Over de rol van phantasmagorische gebeurtenissen in het leven (Javier Marias, Zo begint het slechte)

Op een gekke manier geeft Javier Marias’ Zo begint het slechte een verdieping van Marijke Schermers Noodweer dat ik in een eerder blog aan de orde stelde (zie blog Het leven als outlier (Marijke Schermer, Noodweer)). Terwijl de hoofdpersoon van Noodweer denkt dat ze zelf kan kiezen welke gebeurtenissen een rol spelen in haar leven, beschrijft Marias andersom de manier waarop gebeurtenissen het zelf vormgeven. Volgens hem ben je nooit het subject dat de betekenis van gebeurtenissen kiest, maar ben je als mens altijd onderhevig aan gebeurtenissen die jouw leven tekenen. Consequentie is dat jouw zelf altijd onaf en open blijft. Je denkt zelf weliswaar in elke levensfase af te zijn en een vaste identiteit te hebben waaraan alleen nog onbelangrijke dingen kunnen veranderen, maar dat is niet zo: “Nu kijk ik naar mijn jonge dochters en ik zie dat ze niet voldoende gevormd zijn, wat logisch is op hun leeftijd, maar zij zullen vinden dat ze helemaal af zijn, dat ze wezens zijn die vrijwel niet meer kunnen veranderen, zoals ik mezelf beschouwde toen ik drieëntwintig was en me voordien altijd had beschouwd, veronderstel ik, een mens besteedt weinig aandacht aan zijn veranderingen, hij vergeet ze zodra hij ze heeft ondergaan en hij vergeet hoe hij was” (206). Terwijl de hoofdpersoon van Noodweer begrepen kan worden als een van die dochters die denkt af te zijn, gaat Zo begint het slechte juist in op de capaciteit van gebeurtenissen om jouw eigenste te veranderen.

Het boek gaat over de entourage van Eduardo Muriel, een Spaanse filmregisseur in de post-Franco periode. In verschillende verhaallijnen komt de invloed van gebeurtenissen uit het verleden op de manier waarop je jezelf in relatie tot anderen begrijpt aan de orde. Als blijkt dat een goede vriend van je niet alleen arts is geweest die clandestien republikeinse kinderen hielp in de Franco-periode, maar zich daarvoor in natura liet betalen door hun moeder of oudere zusters te misbruiken, dan verandert dat jullie relatie ten diepste. Als blijkt dat je huwelijk gegrondvest is op een leugen van je echtgenote, waardoor je leven een richting nam die je helemaal niet beoogde, dan zet die gebeurtenis je eigen verleden en heden in een ander licht. Het zijn dus gebeurtenissen die jou en je relaties tot anderen vormgeven en niet andersom. De principiële mogelijkheid van nieuwe gebeurtenissen maakt bovendien dat je nooit af bent.

Niet alleen gebeurtenissen geven het leven vorm, maar vooral het kennen van die gebeurtenissen. Als je bijvoorbeeld geen weet hebt van de indecente praktijken van je vriend of de leugen van je echtgenote, dan hebben dergelijke gebeurtenissen geen veranderende kracht (hoewel, de gespannenheid en krampachtigheid van het achterhouden van gebeurtenissen doet anders vermoeden). Maar zodra je achter de leugen komt, komt je identiteit in een spagaat terecht. Enerzijds verandert de kennis van de gebeurtenis je leven en je relatie tot de ander op grondige wijze; je had nu iemand anders kunnen zijn als je echtgenote eerlijk was geweest. Anderzijds kun je de werkelijkheid van je onwetende leven moeilijk ontkennen: “Je kunt jaren die waren zoals ze waren niet negeren maar evenmin afwijzen, ze kunnen niet anders meer zijn en er zal altijd een rest van achterblijven, een herinnering, ook al is die nu fantasmagorisch, iets wat gebeurde en niet gebeurde” (103). Marias pleit voor een houding waarin we de werkelijkheid aanvaarden van het gebeurtelijke karakter van het leven dat zich veelal onttrekt aan onze kennis. Enerzijds moeten we “de verschrikkelijke kracht van de feiten” aanvaarden (403); wat is gebeurd is gebeurd en kan niet worden veranderd. Anderzijds moeten we het mogelijkheidskarakter dat besloten ligt in de kennisname van verborgen gebeurtenissen aanvaarden. De feitelijke gebeurtenis liggen dan weliswaar achter ons, maar met onze kennisname ervan begint ons onaffe leven tegelijkertijd opnieuw en ontwikkelt het zich in onvermoede richtingen.

 

 

Het leven als ‘Outlier’ (Marijke Schermer, Noodweer)

Noodweer van Marijke Schermer is een prachtig inkijkje in de gemiddelde mens. Emilia, de hoofdpersoon van het verhaal, verzwijgt een verschrikkelijke gebeurtenis die ze meemaakt voor haar prille geliefde. Zij denkt dat gebeurtenissen alleen een rol spelen in je leven als je daar zelf voor kiest. In dit geval kiest ze ervoor de gebeurtenis te verzwijgen omdat die anders het zicht op haar identiteit zou contamineren. Op zichzelf is het een heel rare gedachte dat je zelf zou kunnen kiezen welke gebeurtenissen een rol spelen in je leven en dat die gebeurtenissen een filter vormen tussen jou en de ander. Alsof gebeurtenissen niet jouw identiteit constitueren en alsof ‘jij’ er bent buiten de inter-relatie met de ander.

Toch levert deze misvatting een instructief beeld op voor de vraag naar de human condition vandaag de dag. Emilia is namelijk statisticus en werkt voor Systematisch Onderzoek Statistiek, een bureau dat cijfers van nieuwsberichten en artikelen onderzoekt om de zekerheid die de cijfers suggereren te nuanceren en de keuzes achter bepaalde statistische modellen te laten zien. Vanuit dit perspectief begrijp je dat de verschrikkelijke ervaring die ze verzwijgt een outlier is: “Waarden die erg sterk afwijken, worden tot outliers verklaard en geschrapt uit de dataset voordat de statistische berekeningen worden uitgevoerd – wat leidt tot een andere waarde voor het gemiddelde dan wanneer ze waren meegerekend. Outliers kunnen het gevolg zijn van meetfouten of van uitzonderlijke gebeurtenissen waarmee je geen rekening wilt houden, maar er is geen eensluidend wiskundig criterium voor het tot outlier verklaren van een bepaalde uitkomst. Het is een kwestie van interpretatie, van subjectieve oordelen” (142). Met andere woorden, Emilia verklaart de verschrikkelijke gebeurtenis tot outlier waardoor haar identiteit op een andere manier wordt geconstitueerd dan wanneer ze deze gebeurtenis wel had meegerekend. In die zin denkt ze zelf te kunnen beslissen welke gebeurtenis een rol speelt in haar leven en welke niet. Elke statistische berekening gaat namelijk terug op een standpunt van de onderzoeker die bepaalt welke categorieën wel en niet relevant zijn: “Of je de etniciteit van criminele jongeren in kaart brengt, verraadt een totaal ander standpunt dan als je ze bijvoorbeeld in zou delen naar hun sociale of economische klasse” (55).

De denkfout van Emilia is natuurlijk dat ze het oordeel over outliers, dat inderdaad teruggaat op een subjectieve interpretatie van wat belangrijk en onbelangrijk heet te zijn in het statistisch model, verwart met de rol van gebeurtenissen in het leven zelf. Die zijn juist niet subjectief maar constitueren het subject. Door die verwarring ziet ze enerzijds niet dat het leven altijd een outlier zal blijven ten opzichte van welk statistisch model ook. Anderzijds wordt de gemiddelde mens pas geconstitueerd dankzij deze verwarring.

Het grandioze van het boek van Schermer is dat de krampachtige pogingen van Emilia om controle over haar leven te houden alle aanleiding geeft om je te verzetten tegen die verwarring. De gespannenheid van de personages laat juist zien dat we niet zelf kunnen beslissen of gebeurtenissen een rol spelen in ons leven, maar alleen kunnen vragen naar de betekenis van die gebeurtenissen voor ons leven, of we die nu waar willen hebben of niet. Wat een geweldige leeservaring.

 

Beleefde tijd versus gemeten tijd (Christoph Ransmayr, Cox of het verglijden van de tijd)

Cox of het verglijden van de tijd gaat over de tragische discrepantie tussen de beleefde tijd en de gemeten tijd. We herkennen die discrepantie allemaal wanneer we bijvoorbeeld ervaren dat de tijd – de heerlijke avond, het afgelopen jaar, de vakantie etc. – snel verglijdt terwijl we weten dat dat helemaal niet kan volgens de gemeten tijd.

Alister Cox, een Engelse klokkenmaker, ontvlucht de pijn van zijn te jong gestorven dochter en onderneemt een reis naar China om daar een aantal unieke klokken te bouwen voor de keizer. De tragiek van de discrepantie tussen beleefde en gemeten tijd is voelbaar in de roman, allereerst omdat Cox’ dochter alomtegenwoordig is tijdens zijn verblijf in China (beleefde tijd) terwijl zij allang verscheiden is (gemeten tijd). Op een tweede niveau speelt deze tragiek in de onmetelijke investering van de keizer in klokken die de kwalitatief verschillende beleefde tijden van de minnaar, het kind etc. moeten zien te meten, terwijl hij beseft dat het nooit zal lukken om het verglijden van de tijd te temmen. De eigenlijke tragiek speelt echter in het geloof van de klokkenmaker dat je de beleefde tijd daadwerkelijk meetbaar kunt maken op die manier: “Al naargelang de grootte en het wisselende aantal der messing raderen kon je elke tijd, althans in het binnenste van een klok, laten vliegen – of in een slakkengang laten voortkruipen. En wie in staat was een dergelijk mechaniek te construeren, met wijzers die zouden draaien in overeenstemming met de meest uiteenlopende levensfasen, die zou zich met zijn uurwerk – ja precies, net als de marionettenspeler met zijn draden boven het zichtbare leven van de poppen – kunnen opwerpen tot heer en meester van de tijd en hem naar believen laten verstrijken of stilstaan” (63-64).

Zijn geloof in de mogelijkheid om beleefde tijd om te zetten in meetbare tijd leidt tot een even schoon als gruwelijk idee van een klok die ingemetseld is in de grafsteen van zijn dochter. Het heeft een raderwerk dat wordt aangedreven door de vrijkomende gassen van haar ontbinding. Hoe gruwelijk mooi het beeld ook is, het is natuurlijk niet zo dat deze macabere “levensklok” van de dode dochter “de enige tijdmeting [is] die zijn leven betekenis verschafte” (172). Betekenis van het leven wordt namelijk überhaupt niet in een klok gevonden, maar in de mogelijkheid van het nieuwe begin en van het nakende einde in elk verglijden van de tijd.

 

 

Waarom Murat Isik’s Wees onzichtbaar mij zo woedend maakt (Murat Isik, Wees onzichtbaar)

Normaal waag ik me niet aan waardeoordelen over de literatuur die ik lees en verlaat ik mij eerder op het waardeoordeel van recensenten in mijn keuze van boeken. In dit geval was de Libris literatuurprijs 2018 voldoende grond om het boek van Isik aan te schaffen. En toch kan ik niet verhelen dat Wees onzichtbaar mij woedend maakt.

Natuurlijk, het is een uiterst genoeglijk boek over de coming of age van een Turkse jongen die opgroeit in de Bijlmer, een buurt die de meeste lezers nooit in het echt hebben durven aandoen waarschijnlijk. Ik begrijp natuurlijk dat literaire critici en linkse intellectuelen garen spinnen bij het idee dat een migrantengezin uit de Bijlmer Nederlandse literatuur kan opleveren. Vind ik ook prima en prachtig! Maar laten we het boek ook gewoon even als roman bekijken. Het verhaal beschrijft niet de ontwikkeling van de jongen maar een opeenvolging van activiteiten – voetballen, TV kijken, blote meiden kijken etc. – en wel op volstrekt eendimensionale wijze. Bovendien vinden deze activiteiten plaats in een gezinsomgeving van een liefdevolle moeder en een tirannieke vader, die zonder enig reliëf of ontwikkeling beschreven wordt. De vader is een verschrikking, van begin tot eind, en ondergaat geen enkele ontwikkeling in de zeshonderd bladzijden die het boek telt. De moeder emancipeert zich wel, maar geheel volgens het overbekende ideaal van de Westerse samenleving: eerst zat ze onder de duim van haar man en werd ze dom gehouden, maar gelukkig bevrijdt ze zich door te gaan werken. Daarmee heeft de beschrijving van haar ontwikkeling werkelijk niets verrassends.

Een aanfluiting vind ik het! Een gotspe! De literaire kritiek zou zich moeten kapot moeten schamen voor deze wanvertoning!

Thuisloosheid als niet soevereine manier van samenleven (M.M. Schoenmakers, de wolkenridder)

Waarom zou je je “door vier muren beschermd geluk” (87) vrijwillig verlaten om een thuisloos bestaan te leiden in de openheid van straat en park? Niet zozeer vanwege de fysieke muren die je bestaan benauwen, maar als je merkt die muren te hebben geïnternaliseerd en je tegen je eigen grenzen aanloopt. Dit is de ervaring van Gerlof Verdegaal, een planoloog die alles van scheidslijnen en muren weet en de hoofdpersoon is uit De Wolkenridder van M.M. Schoenmakers. Hij besluit huis en haard te verlaten in de hoop de muren in zijn hoofd te slechten en zijn onderkomen vindt in een zelfgemaakt krot aan de rand van een stadspark.

Wat op het spel staat blijkt uit een brief die Verdegaal aan de koning schrijft om aandacht te vragen voor zijn situatie: “Ik heb dan wel een dak boven mijn hoofd, maar toch voel ik me thuisloos in Uw Koninkrijk! In alle vrijmoedigheid, Majesteit, een Koninkrijk met thuislozen – mag dat nog een Koninkrijk heten?” (157). Net als de koning neemt de planoloog een soevereine positie in die scheidlijnen en muren optrekt om zo orde te stichten. Als Verdegaal ervaart ten onder te gaan aan de muren in zijn hoofd, dan gaat hij in feite ten onder aan zijn eigen soevereine positie. Als hij zijn huis verlaat wordt hij niet alleen een thuisloze binnen het Koninkrijk, geeft hij niet alleen zijn eigen soevereine positie op, maar ondermijnt hij elke soevereine positie. In die zin is een Koninkrijk met thuislozen geen Koninkrijk meer. Daarin ligt de bevrijding die Verdegaal op het oog heeft. Enerzijds lukt het hem: “Het was waar, de vrijheid en rust, de natuur, de stilte, samen sloopten ze de muren in zijn hoofd; hij voelde ruimte en vrijheid, durfde te ruiken aan een universum van perspectieven” (127). Anderzijds is de prijs voor die vrijheid een naamloos leven en een naamloos sterven, zonder wereld die betekenis of zin aan het leven geeft: “Wat was het, van één wereld twee? Viel er nog iets van te maken, van alles, alles bij elkaar opgeteld? Waar was hij? In de wereld, van de wereld of er al buiten? Of was het de wrakke scheidslijn van al zijn werelden – maar was daar leven mogelijk?” (248).

Maar misschien moeten we de thuisloze wel niet denken als een “globetrotter zonder wereld” (85). Misschien moeten we de wereld wel niet denken als ordening van soevereine muren en scheidslijnen, maar als verankerd in een aarde die een ‘universum van perspectieven’ toelaat zonder zelf ooit daardoor gevangen te kunnen worden. Misschien moeten we de thuisloze dan wel denken als aanleiding voor een niet soevereine manier van samenleven op aarde waarin werelden worden gesticht. Dan is het leven niet slechts een pauze tussen twee nietsen zoals Verdegaal denkt, maar creatie ex nihilo.

Hoe je ervaring mee te laten klinken (Wessel te Gussinklo, Zeer helder Licht)

Op het eerste gezicht gaat Zeer helder licht van Wessel te Gussinklo over een verlopen schrijver, een Leger des Heils figuur die valt voor een meisje van de Rotary-club, zoals hij het zelf eens formuleerde. Maar eigenlijk gaat het boek over de aard van het schrijverschap.

Het probleem van de schrijver is dat hij zich uit moet drukken in woorden die niet van hem zijn maar algemene vormen en sjablonen betreffen die de enkelvoudigheid van zijn bestaan nooit kunnen verwoorden. In tegenstelling tot het klootjesvolk, dat zich graag bedient van dergelijke sjablonen en categorieën van vergelijkbaarheid omdat ze geen enkele behoefte heeft verloren te raken in de eenzaamheid van de onvergelijkbaarheid, ervaart de schrijver de pijn van de noodzaak zijn eigenste ervaring in dergelijke gemeenplaatsen uit te drukken. “Maar wij zijn het niet echt, ergens daarachter zijn wij, amorf en vormloos, reikend naar die vormen om herkenbaar, om zichtbaar te zijn, om onze naaktheid, onze weerloosheid te bedekken. Wij scheppen onszelf, wij bekleden onszelf met al die geléénde vormen die toch het meest eigene zijn wat wij hebben; iets anders is er niet” (109). Zonder die vormen zouden we ons alleen maar onmachtig kunnen uitdrukking in geritsel, geklapwiek en gekreun, aldus te Gussinklo.

Daarmee dreigt de hoofdpersoon in een oneindige spagaat te geraken met betrekking tot de taal die hem even dierbaar is als doodongelukkig maakt. Enerzijds heft het gebruik van de taal elke vreemdheid op en maakt het alles en iedereen herkenbaar, en anderzijds snakt hij naar “bevrijding, naar verlossing, die eeuwigheid en onbeperktheid wil” (113). Een uitweg wordt gevonden in het meest voor de hand liggende, namelijk het idee dat de act van de taal niet primair bestaat in de vormgeving van het wat van de ervaring, dat inderdaad eindigt in sjablonen, maar in de uitdrukking van een wie van de ervaring die nooit gevangen kan worden in een sjabloon. Te Gussinklo articuleert dit onderscheid door een oppositie aan te brengen tussen het filosofisch schrijven dat het wat van de ervaring op het oog heeft, en het literaire schrijven dat de presentie van het wie van de ervaring articuleert. Zo makkelijk gaat dat natuurlijk niet. Enerzijds wordt het filosofisch schrijven geen recht gedaan hiermee, alsof hedendaagse filosofie nog zou bestaan in het beschrijven van een wat van welke cognitieve inhoud dan ook. Anderzijds wordt het literaire schrijven hiermee geen recht gedaan, want het wie van mijn levensverhaal is natuurlijk nooit voor mijzelf present. Misschien bedoelt te Gussinklo dat het wie van de ervaring van zich blijk geeft in de act van de benoeming van de wereld om je heen, niet voor de eerste keer, maar wel voor jou. Daarin ligt de on-mogelijkheid van de ervaring van dit wie.

En toch kunnen we iets leren over schrijverschap van te Gussinklo, want het wie van de ervaring wordt gereduceerd en vernietigd in een wat zodra we het gaan beschrijven. Het gaat er om dat het wie mee-klinkt, “het mag niet echt zichtbaar zijn want dan wordt het filosofie of psychologie, of fenomenologie voor mijn part. Ik moet de goede woorden vinden zodat het beelden blijven, gewaarwordingen in plaats van iets abstracts en theoretisch” (118). Het is maar de vraag of dit wie van de ervaring van zich blijk geeft in een gevecht om jezelf in het schrijven, zoals te Gussinklo denkt, of in de onmacht van ons geritsel, geklapwiek en gekreun waarin ons naakte bestaan van zich blijk geeft. Het is dat on-mogelijke gevecht dat meeklinkt in Zeer helder licht, dat het boek tot een grandioze leeservaring maakt.

 

 

Diep weggezonken in de hoogten van de vruchtbare aarde (Jesús Carrasco, De grond onder onze voeten)

Eva Holman, echtgenote van een hoge militair die mede verantwoordelijk is voor de gewelddadige kolonisatie van Zuidelijk Spanje door een vreemde mogendheid, wordt opgepakt door het regime omdat ze een inlander voedt, beschermt en verzorgt. Zij wordt verteerd door schuldgevoel omdat zij haar gerieflijke huis heeft gevestigd op het bloed van mannen en vrouwen zoals hij: “Ik draag de schuld van het feit dat ik me heb laten misleiden mijn leven te bouwen op een moeras. En toch, hoewel ik nooit zal kunnen doen wat hij heeft gedaan, terugkeren naar de enige echt oorsprong, kies ik deze plek uit als mijn plek en claim ik voor mezelf het recht op het stof en de wormen en op alles wat er verder nog is om te mogen wegrotten” (232). De man had zich vele omzwervingen lang in leven weten te houden en was nu teruggekeerd naar zijn geboortegrond om herenigd te worden met gestorven vrienden en familie, om weer een te zijn met de aarde die hem heeft voortgebracht. Door hem te verzorgen neemt Eva de last van het werk van zijn schouders en kan hij één worden met de aarde, overleven als zoon van de aarde. Zij leert van de man dat ook zij, hoezeer ze ook leeft op vreemde bodem, “diep weggezonken [is] in de hoogten van de vruchtbare aarde” (176).