Tag Archives: de zwerm

De hoop op buitenaards bestaan (De zwerm, Frank Schätzing)

Via het boek Inhuman Nature van Nigel Clark kwam ik op De Zwerm, een thriller waarin de natuur zich teweerstelt tegen onze menselijke overheersing en het voortbestaan van de mensheid op aarde bedreigt. Het boek verwoordt het grondidee dat de natuur zich letterlijke onttrekt aan onze menselijke neiging haar in te delen en te categoriseren: “Anders dan de ruimte is de oceaan onderworpen aan de wetten van de zwaartekracht, maar wie op een diepte van duizend meter in volstrekte duisternis onderweg is, moet een digitaal afleesinstrument vertrouwen, dat hem zegt of hij zich omhoog of omlaag beweegt. Noch het binnenoor, noch de blik naar buiten stelt ons in staat dat te bepalen” (892). Het punt is niet zozeer dat we op techniek zijn aangewezen. Dat waren we altijd al, aangezien de evolutie van menselijke generaties alleen kennis en ervaring vast kan houden dankzij technieken zoals het schrift en het beeld.

Het boek laat allereerst zien dat de aarde verder reikt dan onze humane categorieën. Wij hebben de neiging de aarde in te delen en daarmee onder te brengen in homogene en algemene categorieën, waardoor we blind worden voor de variabiliteit en heterogeniteit van de aarde: “De ziende mens is blind, Karen. Richt je blik op het duister. De oergrond van alle leven is duister” (983). Het boek laat ten tweede zien dat we door die nadruk op zulke homogene categorieën geen goed oog hebben voor afwijkingen: “Verblind als we zijn door al die normen vergeten we dat normaliteit in het abnormale schuilt, in de afwijking. De geschiedenis van de statistiek is een aaneenschakeling van misverstanden. De statistiek heeft ons geholpen een overzicht te krijgen, maar ontkent de variatie. Hij heeft ons van de wereld vervreemd” (893). Door de toepassing van onze categorieën op datgene wat zich aan een dergelijke categorisering onttrekt, humaniseren we dit afwijkende en zien we niet de incommensurabiliteit tussen de aarde en onze menselijke categorieën. En dit is het derde inzicht dat het boek geeft, namelijk de indifferentie van de aarde ten opzichte van onze bewoning ervan: “’Alsof het de wereld iets kan schelen of ze met of zonder ons door de ruimte tolt. Het enige wat we kunnen redden of vernietigen is ónze wereld’. …. ‘het maakt de atmosfeer geen bliksem uit of wij hem al dan niet kunnen inademen. Als de mens ophoudt te bestaan, vervalt ook zijn hele onzalige waardestelsel, en dan is een blubberende zwavelpoel net zo mooi of lelijk als Tofino in de zon’” (912). Tot zover de literaire bevestiging van een ervaring die in de filosofie allang wordt onderkend. Je kunt je afvragen of we hier nog literatuur voor nodig hebben.

Mij trof echter een ander en hoopvoller beeld dat al aan het begin van het boek wordt geschetst. Zoals de oceaan door een oneindige diepte gekenmerkt wordt die het onmogelijk maakt ons daarin te oriënteren, zo is ook het heelal oneindig diep. Die oneindigheid van het heelal geeft alle aanleiding tot de aanname dat andere buitenaardse samenlevingen bestaan, hoewel dit vanwege diezelfde oneindigheid onmogelijk te bewijzen is omdat bewijsvoeringen georiënteerd zijn op eindige grootheden, bijvoorbeeld deze of gene planeet of planetenstelsel. En ook al zou ons zoeklicht volstrekt toevallig vallen op zo’n andere samenleving, dan zou onze tendens tot humanisering ons belemmeren om het afwijkende van die andere samenleving te zien en onderkennen. Pas als we “onszelf terugbrengen tot wat we de facto zijn: een van de talloze mogelijke levensvormen, zonder exclusieve aanspraak op een sluitend denksysteem” (632), hebben we mogelijk toegang tot die andere buitenaardse samenlevingen. En hier zie ik wel de zin van de literaire ervaring, want Schätzings beschrijving van de diepte van de aarde houdt de hoop en verwachting van dit andere ten minste levend in een tijd die wordt gedomineerd door de statistiek.

 

 

Advertisements