Tag Archives: deugdzaamheid

De deugdzaamheid van het verdeelde zelf (John Williams, Augustus)

Augustus volgt het levenspad van de stichter van het Romeinse rijk. Het boek geeft antwoord op de vraag wat die stichting motiveert en waarin die precies bestaat. Al jong ervaart Augustus dat zijn bestemming is om de wereld te veranderen. Daarbij gaat hij niet uit van zichzelf of zijn eigen idealen, noch worden zijn ingrepen ingegeven door machtswellust of zucht tot rijkdom: “Maar het was bijna meer door een gevoel, dan omdat ik er weet van had, dat ik begreep dat als je bent voorbestemd om de wereld te veranderen, het nodig is om eerst jezelf te veranderen” (373). Deze uitspraak verraadt natuurlijk direct dat dit boek niet in de Romijnse tijd geschreven is, maar in het Amerika van de twintigste eeuw, waar de gewelddadige onderdrukking van de studentenprotesten resulteerde in het inzicht dat we primair de policeman inside all our heads moeten zien te verdrijven als we het politieke systeem willen veranderen. Augustus vervolgt: “Wie gehoor geeft aan zijn roeping, moet een krachtige en geheime kant van zichzelf zien te vinden of te verzinnen, een kant die geen rekening houdt met hemzelf, met anderen en zelfs niet met de wereld die hij volgens zijn bestemming van gedaante zal doen veranderen, niet conform zijn eigen wensen, maar conform een geest die hij tijdens het veranderingsproces zal ontdekken” (373). Volgens Augustus betreft de stichting van een nieuwe politieke orde primair de stichting van jezelf als degene die niet meer uitgaat van zijn eigen belangen en idealen of die van een ander, maar de roeping van een geest volgt waardoor hij en die ander pas worden geconstitueerd. Zo iemand heet deugdzaam.

Nu zijn we normaal gesproken geneigd om iemand deugdzaam te noemen als hij het midden weet te houden tussen twee uitersten. Augustus geeft echter te kennen dat deugdzaamheid helemaal niet op het individuele niveau wordt gevonden. Als jij en de ander een individu betreffen, dan betreft de deugdzame geest het pre-individuele dat het individuele sticht. De eerste les is dat de deugdzame niet het midden houdt (alleen het individu kan zo’n midden vinden), maar de stichtende betreft (op pre-individueel niveau) die het zelf dat gehoor geeft aan zijn roeping (op individueel niveau) sticht. Dat betekent niet dat dit zelf vervolgens overgaat tot de orde van de dag en op grond van dit nieuwe zelf het Romeinse rijk sticht. “…de wereld is geen gedicht, en de wetten brachten niet tot stand waarvoor ze bestemd waren” (399). De tweede les is dat de deugdzame, voor zover het een zelf betreft dat gehoor geeft aan zijn roeping, een geest betreft dat zelf verdeeld is tussen twee uitersten, het verdeelde zelf blijft. Net als in de Romeinse tijd is dit inzicht uiterst relevant in onze huidige politiek-economische constellatie, waar maatschappelijke belangen en waarden rond bijvoorbeeld duurzaamheid zodanig conflicterend zijn dat geen midden gevonden kan worden, maar wel onmiddellijke actie geboden is.

 

Advertisements