Tag Archives: control

Leven of Dood als strijd van een auteur met z’n hoofdpersoon (Michael Robotham, Leven of Dood)

Leven of Dood gaat over een man die leeft in het besef dat de dood hem elk moment kan komen halen. Het enige waar het in het leven op aankomt “is dat je de volgende voetstap op de goede plek zet” (24). Ik lees die zin zo dat de nadruk op “de goede plek” ligt. De uitspraak getuigt dan niet zozeer van een besef dat je alleen de eerstvolgende stap in het leven kunt voorzien en overzien. Die ervaring van control is de hoofdpersoon juist vreemd. Eerder getuigt het verhaal van de radicale contingentie van het menselijk bestaan; alles had ook anders kunnen zijn.

En toch kan de auteur van het verhaal met geen mogelijkheid vasthouden aan de ervaring van zijn hoofdpersoon. “Dat krijg je met verwachtingen, denkt hij. Er hoeft maar iets te gebeuren, je hoeft maar één verkeerde afweging te maken, en alles verandert” (76). Daarmee reduceert de auteur de ervaring dat ‘er maar iets hoeft te gebeuren, en alles verandert’, dat wil zeggen de ervaring van de radicale contingentie van ons verstaan van leven en dood, tot het idee dat als ‘je maar één verkeerde afweging maakt, alles verandert’. Verderop blijkt een vergelijkbare reductie. De auteur zegt daar dat er “aan het eind van de rit […] maar een paar keuzes [zijn] die er echt toe doen, omdat zij het leven een wending geven” (183). Nu gaat het opeens over keuzes, over de plek waar jij jouw volgende voetstap zet, en niet meer om de goede of slechte plek waar je stap terecht kan komen, die bepalend is voor leven of dood. Wat de auteur van zijn hoofdpersoon had kunnen leren is dat de contingentie van het menselijk bestaan niet zozeer subjectief-existentieel is als wel objectief-existentieel. Maar dat is ook lastig uit te leggen in een tijdperk waarin alles aankomt op control zonder dat de aarde enige zekerheid te vergeven heeft.

Biophobia and the Banality of Transparency (Peter Terrin’s Post Mortem)

At first glance, Peter Terrin’s Post Mortem is a book about an author who is writing an autobiographical book about his alter ego, while his four year old daughter is hit by a cerebral infarction. In fact, it describes the struggle of an author in the current age, in which the complete revelation of yourself – the transparency of our biography in literary works but also at social networks like facebook and wordpress – is celebrated as the greatest good. Steegman, the main character of the book, is a child of his time and completely transparent for himself; he recognizes and knows himself, writes an autobiographical book and even tries to have control over his future biographer. At the same time, he suffers from biophobia and wants to escape his biography. Why? Because of the banality of transparency in which there is no room anymore for any difference between what you are and what the world knows about you. Originally, it was precisely this difference that drove authors, poets and philosophers to write their books and sing their songs. In the age of transparency, Steegman’s idea is to move in the opposite direction; he becomes completely transparent in his book (“he has become his books”) and at the same time, he explores a diversionary tactic; the exploration of another possible meaning of his biographical events and based on this, the establishment of an ambiguity and secrecy in which Steegman can withdraw and escape the transparency of his biography.

Although I acknowledge that Steegman’s diversionary tactic is promising – especially the tactic to raise dust clouds in which you can hide yourself in the age of transparency – the focus on biophobia and the biographical is still subjectivistic in this novel. I would like to propose another possible meaning of Post Mortem, inspired by the temporary amnesia of Steegman’s daughter. After her cerebral infraction, she suffered from temporary amnesia as a self-protective reflex of the bodily system. Maybe, we have to conceive the banality of transparency as a temporary amnesia with regard to the difference between ourselves and what the world knows about us. This amnesia is nothing negative. On the one hand, it is precisely this amnesia that has to be conceived as self-protective, i.e. as a protection of the self in the age of transparency. On the other hand, it is precisely this amnesia with regard to myself, which provides the only access to the difference between myself and what the world knows about me in the age of transparency. In this respect, not biophobia but a non-subjectivistic desire for the “self” should be key in future literary efforts. Coetzee’s descriptions of the personal over the universal in ‘the Childhood of Jesus’ – see my previous blogs – could be seen as such an effort.