdt voor zijn verraadt, maar maakt ons attent op de onpeilbaarheid van de aarde die elke koers die wij inzetten of verzetten bedreigt en uit het lood kan slaan. En dit verhaal houdt wel stand tot op de dag van vandaag en gaat ons aan het hart als vraag naar de zin van de aarde.

 

Erkenning en wereldloosheid (Michel Houellebecq, Serotonine)

Serotonine gaat over Florent-Claude Labrouste, een depressieve beleidsmedewerker bij het ministerie van landbouw die een nieuw medicijn slikt tegen depressie maar daarvoor de prijs van impotentie en algehele lusteloosheid moet betalen. ‘Captorix’ verhoogt de serotonineafgifte in het maag-darmslijmvlies, wat weer je zelfwaardering en de erkenning binnen de groep bevordert.

Die erkenning binnen de groep is eigenlijk het springende punt van deze roman, want dat is het waaraan het Florent-Claude ontbreekt. Hij heeft geen specifiek milieu waaraan hij toebehoort en heeft elke binding met de wereld en de mensen verloren. Volgens hem wordt de wereld primair geschapen door de vrouw: “Bij de vrouw is liefde … een scheppende kracht van dezelfde orde als een aardbeving of klimaatverandering, ze brengt een ander ecosysteem, een ander milieu, een ander universum voort, met haar liefde schept de vrouw een nieuwe wereld, je had eerst geïsoleerde wezentjes die rond spartelden in een onzeker bestaan en tada, ineens schept de vrouw de bestaansvoorwaarden voor een koppel, een nieuwe sociale, sentimentele en genetische entiteit die geen andere roeping heeft dan elk spoor van de vooraf bestaande individuen uit te roeien, een nieuwe entiteit die al in haar essentie volmaakt is, zoals Plato had geconstateerd, en die soms de complexere vorm van een gezin kan aannemen…” (60). De man schept niet zelf een wereld zoals de vrouw. Hij weet dat hij de wereld niet kan veranderen, maar hij brengt de door de vrouw geschapen wereld tot voleinding: “Gaandeweg wordt de man getransformeerd door het immense genot dat de vrouw hem schenkt, hij gaat dankbaarheid en bewondering voelen, zijn wereldbeeld verandert, geheel onverwacht (voor hem) bereikt hij de Kantiaanse dimensie van de achting, en gaandeweg begint hij de wereld op een andere manier te bezien, het leven zonder vrouw … wordt echt onmogelijk, een soort karikatuur van een leven; op dat moment begint de man werkelijk lief te hebben” (60). Leven in een betekenisvol verband is wat het samenkomen van vrouwelijke en mannelijke liefde bewerkstelligt, en wat tot erkenning binnen de groep leidt.

Aangezien Florent-Claude elke binding met een dergelijk verband verloren is, slikt hij medicijnen ter compensatie en gaat hij allerlei vroegere geliefden na op zoek naar haakjes om zo’n verband te herstellen. Als hij aan het eind van het boek zo’n oude geliefde heeft teruggevonden en constateert dat ze alleenstaand is maar inmiddels wel een kind heeft gekregen van inmiddels vier, overweegt hij zelfs het kind dood te schieten in de hoop dat zij na een paar maanden van verdriet weer in zijn armen zou vallen en hem zo’n nieuw verband zou schenken, waardoor hij van de medicijnen af kan komen. Uiteindelijk ziet hij hiervan af en komt hij tot het besef dat zijn binding met de wereld niet zo heeft mogen zijn en dat het ook niet aan hem is daar iets aan te veranderen. Alleen een God kan ons nog redden, zo lijkt Houellebecq in de epiloog te suggereren, want de liefde in ons hart, en dat is dus de liefde om werelden te scheppen en volbrengen, is niets anders dan een teken van God.

Wat wij kunnen leren van iemand die zijn verband met de wereld volledig verloren is, is hoe belangrijk het voor het menselijk bestaan is in een betekenisvol verband te leven. En als we ons de dramatische uitspraak – “Niemand in het Westen zal nog gelukkig zijn” (87) – ter harte nemen, dan kan het niet anders dan dat Serotonine ons oproept opnieuw te vragen naar de schepping van wereld in de huidige ‘wereldloosheid’. En laat het maar duidelijk zijn. Volgens mij heeft die schepping helemaal niets, maar dan ook helemaal niets met vrouwelijke en mannelijke seksualiteit te maken zoals Houellebecq ons wil doen geloven.

 

De somnambulaire toestand van het plotloos bestaan (Rob van Essen, De goede zoon))

In De goede zoon maakt een zestigjarige schrijver van plotloze thrillers een reis door een wereld waarin de mens gekenmerkt wordt door mentale inertie en cultuursnoeverij, doordat de wereld van de menselijke arbeid is vervangen door een gerobotiseerde wereld. Het boek is zelf plotloos, voor zover een plot of narratief bekendheid met de structuur en causale samenhang van de gebeurtenissen van de lotgevallen in het boek veronderstelt. De reis van de goede zoon kan niet zo begrepen worden, want het gaat in dit boek over kwalitatieve omslagen van de betekenis van de wereld waarin de hoofdpersoon zich bevindt en waardoor alles, incluis hijzelf, verandert. Op verschillende niveaus speelt zo’n omslag van de oude wereld waarin alles je bekend en vertrouwd is naar een nieuwe wereld waarin je blind en doof bent en waarin je je nog niet weet te oriënteren. Een dergelijke overgang was aan de orde bij zijn pas gestorven moeder, toen ze twintig jaar terug dement werd en haar vertrouwde wereld aan de vergetelheid werd prijsgegeven ten gunste van de onmiddellijke eeuwigheid van het nu. Een dergelijke overgang was ook aan de orde in de jeugd van de goede zoon, toen zijn ouders besloten terug te keren naar een streng gereformeerd geloof en hem een nieuwe wereld van hel en verdoemenis in het vooruitzicht werd gesteld. En een dergelijke overgang is aan de orde in het reisverslag dat het merendeel van het boek beslaat, waarin de goede zoon met een oude vriend naar het zuiden trekt en een nieuwe wereld betreedt van onherbergzame gebieden, waarin soms vuren branden en pelgrims op weg lijken naar dezelfde bestemming.

Aangezien het in de filosofie wemelt van de reflecties op dit soort overgangen en omslagen, is het goed van Essens literaire verwoording ervan te overwegen: “Er zijn overal verbanden ontstaan waar ik geen weet van heb, en tussen mij en de wereld lijkt steeds minder verband te bestaan. Het is vooral de achteloosheid waarmee de wereld waarin jij je beweegt wordt ontkend, alsof de spot wordt gedreven met de stilzwijgende vanzelfsprekendheid van je omgeving, alsof eenzijdig het contract wordt opgezegd dat de wereld en jij ooit sloten; en dat contract hield in dat je serieus werd genomen, door welke vorm van intelligentie dan ook, je kijkt om je heen en merkt opeens dat het contract is verscheurd, je ziet nog net een paar snippers de hoek om waaien. Zelf heb je altijd je best gedaan om het allemaal te begrijpen, want je wist, hoe vreemd je het ook mocht vinden: het vindt allemaal plaats in mijn wereld” (182). De goede zoon ervaart de contractbreuk met de oude vertrouwde wereld en dit doet hem besluiten mee te gaan op reis naar de nieuwe wereld waarvan hij nog niet begrijpt hoe het er aan toegaat.

Wat allereerst opvalt is dat de goede zoon wordt gedreven door ergernis en woede over mensen die denken nog in de oude vertrouwde wereld te leven en niet doorhebben dat alles in een radicaal ander licht is komen te staan. Die ergernis verdwijnt zodra hij op reis gaat met zijn oude vriend en in een zelfrijdende auto naar het Zuiden stapt, op een reis met onbekende bestemming. Woede en ergernis maken plaats voor nervositeit, een spanning die te maken heeft met het feit dat hij de oude vertrouwde wereld onherroepelijk achter zich laat en op reis is in een wereld waarin hij zich in somnambulaire toestand bevindt, een wereld waarvan hij de betekenis nog niet kent. In die nieuwe wereld is hij niet langer in control, maar overgeleverd aan een leidsman of gids: “leid mij, dat is de boodschap die ik uitzend” (48). De goede zoon zoekt een gids die hem bekend maakt met de betekenis van de nieuwe wereld waarin hij zich bevindt. Hij verlangt naar een nieuwe hechting met de wereld en laat zich dan ook leiden door de gerobotiseerde wereld gedurende zijn reis (de seksscène met de zelfrijdende auto is ronduit hilarisch).

De tragiek van het verhaal is dat zijn toenemende bekendheid met de betekenis van die nieuwe wereld niet tot nieuwe hechting leidt, maar dat hij zich ook in die nieuwe wereld niet thuis voelt. Waarom? In die nieuwe gerobotiseerde wereld is sprake van onbegrensde expansiemogelijkheden en onbegrensde ontwikkelingsmogelijkheden van digitale technologie, waarin geen ruimte meer is voor het plotloze van het menselijk bestaan, waarin de onmogelijkheid om overzicht te krijgen over de onherroepelijk gescheiden werelden die we verlaten en betreden in ons leven vervaagt tegen de achtergrond van de totale presentie. Elke hechting met de wereld blijft gebannen door onthechting, en voor dit diep menselijke is geen plaats meer in deze nieuwe van technologie vergeven wereld.

Ten slotte een literair kritische opmerking waar ik me normaal gesproken van onthoud. Dit is de terechte winnaar van de Librisprijs voor zover het niet alleen gaat over de somnabulaire toestand van de goede zoon, maar die ervaring op geweldige manier incorporeert in mijn leeservaring, en me doet genieten van zijn oproep mij te laten leiden door het boek.