Tag Archives: crack

De aangeboren onervarenheid van de verdeelde mens (Dostojewski – De Idioot)

De Idioot van Dostojewski (1869) en De Cirkel van Dave Eggers (2013) markeren het begin en het einde van een tijdperk. In De Idioot karakteriseert Dostojewski de post-moderne mens door hem af te zetten tegen voorgaande generaties: “Toen waren de mensen als het ware allemaal bezeten van één idee, maar nu zijn ze nerveuzer, meer ontwikkeld, gevoeliger, als bezeten door twee of drie ideeën tegelijk… de mens van nu is veelzijdiger en heus, dat belet hem om zo’n mens uit één stuk te zijn als in die eeuwen” daarvoor (641). Prins Mysjkin, de hoofdpersoon en idioot uit het verhaal, is het voorbeeld van dit nieuwe type mens die door twee ideeën wordt bezeten. In het begin van het verhaal is de prins net teruggekeerd in Rusland na een lang verblijf in een Zwitsers Sanatorium, waar hij behandeld werd vanwege hevige aanvallen van epilepsie. Al gauw ontmoet hij twee vrouwen – Aglája Jepántsjina en Natásja Filíppovna – waar hij hevig maar lange tijd stilzwijgend verliefd op wordt.

Aan de ene kant vertegenwoordigen de twee vrouwen twee ideeën die de prins beheersen en zo zijn verdeelde identiteit uitmaken. Aan de andere kant vertegenwoordigen de vrouwen zelf twee uiterste verhoudingswijzen van de verdeelde mens. Ook Aglàja Jepàntsjina en Natásja Filíppovna worden namelijk bezeten door twee of meer ideeën. Aglàja’s houding is wispelturig te noemen; op het ene moment betuigt ze namelijk haar liefde voor de prins en op het andere moment drijft ze de spot met hem en wendt ze zich tot een ander. Daarmee getuigt Aglàja van een heel specifieke coping strategy om met haar verdeeldheid af te rekenen, namelijk het continu overspringen van de ene naar het andere idee dat haar identiteit uitmaakt. Natàsja Filìppovna daarentegen ontwikkelt een tegenovergestelde strategie: “er openbaarde zich in haar een soort barbaarse neiging om twee verschillende smaken door elkaar te klutsen” (171). Haar coping strategy bestaat juist in de versmelting van ideeën, zoals bijvoorbeeld deugd en ondeugd, god en duivel etc. De twee verhoudingswijzen geven het maximum en het minimum aan van het tijdperk dat door De Idioot wordt geopend.

En toch laat Prins Mysjkin een derde weg zien omdat het “een dekselse toer is om tegen die dubbele gedachten in te vechten” (384). In tegenstelling tot de twee vrouwen ervaart de prins dat de verdeelde identiteit van de mens tussen verschillende ideeën niet tot een eenheid kan worden teruggebracht. De ervaring van de prins is namelijk dat elk idee een vreemd beginsel blijft ten opzichte van de andere ideeën die zijn identiteit uitmaken, en daardoor nooit eigen kan worden gemaakt door de verdeelde mens. De prins ervaart vreemd te staan ten opzichte van dergelijke ideeën, weliswaar toegang daartoe zoekend maar tegelijkertijd in het besef altijd uitgesloten te blijven daarvan. De natuurlijke dingen hebben hier geen last van. Vogels, bloemen en zelfs grassprietjes kennen hun plaats in de gang van dag en nacht en zijn daar gelukkig mee, aldus de prins: “Alle dingen volgden hun weg en allen kenden hun weg, gingen met een lied heen en kwamen met een lied, alleen hij wist niets, begreep niets, de mensen, noch de klanken in de wereld, niets, alles was hem vreemd en hij was bij alles uitgeschakeld” (521-522). Enerzijds belet de vreemdheid van de ideeën de prins om wispelturig te zijn tussen ideeën of ideeën te versmelten zoals de twee vrouwen. Anderzijds kan hij die vreemdheid van de ideeën pas ervaren dankzij zijn verdeeldheid tussen twee of meerdere ideeën.

De ervaring van vreemdheid wordt niet opgedaan door over en weer te gaan tussen de ideeën. Dan zouden de ideeën hun vreemdheid alweer hebben verloren. De idiotie van de prins bestaat daarentegen in een “aangeboren onervarenheid” (709) met de ideeën die hem in staat stelt zijn verdeeldheid tussen immer vreemd blijvende ideeën te ervaren. De post-moderne mens wordt dus niet alleen gekenmerkt door zijn verdeelde identiteit tussen twee of meerdere vreemde ideeën, want die vreemdheid wordt alleen ervaren dankzij zijn aangeboren onervarenheid.

Dave Eggers roman De Cirkel markeert het einde van het tijdperk dat met Dostojewski’s karakterisering van de idioot geopend is. Enerzijds kan zijn karakterisering van de verdeelde identiteit van de mens helpen om de zin van de existentiële ervaring van het oneindige van mensen en dingen, die Eggers als een scheur of snee in ons binnenste beschrijft, te begrijpen (zie mijn blog van 13 september 2014). Anderzijds is het juist deze verdeelde identiteit van de post-moderne mens die wordt afgesloten en opgeheven door De Cirkel. Het ideaal van De Cirkel is namelijk dat we weer bezeten worden door èèn enkel idee, en wel het idee van ons ware zelf: “Om de tools van de Cirkel te mogen gebruiken … moest je jezelf zijn, je ware zelf, je TruYou. Het tijdperk van valse identiteiten, identiteitsdiefstal, meerdere gebruikersnamen, ingewikkelde wachtwoorden en betalingssystemen was voorbij” (25). In tegenstelling tot de verdeelde mens is de circulaire mens bezeten van het ideaal een mens uit één stuk te zijn – “ons beste ik” (266) – en in de ban van het idee om elke verdeeldheid op te heffen.

Wat Eggers niet kan bevroeden is dat De Cirkel dit ideaal realiseert en perfectioneert door heen en weer te slingeren tussen de coping strategies van Aglája Jepántsjina en Natásja Filíppovna. De vraag blijft staan of de criticasters van De Cirkel een beter lot beschoren zouden zijn als ze de derde weg van Prins Mysjkin zouden kiezen. De enige toetssteen voor die vraag is onze eigen aangeboren onervarenheid.

 

Advertisements

De circulariteit van de informatiemaatschappij (Dave Eggers – De Cirkel)

Dave Eggers’ recente roman De Cirkel is eigenlijk een gedachte-experiment, waarin het huidige internettijdperk van facebook, google en twitter tot het uiterste wordt doorgevoerd. De Cirkel is de naam van een internetbedrijf dat de functie van zoeken, sociale media, consumentenonderzoek en zelfs betalingsverkeer integreert in haar producten en diensten, en langzaamaan uitgroeit tot een wereldwijde monopolist. De missie van de Cirkel is om een einde te maken aan de anonimiteit van het internet – dat leidt alleen maar tot excessen zoals porno, oplichting en geweld – en een menselijke gemeenschap te stichten waarin wederzijds begrip, communicatie en het delen van kennis centraal staan: “Met de huidige technologie hoeft communicatie nooit een probleem te zijn. Wederzijds begrip moet altijd binnen bereik liggen en glashelder zijn. Dat is wat we hier doen. Je zou zelfs kunnen stellen dat het de missie van dit bedrijf is – het houdt mij in elk geval heel erg bezig. Communicatie. Begrip. Helderheid” (49). Het bedrijf ontwikkelt technologie en software die transparantie bevordert, zoals bijvoorbeeld minuscule camera’s met internetverbinding die overal op de wereld kunnen worden ingezet om misstanden waar te nemen. De grondgedachte van het bedrijf is dat transparantie misstanden voorkomt en tot ethisch handelen leidt; de militair op het Tahrirplein laat het in de toekomst wel uit zijn hoofd om op ongewapende burgers in te slaan in de wetenschap dat de hele wereld mee kan kijken en luisteren, zoals de pedofiel het wel uit zijn hoofd zal laten om zich voor te doen als minderjarige op het internet, in de wetenschap dat hij zijn identiteit niet langer kan verschuilen achter een sluier van anonimiteit. Dit ideaal van volledige transparantie wordt zelfs een “tweede verlichting” genoemd, die tot een “gouden tijdperk” zal leiden van een door en door redelijke als broederlijke gemeenschap van mensen, waarin credo’s gelden als: “geheimen zijn leugens”, “delen met anderen is zorgen voor anderen” en “privacy is diefstal”.

Nu neemt het boek al een voorschot op allerlei cultuurkritische bezwaren tegen volledige transparantie en de opgave van privacy, die we ook op de opiniepagina’s van onze kranten kunnen vinden. Het probleem van de cirkel is niet dat de eigen bedrijfsgeheimen van de Cirkel uitgesloten lijken te zijn van de oproep tot volledige transparantie. Evenmin is het bezwaar dat de informatie van de Cirkel in de verkeerde handen kan vallen of dat publieke informatie niet onder beheer van commerciële partijen zou mogen worden gesteld. Het probleem is ten slotte ook niet dat de mens alleen nog maar re-actief is in een wereld vol smiles en frowns, in plaats van nog actief iets te maken. De bezwaren tegen direct toezicht vallen in het niet tegenover de ethische voordelen van volledige transparantie die in het boek worden geschetst.

De kritiek op de informatiemaatschappij wordt vertolkt door Mercer, de ex van de hoofdpersoon, die tegen de heerschappij van de sociale media is gekant: “Mae, we moeten anders met elkaar omgaan. Elke keer dat ik je zie of iets van je hoor, zit er een filter tussen. Je stuurt me linkjes, je haalt iemand aan die iets over me schrijft, je zegt dat je een foto van mij op iemands tijdlijn hebt gezien… Het is altijd een aanval via een derde persoon. Zelfs als ik je persoonlijk spreek, vertel je me wat een of andere onbekende van me denkt. Het is net alsof we nooit meer alleen zijn. Iedere keer dat ik je zie, zijn er honderd andere mensen in de kamer. Jij bekijkt me steeds door de ogen van honderd andere mensen” (124). Maar hier vergist Mercer zich. Enerzijds is het zo dat de directe ik-jij relatie het risico loopt de wereld om zich heen – of het nu de derde persoon enkelvoud of de mensheid in z’n geheel betreft – te vergeten. De betrokkenheid van de derde persoon in de communicatie is de mogelijkheidsvoorwaarde voor ons ethisch handelen in het aanschijn van de derde persoon en is zo juist de mogelijkheidsvoorwaarde voor broederschap. Anderzijds is het zo dat de betrokkenheid van de derde persoon in de communicatie weliswaar het gevolg is van volledige transparantie, maar helemaal geen filter tussen de gespreksgenoten voegt. De volledige transparantie die de Cirkel voorstaat neemt in tegendeel juist elk filter weg, waardoor het gecommuniceerde en de communicatie in elkaar ingebouwd raken: “Op een granieten paneel bij de ingang van het Protagoras paviljoen stond een citaat van de naamgever van het gebouw: De mens is de maat van alle dingen. ‘Maar voor ons is het veel belangrijker’, zei Mae terwijl ze de deur opendeed, ‘dat de mens tegenwoordig alle dingen kan méten, met alle instrumenten die ons daarvoor ter beschikking staan” (303). In de volledige transparantie van de meetbaarheid van mensen en dingen door de mens als maat van alle dingen, raakt de verschijning van de wereld en ons verstaan van die wereld zodanig in elkaar ingebouwd, dat de cirkel zich voltooit. Van een filter tussen mij en andere mensen is dus helemaal geen sprake.

De eigenlijke kritiek van Mercer is echter dat de voltooiing van de cirkel de wereld overbelicht, terwijl de mens volgens hem een balans is tussen de heldere licht van het weten en de duisternis van het niet-weten: “Is het nooit in je opgekomen dat onze geest misschien wel heel zorgvuldig is afgestemd op de balans tussen wat we wel en wat we niet weten? Dat onze ziel zowel het mysterie van de nacht als de helderheid van de dag nodig heeft? Jullie bij de Cirkel scheppen een wereld waarin er altijd daglicht is en ik denk dat we daar levend door zullen verbranden. Er blijft geen tijd over voor reflectie, voor slaap, voor afkoeling” (391). We moeten hier even door de verschrikkelijke oppervlakkigheid van de taal van Eggers heenlezen. De zin van Mercer’s verzet tegen de voltooiing van de cirkel is niet dat hij de voordelen van de transparantie niet accepteert, maar dat hij zeker is van een surplus, het oneindige van mensen en dingen dat het licht van de transparantie omkranst en doorkruist. Ook Mae ervaart de oneindigheid van de dingen: “Aan de overkant van de zilverkleurige baai zag ze een paar vogels, blauwe of zilverreigers, laag naar het noorden glijden en zo zat ze een tijdje voor zich uit te dromen. Misschien huisden onder haar wel vossen, verscholen zich krabben onder de stenen op het strand, reden boven haar hoofd mensen in auto’s voorbij; ze dacht aan de mannen en vrouwen in de sleepboten en tankers, die de haven in- en uitvoeren, zuchtend – iedereen had alles al gezien. Ze kon er alleen maar naar raden, naar wat zoal leefde in het diepe water om haar heen, doelbewust voortbewegend of doelloos ronddrijvend, maar ze dacht nergens erg lang over na. Het was genoeg om zich van de miljoenen mogelijke permutaties om zich heen bewust te zijn en troost te putten uit de wetenschap dat ze nooit veel zou, en eigenlijk ook niet kon, weten” (247). Hier blijkt dat de oneindigheid van mensen en dingen helemaal niet beschermt hoeft te worden tegen de overbelichting van de transparantie zoals Mercer denkt (net als filosofen zoals Heidegger overigens), dat dit oneindige klaar aan de dag ligt en onopgemerkt blijft om soms, plotseling en zonder ons toedoen op te duiken.

Het is zelfs niet zo dat de existentiële ervaring van dit oneindige een breuk met de meetbaarheid van de informatiemaatschappij inluidt, zo laat het voorbeeld van Mae zien. Mae ervaart het oneindige van mensen en dingen als “die zwarte snee, die luide scheur die ze een paar keer per week in haar binnenste voelde” (181). “Toen ze ongeveer op de achtste site was, merkte ze dat de scheur in haar binnenste zich weer opende. … De scheur werd steeds groter en opende een peilloze duisternis die zich in hoog tempo onder haar uitspreidde” (301). Filosofen zoals Adorno hoopten altijd dat de existentiële ervaring van het oneindige – de ervaring van miljoenen mogelijke permutaties om je heen, de peilloze duisternis in je binnenste – je doet herinneren dat de meetbaarheid wordt omkranst en doorkruist door het oneindige dat niet onder control te krijgen is. Ze hoopten dat deze ervaring zou leiden tot de acceptatie van dit oneindige en daarmee tot een breuk met onze tendens om alles te meten ten gunste van de volledige transparantie van de informatiemaatschappij. Maar het voorbeeld van Mae laat juist zien dat de ervaring van het oneindige helemaal niet leidt tot een change of heart. Als ze namelijk inziet dat de scheur in haar binnenste niet-weten betreft, zegt ze: “Het niet-weten was de oorzaak van alle gekte, eenzaamheid, achterdocht en angst. Maar daar was iets aan te doen. Transparantie had haar voor de hele wereld kenbaar gemaakt, had een beter mens van haar gemaakt, haar naar ze hoopte dichter bij de perfectie gebracht. Nu zou de rest van de wereld volgen. Volledige transparantie zou voor volledige toegankelijkheid zorgen, en dan zou er geen niet-weten meer zijn. Mae glimlachte bij de gedachte dat het allemaal zo eenvoudig was, zo zuiver” (422).

Enerzijds maakt het voorbeeld van Mercer duidelijk dat het oneindige van de dingen er helemaal niet om vraagt om beschermd te worden tegen de overbelichting van de transparantie. Anderzijds maakt het voorbeeld van Mae duidelijk dat de ervaring van de oneindigheid van de dingen helemaal geen grens stelt aan de meetbaarheid van de informatiemaatschappij, laat staan een change of heart inluidt. Het boek maakt op beklemmende wijze duidelijk dat er geen enkele aanleiding te vinden is om de cirkel van de transparantie te doorbreken, alleen misschien voor de geboren overtreder [1].

[1] Zie mijn blog “De crack in everything (Leonard Cohen) en de geboren overtreder (Tommy Wieringa)” van 20 augustus 2014.

De crack in everything (Leonard Cohen) en de geboren overtreder (Tommy Wieringa)

Er schuilt iets ontegenzeggelijk positiefs in Leonard Cohen’s vers over de barst of scheur in alle dingen: There is a crack in everything/ that’s how the light gets in (Anthem). Eerst dacht ik dat de crack de scheur of kloof tussen mij en de wereld betrof, de afgrond waarin al mijn pogingen om de wereld te bereiken neer zouden storten en verzwolgen zouden worden.[1] Cohen is echter iets op het spoor dat we met Heidegger de on-verborgenheid van de dingen zouden kunnen noemen. Enerzijds is die kloof of scheur de openheid tussen mensen en dingen waarin het licht de wereld verlicht en zichtbaar voor ons maakt. Anderzijds roept Cohen’s lied deze openheid in herinnering, dat wil zeggen dat ze normaal gesproken vergeten en verborgen blijft in ons leven en handelen in dit perfecte licht. Cohen roept de crack in everything in herinnering: Ring the bells that still can ring/ forget your perfect offering/there is a crack in everything … Een belangrijk verschil met Heidegger is dat deze verborgen en licht toelatende openheid volgens Cohen van de dingen zelf is en niet van Zijn, en dat ze het eigenste van mensen en dingen uitmaakt. De vraag is: hoe verhoud ik mij tot die licht toelatende openheid, als ze niet alleen het eigenste van de dingen betreft maar evengoed van mijzelf?

In Dit zijn de namen van Tommy Wieringa is eveneens sprake van een crack in everything. Pontus Beg is politiecommissaris in een afgelegen grensstad in onherbergzaam gebied, ergens in het Oosten. Het is zijn voornaamste taak om rust en orde in de stad te bewaken. Volgens Pontus is “het leven van de mens tussen hemel en aarde als een lichtstraal die door een opening in de muur valt: een ogenblik en het is voorbij. … Stromend en barstend komt alles tevoorschijn; glijdend en vloeiend gaat alles weer naar binnen. Een verandering en hij leeft; nog een verandering en hij is dood”. (199). Volgens Pontus is het dus niet alleen zo dat een opening in de muur het licht toelaat, maar wordt het leven van de mens met die lichtstraal in verband gebracht. Hoe verhoudt het licht van het leven zich tot de crack in everything?

In eerste instantie denkt Pontus dat het licht van het leven met orde in verband moet worden gebracht, een orde die moet worden gehandhaafd tegenover de oprukkende chaos: “’Houd duim en wijsvinger zo dat er nauwelijks meer licht tussendoor valt, dan weet je hoe dichtbij de chaos is’, had hij tegen zijn mensen gezegd. Zij waren er juist om dat beetje licht, dat minuscule kiertje, te bewaken – zo goed en zo kwaad als dat ging” (209). De taak van het politieapparaat is om het licht van orde en rust te garanderen en het recht van de mens op een “ongestoord leven in het midden” te verdedigen (156). In deze eerste lezing laat de crack in everything het licht niet alleen toe maar dreigt het dit licht ook continu op te slokken. De ondergang van dit ordelijke licht wordt verhoed door wetgeving en door wetshandhavers zoals Pontus Beg.

Langzaamaan komt hij echter tot het inzicht dat het ordelijke licht helemaal niet wordt bedreigd door een barst of scheur, maar pas opkomt als een ander licht is gedoofd, namelijk het licht van het verlangen dat de orde bedreigt. In Dit zijn de namen vinden we twee voorbeelden van manieren waarop het licht van de orde wordt bedreigd; enerzijds door Pontus’ verlangen naar een vernieuwing van zijn ziel als hij zich zijn verborgen Joodse identiteit herinnert, en anderzijds door een groep vluchtelingen die over de steppe trekt om het beloofde land – de stad waarin Pontus Beg orde en rust moet zien te handhaven – te bereiken: “Als blinden tastten de reizigers met duizenden tegelijk de muren af, op zoek naar zwakke plekken, een bres, een gaatje waar ze doorheen konden glippen. Een golf van mensen spoelden tegen die muren aan, het was onmogelijk om ze allemaal tegen te houden.  Ze kwamen met ontelbaren en ieder van hen leefde in de hoop en verwachting dat hij bij de gelukkigen hoorde die de overkant zouden bereiken” (104). De crack in everything is hier het gat in elke omgrenzing van de orde, die het licht van het verlangen doet ontbranden en gaande houdt. Het ordelijke licht wordt dus niet primair bedreigd door een barst of scheur die zich continu weer dreigt te sluiten, maar door het licht van het verlangen dat wordt aangewakkerd door de crack in everything.

Dit zijn de namen maakt duidelijk dat het licht van het verlangen bestaat in de overtreding van de wetten en regels die de heersende orde uitmaken: “Wie identiteitspapieren had, bezat die nu niet meer. Nacer Gül had gezegd dat ze ze moesten verscheuren. Het was beter om zonder identiteit te arriveren in het land van aankomst. Een mens zonder naam en afkomst verwart het protocol. Procedures lopen vast, de kans dat je kunt blijven neemt toe. Dus vernietigden ze de papieren die ze met zoveel moeite hadden verkregen. Alles was onvast nu… Nu zijn ze  niemand meer” (103). De verlangende is de “geboren overtreder”  (232) van wet- en regelgeving en dankzij die overtreding ervaart hij voor een moment het grenzeloze niemandsland waarin grenzen worden getrokken en ondermijnd, de crack in everything die normaal gesproken vergeten blijft in het licht van de orde.

De crack in everything betreft echter niet alleen een geografische grens of omheining in het niemandsland, maar huist evengoed in het hart van de verlangende, in (n)iemand; Pontus Beg spreekt over een leegte in de mens, een scheuring in onze eigen naam of identiteit die het licht van het verlangen doet ontvlammen. Dit licht van het verlangen mondt echter niet meer uit in een nieuwe  identiteit, in een nieuwe orde. Enerzijds blijkt elke nieuwe begrenzing illusoir in het licht van het grenzeloze niemandsland, de crack in everything: “Toen ze de rand van de stad bereikten en begrepen waar ze waren, begon de stroper te huilen. Hij kon niet ophouden. De vrouw kon zijn verdriet niet aanzien, ook over haar wangen biggelden dikke tranen. Het leek een besmettelijke ziekte, ze staken elkaar aan, ze huilden nu allemaal, hun tranen bleven stromen. Alles was voor niets geweest. Alles. Ze waren de woestenij overgestoken naar een nieuw land, om daar te ontdekken dat er geen nieuw land was, alleen de nachtmerrie van een eeuwige wederkeer” (236). Anderzijds blijft dit niemandsland in alle dingen vergeten in onze ijver voor een nieuwe begrenzing van de orde. De verlangende is daarentegen een geboren overtreder, dat wil zeggen dat hij niet langer begaan is met het trekken van nieuwe grenzen rond zijn identiteit, maar met de “grenzeloze verbeelding van de overtreding” (232).

Daarmee krijgen we antwoord op de vraag hoe ik mij moet verhouden tot de crack in everything die mijn eigenste uitmaakt. De openheid is het gat in de omgrenzing van mijn identiteit, die mijn verlangen om het eigenste van mijzelf en de dingen te bereiken doet ontvlammen. Dit verlangen wordt niet verzwolgen in de confrontatie met deze openheid, maar de grenzeloze verbeelding van de overtreding van de omgrenzing van mijn identiteit geeft op indirecte wijze pas toegang tot dit eigenste. En laat er geen misverstand over bestaan dat deze grenzeloze verbeelding op een of andere manier mens- of vredelievend zou zijn. Het voorbeeld van de grenzeloze verbeelding in Dit zijn de namen is de nabootsing van een grens door mensenhandelaren, die het mogelijk maakt geld te innen zonder daarbij enig risico te lopen. Voor een meer filosofische variant kunnen we denken aan het boek Dit zijn de namen zelf, namelijk als supplementaire kopie[2] van het tweede bijbelboek Exodus, waarvan de eerste regel luidt: Dit zijn de namen van de zonen van Israel…

[1] Zie mijn blog “John Coetzee’s ‘The Childhood of Jesus’ or How to Escape the World” van 1 Augustus 2013

[2] Zie mijn blok ”De dubbelganger van Stefan Hertmans” van 25 mei 2014

De onthechting van de wereld en de terugkeer van de aarde (David Vann’s Aarde)

Het heeft er alle schijn van dat de bedreiging door het apparaat heden ten dage reële trekken begint aan te nemen. In die zin is elke motie van wantrouwen tegen pogingen om ons te kerstenen gelegitimeerd. De vraag is waar we de ammunitie voor zo’n motie vandaan halen. David Vann’s roman Aarde (2012) kan ons een aanwijzing geven.

Aarde gaat over Galen, een jongeman die samen met zijn naaste familie een geïsoleerd bestaan leidt in het zuiden van Amerika. Hij ervaart de wereld als een illusie van het denken en mediteert voortdurend om transcendentie te bereiken. Daarin neemt hij afscheid van zijn eigen lichamelijkheid en zijn familie, maar ook van geestelijke ‘hechtingssystemen’ zoals de filosofie en de theologie. Toch stranden al zijn pogingen te onthechten van de wereld: “Maar zijn ademhaling was onregelmatig, hield hem vast aan de wereld, kluisterde hem hier terwijl hij vrij wilde opstijgen. Hoge ondergroei schuurde, geselde hem, een stronk tussen zijn tenen en hij ging bijna onderuit. Hij moest zijn ogen opendoen en opzij uitwijken om het slechtste stuk te vermijden. En dat was het probleem. Altijd een storing. Altijd als hij ergens dichtbij kwam” (23). Galen’s ervaring is dat zijn meditaties wel leiden tot een onthechting van de wereld maar niet uitmonden in transcendentie; de aarde weerhoudt hem om “over de randen van de droom” te glijden. “De aarde voelde echt als aarde” (24). Vann’s boek beschrijft Galen’s verscheurdheid tussen zijn streven naar onthechting van de wereld en zijn ervaring van de weerbarstigheid van de aarde op gruwelijke wijze.

Aarde leert dat onze onthechting van het apparaat niet wordt gerealiseerd door onze transcendentie – als ze al te realiseren valt – noch door onze rescendentie. Onze verbondenheid met de aarde getuigt weliswaar van een goede gezondheid te midden van de verstikkingspogingen van het apparaat, maar de aarde zelf verhoedt diens perfectionering en behoudt de scheiding tussen de wereld van het apparaat en de aarde. Het is deze weerbarstigheid van de aarde zelf, die de ammunitie vormt voor onze moties van wantrouwen en rondzingt in onze pogingen ons vrij te maken van het apparaat.