Tag Archives: de weg

Wat de goedhartige ongeïnteresseerdheid in de wereld brengen kan, of de onverschilligheid als tegengif tegen de onverschilligheid in de wereld (Vasili Grossman, Een klein leven).

Toen ik de film Shoah zo’n 20 jaren terug zag was ik diep onder de indruk. Een van de gruwelijk indrukwekkende beelden die beschreven werden was dat de aarde bewoog door de gistende lijken in de omgeving van de concentratiekampen. Een vergelijkbare scène komt aan de orde in een verhaal uit Een klein leven van Vasili Grossman (De oorlog en de jodenvervolging), maar dan in de context van dingen: “Hopen keukengerei kruipen uit de barsten in de aarde: koekenpannen, aluminium mokken, kopjes, kookpannen, potjes, bussen, sauskommen, plastic kinderkommetjes. Alsof alles wat de Duitsers hebben begraven door een onzichtbare hand naar buiten wordt geduwd, puilen elders uit de bodemloze, bolstaande aarde halfvergane Sovjetpaspoorten, notitieboekjes in het Bulgaars, foto’s van kinderen uit Warschau en Wenen, brieven in kriebelig kinderhandschrift, een gedichtenbundel, een geel briefje waarop een gebed is geschreven, Duitse voedselbonnen… Er liggen honderden flacons en piepkleine gesloten parfumflesjes, groene, roze, blauwe… En over dat alles hangt een afschuwelijke geur van ontbinding, die noch het vuur, noch de zon, noch de regen, noch de sneeuw, noch de wind heeft kunnen verjagen. Honderden kleine bosvliegen kruipen over de halfvergane voorwerpen, papieren en foto’s” (161). Jaren terug al had ik besloten niet meer te lezen over de gruwelijke gebeurtenissen tijdens de tweede Wereldoorlog en nu, terwijl ik relatief toevallig op dit prachtige boekje stuitte, werd ik weer gegrepen door dit onmenselijke lijden. Hoe moet je je verhouden tot een dergelijke onverschilligheid waartoe de mens in staat is?

Normaal gesproken is de morele superioriteit niet van de lucht bij de beantwoording van deze vraag. “Hardheid en onverschilligheid waren de grote vijanden van het leven” (107). En toch lijken al die antwoorden te gemakkelijk in hun al te eenvoudige afwijzing van de mogelijkheid dat een peilloze onverschilligheid in ons eigen hart huist. Zou onze eigen onverschilligheid jegens de onverschilligheid waartoe de menselijke zucht tot oorlog en vernietiging in staat is niet ook als tegengif tegen de onverschilligheid kunnen dienen, zoals een ander verhaal uit de bundel lijkt te suggereren? De weg wordt op prachtige wijze verteld vanuit het perspectief van de muilezel Giù, die vanuit noord-Italië met het leger meereist en na allerlei omzwervingen door een Russisch offensief tot staan wordt gebracht: “Langzaam, onontkoombaar werd het muildier verpletterd door de oorlog en de winter, en Giù beantwoordde de immense, onverschillige aanval die hem dreigde te vernietigen met zijn eigen peilloze onverschilligheid” (226). De weg suggereert dat onverschilligheid het antwoord is op de onverschilligheid waartoe de menselijk zucht tot oorlog en vernietiging in staat is.

De onverschilligheid van Giú geldt niet alleen de wereld om hem heen, maar ook hemzelf: “Hij was het evenbeeld geworden van het oude muildier dat naast hem liep: hun onverschilligheid tegenover elkaar was even groot als hun onverschilligheid tegenover zichzelf. Die onverschilligheid tegenover zichzelf was zijn laatste opwelling van opstandigheid. Zijn of niet zijn – het liet Giù volkomen koud. Het muildier had zogezegd Hamlets dilemma opgelost” (227). Het oogmerk van Giù’s onverschilligheid bestaat echter niet in een indifferentie ten aanzien van zijn eigen leven en dood, maar in de reductie van elk onderscheid tussen hemzelf en de wereld om hem heen: “De vlakte had zijn hele voorgaande leven opgeslokt: de hitte, de steilheid van de rode wegen, de geur van merries en het geluid van beekjes. Giù was haast niet meer te onderscheiden van de roerloosheid om hem heen; hij was ermee vervloeid, deel geworden van de nevelige vlakte” (228). In zijn onverschilligheid ziet hij af van zichzelf en van de wereld om zich heen om daarmee samen te vloeien en daarin op te gaan. Juist in de zo begrepen onverschilligheid ligt volgens Giù een laatste opwelling van opstandigheid. De radicale reductie van zelf en wereld leidt niet alleen tot zijn onverschilligheid jegens zijn eigen leven of dood, maar bergt tegelijkertijd de mogelijkheid in zich om de ander in die vereenzelviging te ervaren.

Giù ervaart dit als hij door een Russische overwinnaar wordt ingespannen voor een kar samen met een klein Russisch paard: “Giù stond daar met hangende kop, net zo onverschillig als tevoren wat zijn eigen voortbestaan betrof, goedhartig ongeïnteresseerd in de wereld, in die eindeloze vlakte die hem onbewogen vernietigde. … Maar terwijl hij zijn ritme hervond in die wereld van onverschilligheid, merkte hij iets vreemds: het paard dat naast hem draafde, stond niet onverschillig tegenover hem. Ze zwiepte haar staart zijn kant uit, een zijdezachte, gladde staart die helemaal niet leek op de zweep of op de staart van zijn vroegere maat – teder gleed hij over zijn vacht. … In de blinde muur van algehele onverschilligheid ontstond een kleine, kronkelige barst” (230-231). In de vereenzelviging van zelf en wereld ervaart Giù met andere woorden de ander op een heel andere wijze: “Zo draafden ze lange, lange tijd verder, tot de tros halt hield. Ze draafden naast elkaar, met opengesperde neusgaten, en de geuren van het muildier en het paard die dezelfde kar trokken vermengden zich tot één geur” (231). In de onverschillige versmelting met de wereld om hem heen ervaart hij de “vriendelijke warmte” van de aanraking door het paard dat naast hem is ingespannen (231), die hem laat ervaren dat de onverschilligheid “hem blijkbaar toch niet helemaal had gesloopt” (232). Zijn ‘laatste opstandigheid’ bestaat erin dat hij in de vereenzelviging met het droevige paard naast hem voor hem in begint te staan: “Zonder zelf te weten waarom begon hij harder aan de strengen te trekken; de botten van zijn borstkas voelden de last en de druk, terwijl het haam van het paard losser werd en haar last lichter leek” (231). Dit is niet alleen een voorbeeld van ethisch handelen van dieren, dat we normaal gesproken niet geneigd zijn te erkennen. De weg leert dat onze eigen opstand tegen de onverschilligheid in de wereld zelf bestaat in een welbegrepen onverschilligheid die pas kan leiden tot verantwoordelijkheid voor de ander, pas de mogelijkheid tot ethisch handelen in zich draagt.