Tag Archives: david vann

Over onpeilbare dieptes die onze levensweg omgeven (David Vann, Klare lucht zwart).

In Klare lucht zwart hervertelt David Vann de klassieke tragedie over Medea die haar man Jason helpt te vluchten met het gouden vlies en, als hij haar verraadt, de kelen van hun kinderen doorsnijdt. Hoewel dit verhaal al menigmaal is herverteld in film en theater, vindt in deze versie een belangrijke verschuiving plaats. In deze versie staat niet de onpeilbaarheid van de vrouw Medea centraal zoals in vele van haar voorgangers (van toverkol tot feministe avant la lettre), maar de onpeilbaarheid van de zee waarover zij met de Argonouten uit haar vaderland vlucht en op weg gaat naar Korinthe, dat wil zeggen de onpeilbaarheid van de aarde die ons reilen en zeilen omgeeft zonder dat we daar normaal gesproken erg in hebben omdat we opgaan in de wereld van onze verlangens en gedachten.

Deze verschuiving komt naar voren in het begin van het boek: “Welke mythe houdt stand wanneer je in je broers resten knielt? Wanneer je zelf zijn keel hebt doorgesneden? Welk verhaal kan ons leiden als we alles kunnen verraden? U, duistere, zegt Medea tegen het water. Laat alles wat samenbindt vallen. Laat alles wat gekend is verward raken. Laat alles wat wij zijn sterven. Laat mij de meest gehate onder de vrouwen zijn, en de meest waarachtige” (22). In deze hervertelling staat niet de mythe van Medea zelf centraal staat, waarin ze haar broer vermoordt en in stukken in de zee gooit om zich haar vader van het lijf te houden. Hoewel het verhaal nog jaarlijks wordt opgelepeld in de grootsteedse theaters en bezocht wordt door bendes belezen bejaarden en opgroeiende Gymnasiasten, houdt die mythe geen stand en heeft het verhaal ons niets meer te zeggen vandaag de dag. In Vann’s versie wordt de eens gehate vrouw daarom nu de waarachtige vrouw die vertelt over de onpeilbaarheid van de zee waarover zij varen en waarop we normaal gesproken geen acht slaan omdat we opgaan in onze wereld vol ankerpunten. Ze laat ons zien dat die omgevende aarde niet het stabiele decorstuk is dat de achtergrond vormt voor onze strevingen, maar een element dat onze levensweg draagt en bedreigt. Medea ervaart dit bijvoorbeeld als ze even gaat zwemmen op open zee, en ervaart “dat er altijd iets onder ons woelt, ongeziene beweging, wachtend, iets groots, dat niet gekend of beheerst kan worden” (111). Het is die ervaring van de onpeilbaarheid van de ons omgevende aarde, die de wereld als datgene wat alles samenbindt en ordent uiteen laat vallen en alles wat gekend is in verwarring brengt.

Medea is dan ook niet zozeer de priesteres van duisternis omdat haar drijfveren en gedrag zelf duister zouden zijn, want zij voelt zelf de angst voor die duisternis: “Als de wind draait, zal die nog steeds van opzij waaien en zeilen ze mogelijk recht op het land af, zonder te weten dat ze gedraaid zijn. In werkelijkheid hebben we geen idee van hun koers. Elk van hen verwacht opduikende rotsen, de romp gescheurd, binnenstromend water en ze kunnen alleen maar hopen op een kust, niet een kleine rots midden in zee. Angst leeft nabij. In de romp en de mast die kan breken, in de roeren, in de lucht die ergens land bevat, maar bovenal in het water. Rotsen en elk onbekend schepsel. Wat daar beneden leeft kan onbeperkt groeien. Alle landdieren bekend, maar uit de diepten komt altijd iets nieuws omhoog” (63). Medea is geen vrijheid zoekende vrouw die het opneemt tegen haar vader en haar man verantwoordelijk houdt voor zijn verraadt, maar maakt ons attent op de onpeilbaarheid van de aarde die elke koers die wij inzetten of verzetten bedreigt en uit het lood kan slaan. En dit verhaal houdt wel stand tot op de dag van vandaag en gaat ons aan het hart als vraag naar de zin van de aarde.

 

Op het kruispunt van verleden en toekomst (David Vann, Aquarium)

David Vann’s boek Aquarium gaat over een jong meisje dat samen met haar moeder een sober leven leidt van noeste arbeid. Het verschil tussen het meisje en haar moeder is dat de eerste georiënteerd is op de toekomst en leeft in mogelijkheden, terwijl haar moeder zonder toekomst leeft. “Als je iets hebt om naar uit te kijken verandert alles. Ik heb altijd een toekomst nodig gehad. Ik kan niet zonder”, zegt het meisje (62). Die toekomst waarover het meisje spreekt heeft niet zozeer betrekking op veranderingen in de wereld, maar op het mogelijkheidskarakter van haar eigen bestaan. Dit blijkt uit een tweegesprek met haar opa: “’Wij denken dat de wereld af is, dat hij zo hoort te zijn, maar eigenlijk is hij zich nog steeds aan het vormen. Over een miljoen jaar heeft zo’n makreel een soort ballon als maag, die bij de kop past’. ‘Dat bedoel ik niet’, zei ik. ‘Wat dan wel?’ ‘Dat we nog niet in elkaar gezet zijn. Dat er stukken ontbreken’” (124). De toekomst is niet ‘iets’ dat in de tijd gebeurt om vervolgens te verglijden in het verleden. De toekomst is altijd onderweg omdat mensen nooit ophouden onderweg te zijn in hun menswording. In de grond van de zaak is de mens een historisch of beter, ‘geschiedelijk’ wezen. De consequentie is dat je de toekomst niet nodig hebt, zoals het meisje denkt, maar dat je toekomstig bent.

De moeder van het meisje leeft in een heel ander besef en verwijt haar dochter een zekere eenzijdigheid: “Je denkt dat de wereld tegelijk met jou ontstaan is. Maar dat is  niet zo. Die is tegelijk met mij ontstaan” (134). De wereld ontstaat niet pas met je geboorte maar de geschiedenis, gematerialiseerd in je moeder of je opa, draagt en stuurt je menswording altijd al. Je zou de moeder eveneens een zekere eenzijdigheid kunnen verwijten. Enerzijds heeft ze alleen aandacht voor de historische bepaaldheid van het menselijk bestaan, en anderzijds neemt ze zichzelf als maatstaf bij die bepaling. Door het gedrag van haar eigen moeder te kopiëren hoopt de moeder haar dochter een besef bij te brengen van die historische bepaaldheid van het menselijk bestaan: “Ze is een kind. Alle kinderen zijn egoïstisch… Wij bestaan niet echt. Wij hebben geen gevoelens of gedachten die niet met haar te maken hebben. Ze kan niet geloven dat wij al vóór haar bestonden. Dus laat ik haar die tijd doormaken. Dan wordt het een deel van haar eigen herinneringen, en dan gaat ze het geloven” (170). Deze strategie is natuurlijk inadequaat en ongepast omdat ze een algemeen gedeeld verstaan van de geschiedenis veronderstelt. Haar dochter heeft hier weet van wanneer ze haar uiterste best doet om te delen in de geschiedenis van haar moeder, en tegelijkertijd beseft dat “het ene leven nooit weet kan hebben van het andere” (205).

Er zit iets in het verwijt van eenzijdigheid van zowel moeder als kind, want in werkelijkheid is niet alleen de toekomst maar ook het verleden altijd onderweg omdat mensen nooit ophouden onderweg te zijn in hun menswording. Dit maakt het mogelijk om recht te doen aan de ervaring van de moeder dat het verleden niet kan worden uitgewist en dat niets ongedaan kan worden (in dat opzicht is Derrida’s gedachte dat met de dood een wereld sterft twijfelachtig), en de ervaring van het kind de toekomst nodig te hebben, toekomstig te zijn. Op het kruispunt van die twee gedachtelijnen kan pas sprake zijn van ware vergiffenis

De wildernis van de homo faber (David Vann’s Caribou Island)

David Vann’s Caribou Island geeft ons gelegenheid om genuanceerder over de mens als homo faber na te denken. Het verhaal speelt op een afgelegen eiland in een van de meren van Alaska, waar een echtpaar op leeftijd onder erbarmelijke omstandigheden aan een blokhut bouwt terwijl hun huwelijk op de klippen loopt. Garry, de hoofdpersoon uit het verhaal, leeft in de overtuiging dat de mens in wezen niet als homo sapiens kan worden begrepen, maar als homo faber moet worden gedacht. Het begrip van de mens als homo faber heeft normaal gesproken een negatieve connotatie, namelijk van de getechnificeerde mens in de maakbare samenleving. Het vreemde is dat ook Garry kritisch staat tegenover de maakbare samenleving en droomt van een leven in de wildernis, maar het wezen van de mens toch als homo faber denkt. Negatief gezegd betekent dit dat hij de homo faber niet in verband kan brengen met het rekenen en plannen, kortom met de perfectie van de techniek. Dit blijkt ook uit de tekst: “Ze zouden hun hut vanaf de grond opbouwen. Zelfs geen fundering. En geen tekeningen, geen ervaring, geen vergunningen, advies ongewenst. Gary wilde het gewoon doen, alsof zij twee de eersten waren die deze wildernis in getrokken waren” (8).

Niet de perfectie van de techniek maar de wildernis van de aarde vormt het uitgangspunt voor Garry’s begrip van de homo faber. Die wildernis wordt begrepen als het overweldigende dat de mens en zijn werken dreigt te vernietigen. De homo faber verlangt in zekere zin zelfs naar die vernietiging: “Een verlangen om te zien wat de wereld kan aanrichten, wat je kunt verdragen, uiteindelijk om te zien wat je waard bent als je verscheurd wordt. De zegen van de vernietiging, van het weggevaagd worden. Maar altijd kent hij verlangen, hij die in zee steekt, en dat is het verlangen om tegenover het ergste te taan, een subtiele hoop op een grotere golf” (212). Dit verlangen van de homo faber is niet zozeer suïcidaal, maar verlangt naar de confrontatie van zijn werken met het overweldigende van de wildernis om te beproeven welke vormen vuurvast blijken te zijn. In die beproeving gaat het uiteindelijk niet om de houdbaarheid van de werken zelf – de krakkemikkige blokhut op het eiland als prothese die wordt geteisterd door weer en wind – maar van de identiteit van de mens die daarin wordt geproduceerd; “De hut zelf als uitdrukking van de mens, een vorm van zijn eigen geest” (68). De homo faber is de mens die weet dat zijn identiteit zich constitueert in de confrontatie van zijn werken met de wildernis van de aarde.

Nu wijzen filosofen zoals Heidegger dit allemaal af omdat het begrip van de mens als homo faber gebonden zou zijn aan de voorstelling van de maakbare samenleving door de mens die haar op eigenzinnige wijze beleeft. En toch is dit te gemakkelijk. Niet alleen omdat ook Heidegger ooit de gedachte aan de homo faber heeft omarmt[1]. Het verschil tussen Heidegger en Garry is dat de eerste denkt dat het werk van de homo faber gereduceerd kan worden tot een specifieke manier waarop ons verstaan van de dingen wordt gestructureerd – Machenschaft und Erlebnis – terwijl de laatste denkt dat het werk echt is; het werk van de homo faber is de pro-ductie waarin de identiteit van de mens uitkristalliseert om uiteindelijk weer verzwolgen te worden door het overweldigende van de wildernis. De homo faber is daarmee niet zozeer een arbeider die de perfectie van de techniek omarmt noch de hulpbehoevende die zich afhankelijk weet van pro-theses,  maar de mens die ervaart dat zijn identiteit zich alleen uitkristalliseert in de productie van werken die hem enerzijds zijn bestemming geven, en die anderzijds moeten worden beproefd in hun confrontatie met de wildernis van de aarde (zie ook mijn blog over David Vann’s Aarde).

[1] Zie hiervoor: Blok, V. (2015) “Heidegger’s Ontology of Work”, Heidegger Studies 31: 109-128

De onthechting van de wereld en de terugkeer van de aarde (David Vann’s Aarde)

Het heeft er alle schijn van dat de bedreiging door het apparaat heden ten dage reële trekken begint aan te nemen. In die zin is elke motie van wantrouwen tegen pogingen om ons te kerstenen gelegitimeerd. De vraag is waar we de ammunitie voor zo’n motie vandaan halen. David Vann’s roman Aarde (2012) kan ons een aanwijzing geven.

Aarde gaat over Galen, een jongeman die samen met zijn naaste familie een geïsoleerd bestaan leidt in het zuiden van Amerika. Hij ervaart de wereld als een illusie van het denken en mediteert voortdurend om transcendentie te bereiken. Daarin neemt hij afscheid van zijn eigen lichamelijkheid en zijn familie, maar ook van geestelijke ‘hechtingssystemen’ zoals de filosofie en de theologie. Toch stranden al zijn pogingen te onthechten van de wereld: “Maar zijn ademhaling was onregelmatig, hield hem vast aan de wereld, kluisterde hem hier terwijl hij vrij wilde opstijgen. Hoge ondergroei schuurde, geselde hem, een stronk tussen zijn tenen en hij ging bijna onderuit. Hij moest zijn ogen opendoen en opzij uitwijken om het slechtste stuk te vermijden. En dat was het probleem. Altijd een storing. Altijd als hij ergens dichtbij kwam” (23). Galen’s ervaring is dat zijn meditaties wel leiden tot een onthechting van de wereld maar niet uitmonden in transcendentie; de aarde weerhoudt hem om “over de randen van de droom” te glijden. “De aarde voelde echt als aarde” (24). Vann’s boek beschrijft Galen’s verscheurdheid tussen zijn streven naar onthechting van de wereld en zijn ervaring van de weerbarstigheid van de aarde op gruwelijke wijze.

Aarde leert dat onze onthechting van het apparaat niet wordt gerealiseerd door onze transcendentie – als ze al te realiseren valt – noch door onze rescendentie. Onze verbondenheid met de aarde getuigt weliswaar van een goede gezondheid te midden van de verstikkingspogingen van het apparaat, maar de aarde zelf verhoedt diens perfectionering en behoudt de scheiding tussen de wereld van het apparaat en de aarde. Het is deze weerbarstigheid van de aarde zelf, die de ammunitie vormt voor onze moties van wantrouwen en rondzingt in onze pogingen ons vrij te maken van het apparaat.