Tag Archives: beschaafde wereld.

De begrenzing van de circulaire economie (Don Delillo’s Onderwereld ).

Don Delillo’s Onderwereld gaat over de aarde als ondergrond van de beschaafde wereld. Als ondergrond behoort ze zelf niet tot de beschaafde wereld; ze verandert met de minuut en kent geen vaste of stabiele vorm. Omdat we normaal gesproken alleen aandacht hebben voor de stabiele wereld zoals we die zien, voelen en ruiken, vraagt Denillo naar de methode om de onderwereld als ondergrond van de beschaafde wereld ter sprake te brengen. De Italianen hebben daar een woord voor. Dietrologia is de zoektocht naar de verborgen beweegredenen achter de beschaafde wereld. Volgens Delillo leidt een dietrologia niet zozeer tot complottheorieën over de onderwereld maar is het een specifieke methode van omtrekkende bewegingen waarin die onderwereld ter sprake wordt gebracht. Het is die omtrekkende beweging die Denillo’s roman constitueert.

Terwijl filosofen de onderwereld in verband zullen brengen met materie of het elementaire, spreekt Denillo zelf over afval: “De beschaving is niet opgekomen en heeft niet gebloeid terwijl mannen jachttaferelen in bronzen hekken smeedden en filosofie fluisterden onder de sterren, met afval als een vervelend bijproduct, opgeveegd en vergeten. Nee, eerst was er het afval, en het heeft mensen aangespoord om in antwoord erop een beschaving op te bouwen, als zelfverdediging. We moesten manieren vinden om van ons afval af te komen en om te gebruiken wat we niet kwijt konden. Het afval duwde terug. Het groeide in de hoogte en de breedte en het heeft ons gedwongen de logica en de discipline te ontwikkelen die zouden leiden tot systematisch onderzoek van de werkelijkheid, tot wetenschap, kunst, muziek, wiskunde”  (314). Daarmee stelt Denillo een vanzelfsprekendheid van onze tijd ter discussie, namelijk het idee dat afval een bijproduct van de beschaving is die we lange tijd onbestraft hebben kunnen lozen in de natuur en de atmosfeer, en vandaag de dag om betere regulering vraagt middels afvalscheiding en hergebruik. “Vuilnis werd altijd  overdekt of naar de randen van een kamer of een landschap geduwd. Maar het had zijn eigen tempo. Het duwde terug. Het duwde naar alle lege plekjes toe en schreef op die manier het bouwpatronen voor en veranderde rituele systemen”  (313-314). Denillo stelt dus voor om afval te begrijpen als onderwereld of ondergrond waaruit elke beschaving opkomt, als beweegreden achter iedere zoektocht om een beschaving te vestigen.

In eerste instantie heeft afval nog een positieve connotatie. Botjes, potscherven en hulzen geven toegang tot verleden beschavingen. Je zou die positieve connotatie kunnen opvatten als aanleiding of beweegreden om afval vandaag de dag positiever te waarderen in onze samenleving: “Breng afval in het openbaar. Laat het de mensen zien en laat ze er respect voor hebben. Verstop je afvalplekken niet. Creëer een architectuur van afval. Ontwerp prachtige gebouwen voor de recycling van afval en vraag mensen hun eigen afval in te zamelen en naar de perspomp en de sorteerband te brengen. Raak vertrouwd met je huisvuil” (313). Deze opvatting van afval ligt ten grondslag aan de hedendaagse roep om materialen te recyclen en meer algemeen om de inrichting van een biobased of circulaire economie; from cradle to grave to cradle to cradle. Daarin is afval niet langer het bijproduct van onze beschaving dat weggespoeld kan worden of anderszins verbannen naar de marge. Er is geen sprake meer van een dergelijke marge van de beschaving als we het idee van ‘global’ warming serieus nemen. De positieve waardering van afval in onze samenleving ziet het als een onderwereld die dient als grondstof en motor voor de verdere ontwikkeling van een duurzame beschaving.

Wat Denillo’s pleidooi voor recyclen van en bouwen met afval niet ziet is dat de circulaire economie afval helemaal niet serieus kan denken, net zomin als zijn protagonist die oproept vertrouwt te raken met afval. Ze begrijpt afval niet als onderwereld van afval waar beschavingen een reactie op vormen, maar als grondstof voor de bouw en ontwikkeling van een duurzame beschaving. Het ideaal van de circulaire economie is dan ook zero-waste ten gunste van een circulaire beweging waarin elk afvalproduct van de beschaving nieuwe grondstof is in de verdere ontwikkeling van die beschaving. De circulaire economie miskent dus juist de onderwereld van afval omdat ze die bij voorbaat begrijpt als grondstof van, en daarmee onderdeel van de beschaving. De circulaire economie is afgewend van die onderwereld in de energie-accumulatie van waste to energy. Dat volgens filosofen zoals Bataille juist een dergelijke energie-accumulatie en miskenning van de noodzaak van wastefulness als humane categorie leidt tot oorlog en verderf, ziet Denillo niet.[1]

Tegelijkertijd ziet Denillo een nieuw type afval opkomen in het tijdperk van de kernwapens. “Afval heeft tegenwoordig iets bloedserieus, een soort onaanraakbaarheid. Witte bakken plutoniumafval met gele waarschuwingsbordjes erop. Voorzichtig. Zelfs het onbeduidendste huisvuil wordt nauwlettend bekeken. Mensen kijken tegenwoordig met een ander oog naar hun vuilnis, en zien elke fles en elk platgestampt pak in een planetair verband” (99). In tegenstelling tot de positieve waardering van afval in de opgraafwerkzaamheden van de archeoloog en in de circulaire economie, dient kernafval juist definitief begraven en juist niet gerecycled te worden. Biedt kernafval een betere toegang tot de onderwereld waar Denillo’s boek aandacht voor vraagt?

Allereerst biedt kernafval een concrete ervaring van afval die niet meer als grondstof voor de circulaire economie te denken is, maar als onderwereld moet worden gedacht. Elke poging om kernafval in te zetten voor de circulaire economie zal de mens met de dood bekopen. Daarmee biedt kernafval een eerste aanwijzing naar afval als onderwereld waarvoor de beschaving uit de weg gaat. Kernafval betreft tegelijkertijd een onderwereld: terwijl we afval vroeger nog konden proberen weg te denken door het weg te spoelen of anderszins te verbannen naar de randen van de beschaving, leven we vandaag de dag in het besef dat elke lozing van kernafval als een boemerang terug kan keren in onze beschaving. Ten tweede biedt kernafval daarmee een concrete ervaring van de onderwereld van afval. De mens is inbegrepen in die onderwereld, want kernafval bedreigt en ondermijnt niet alleen de beschaving maar ook de mens daarbinnen: “de mensen worden door afval weggeduwd”, “omdat ze geen ruimte meer hadden om te leven en te ademen, omgeven door hun eigen almaar groeiende berg afval”  (373).

Het is deze onderwereld van kernafval die op verborgen wijze onze beschaving stuurt en richting geeft: “Verontreinigd afval zetten we bij met een gevoel van ontzag en vrees. Het is noodzakelijk dat wij respect voelen voor wat we weggooien” (99). Het is een beschaving die elke andere beschaving uitsluit. Vanaf nu zijn namelijk onherroepelijke risico’s verbonden aan elke opgraving van afvalresten en elke inmenging van afval als grondstof voor de circulaire economie. Daarom wordt kernafval “het landschap van de toekomst” genoemd, “het enige landschap dat er op den duur nog zal zijn” (312).

Wat kunnen we leren van de onderwereld van kernafval? Enerzijds stelt dit begrip van afval een grens aan het ideaal van de circulaire economie. Nucleair afval kan niet worden opgenomen in de circulaire economie, wat betekent dat de toelaatbaarheid van nucleair materiaal in onze samenleving de toetssteen vormt of we de circulaire economie daadwerkelijk ernstig nemen of louter als metafoor bezigen. Anderzijds stelt dit begrip van afval een grens aan wastefulness als humane categorie. Het voorbeeld van kernafval laat zien dat afval weliswaar de onderwereld van onze beschaving is, en daarmee van onszelf, maar dat we er op geen enkele manier vertrouwd mee kunnen raken zonder het met de dood te moeten bekopen.

[1] Zie hiertoe J. Zwier, V. Blok, P. Lemmens, R.J. Geerts (2015). “The Ideal of a Zero-Waste Humanity: Philosophical Reflections on the demand for a Bio-Based Economy”. Journal of Agricultural & Environmental Ethics 28 (2): 353–374.