Tag Archives: facebook

Converseren als koorddansen tussen symmetrie en asymmetrie (Lydie Salvayre, De Spreker)

Als zo dadelijk de perfecte match tussen zoeken en gezochte is gerealiseerd door bedrijven zoals google en facebook, dan is de vraag of een conversatie nog mogelijk is. Conversatie is “dat onvermogen van ons om afstand te nemen van onszelf, en dan ineens die woorden van een ander die ons in het hart raken en ons in de ban van een andere gedachtegang brengen” (37). Vele cultuurcritici beantwoorden die vraag negatief. Ze wijzen op het gevaar van het oorverdovende lawaai en de stilte die nodig is voor een goed gesprek. Ze hopen een uitsparing in de synchronisatie van zoeken en gezochte te vinden. Ik moet bekennen dat ik ook altijd dacht dat de conversatie een tendens tot synchronisatie belichaamde en daarmee de neiging van het denken om de verschilligheid tussen mij en ander op te heffen.

In haar prachtig geschreven boekje, De Spreker, laat Lydie Salvayre evenwel een andere strategie zien. Converseren betekent bij haar “je engageren, je in gevaar begeven, zeggen wie je bent, voor zover je dat weet natuurlijk… Converseren, jongelui, is je in gevaar begeven, je doen gelden…” (50). Dat betekent dat je de synchronisatie moet opzoeken. Enerzijds is die volgens haar namelijk onmogelijk en anderzijds ontslaat die onmogelijkheid je niet van de noodzaak om het te proberen. Dus omdat er een grondige asymmetrie is tussen zoeken en gezochte kun je rustig proberen synchronisatie te bereiken.

Mijn probleem was dus altijd een verkeerde. Als je namelijk uitgaat van de stelling dat synchronisatie het product is van een denken dat de singulariteit van de ander miskent, uitsluit en opheft, dan probeer je je hoe dan ook daartegen te verzetten, te immuniseren. Als je daarentegen uitgaat van de gedachte dat een dergelijke synchronisatie onmogelijk is, dan kun je het rustig proberen te bereiken: “En stel dat het zo is, dat de toenadering tot de ander onmogelijk is, moeten we het daarom maar niet meer proberen?” (65). Precies die verschuiving van uitgangspunt biedt ook mogelijkheden om de ander op een andere manier te erkennen als de gezochte die we op het oog hebben. We hoeven ons niet te onderwerpen aan de ander als alternatief voor onze normale tendens de ander te overheersen en op te heffen in de synchronisatie. Juist de erkenning van de onmogelijk van synchronisatie geeft aanleiding tot terughoudendheid en gematigdheid jegens die ander. “converseren is de kunst van een koorddanser”(72), namelijk een koorddansen boven de afgrond die gaapt tussen symmetrie en asymmetrie.

De circulariteit van de informatiemaatschappij (Dave Eggers – De Cirkel)

Dave Eggers’ recente roman De Cirkel is eigenlijk een gedachte-experiment, waarin het huidige internettijdperk van facebook, google en twitter tot het uiterste wordt doorgevoerd. De Cirkel is de naam van een internetbedrijf dat de functie van zoeken, sociale media, consumentenonderzoek en zelfs betalingsverkeer integreert in haar producten en diensten, en langzaamaan uitgroeit tot een wereldwijde monopolist. De missie van de Cirkel is om een einde te maken aan de anonimiteit van het internet – dat leidt alleen maar tot excessen zoals porno, oplichting en geweld – en een menselijke gemeenschap te stichten waarin wederzijds begrip, communicatie en het delen van kennis centraal staan: “Met de huidige technologie hoeft communicatie nooit een probleem te zijn. Wederzijds begrip moet altijd binnen bereik liggen en glashelder zijn. Dat is wat we hier doen. Je zou zelfs kunnen stellen dat het de missie van dit bedrijf is – het houdt mij in elk geval heel erg bezig. Communicatie. Begrip. Helderheid” (49). Het bedrijf ontwikkelt technologie en software die transparantie bevordert, zoals bijvoorbeeld minuscule camera’s met internetverbinding die overal op de wereld kunnen worden ingezet om misstanden waar te nemen. De grondgedachte van het bedrijf is dat transparantie misstanden voorkomt en tot ethisch handelen leidt; de militair op het Tahrirplein laat het in de toekomst wel uit zijn hoofd om op ongewapende burgers in te slaan in de wetenschap dat de hele wereld mee kan kijken en luisteren, zoals de pedofiel het wel uit zijn hoofd zal laten om zich voor te doen als minderjarige op het internet, in de wetenschap dat hij zijn identiteit niet langer kan verschuilen achter een sluier van anonimiteit. Dit ideaal van volledige transparantie wordt zelfs een “tweede verlichting” genoemd, die tot een “gouden tijdperk” zal leiden van een door en door redelijke als broederlijke gemeenschap van mensen, waarin credo’s gelden als: “geheimen zijn leugens”, “delen met anderen is zorgen voor anderen” en “privacy is diefstal”.

Nu neemt het boek al een voorschot op allerlei cultuurkritische bezwaren tegen volledige transparantie en de opgave van privacy, die we ook op de opiniepagina’s van onze kranten kunnen vinden. Het probleem van de cirkel is niet dat de eigen bedrijfsgeheimen van de Cirkel uitgesloten lijken te zijn van de oproep tot volledige transparantie. Evenmin is het bezwaar dat de informatie van de Cirkel in de verkeerde handen kan vallen of dat publieke informatie niet onder beheer van commerciële partijen zou mogen worden gesteld. Het probleem is ten slotte ook niet dat de mens alleen nog maar re-actief is in een wereld vol smiles en frowns, in plaats van nog actief iets te maken. De bezwaren tegen direct toezicht vallen in het niet tegenover de ethische voordelen van volledige transparantie die in het boek worden geschetst.

De kritiek op de informatiemaatschappij wordt vertolkt door Mercer, de ex van de hoofdpersoon, die tegen de heerschappij van de sociale media is gekant: “Mae, we moeten anders met elkaar omgaan. Elke keer dat ik je zie of iets van je hoor, zit er een filter tussen. Je stuurt me linkjes, je haalt iemand aan die iets over me schrijft, je zegt dat je een foto van mij op iemands tijdlijn hebt gezien… Het is altijd een aanval via een derde persoon. Zelfs als ik je persoonlijk spreek, vertel je me wat een of andere onbekende van me denkt. Het is net alsof we nooit meer alleen zijn. Iedere keer dat ik je zie, zijn er honderd andere mensen in de kamer. Jij bekijkt me steeds door de ogen van honderd andere mensen” (124). Maar hier vergist Mercer zich. Enerzijds is het zo dat de directe ik-jij relatie het risico loopt de wereld om zich heen – of het nu de derde persoon enkelvoud of de mensheid in z’n geheel betreft – te vergeten. De betrokkenheid van de derde persoon in de communicatie is de mogelijkheidsvoorwaarde voor ons ethisch handelen in het aanschijn van de derde persoon en is zo juist de mogelijkheidsvoorwaarde voor broederschap. Anderzijds is het zo dat de betrokkenheid van de derde persoon in de communicatie weliswaar het gevolg is van volledige transparantie, maar helemaal geen filter tussen de gespreksgenoten voegt. De volledige transparantie die de Cirkel voorstaat neemt in tegendeel juist elk filter weg, waardoor het gecommuniceerde en de communicatie in elkaar ingebouwd raken: “Op een granieten paneel bij de ingang van het Protagoras paviljoen stond een citaat van de naamgever van het gebouw: De mens is de maat van alle dingen. ‘Maar voor ons is het veel belangrijker’, zei Mae terwijl ze de deur opendeed, ‘dat de mens tegenwoordig alle dingen kan méten, met alle instrumenten die ons daarvoor ter beschikking staan” (303). In de volledige transparantie van de meetbaarheid van mensen en dingen door de mens als maat van alle dingen, raakt de verschijning van de wereld en ons verstaan van die wereld zodanig in elkaar ingebouwd, dat de cirkel zich voltooit. Van een filter tussen mij en andere mensen is dus helemaal geen sprake.

De eigenlijke kritiek van Mercer is echter dat de voltooiing van de cirkel de wereld overbelicht, terwijl de mens volgens hem een balans is tussen de heldere licht van het weten en de duisternis van het niet-weten: “Is het nooit in je opgekomen dat onze geest misschien wel heel zorgvuldig is afgestemd op de balans tussen wat we wel en wat we niet weten? Dat onze ziel zowel het mysterie van de nacht als de helderheid van de dag nodig heeft? Jullie bij de Cirkel scheppen een wereld waarin er altijd daglicht is en ik denk dat we daar levend door zullen verbranden. Er blijft geen tijd over voor reflectie, voor slaap, voor afkoeling” (391). We moeten hier even door de verschrikkelijke oppervlakkigheid van de taal van Eggers heenlezen. De zin van Mercer’s verzet tegen de voltooiing van de cirkel is niet dat hij de voordelen van de transparantie niet accepteert, maar dat hij zeker is van een surplus, het oneindige van mensen en dingen dat het licht van de transparantie omkranst en doorkruist. Ook Mae ervaart de oneindigheid van de dingen: “Aan de overkant van de zilverkleurige baai zag ze een paar vogels, blauwe of zilverreigers, laag naar het noorden glijden en zo zat ze een tijdje voor zich uit te dromen. Misschien huisden onder haar wel vossen, verscholen zich krabben onder de stenen op het strand, reden boven haar hoofd mensen in auto’s voorbij; ze dacht aan de mannen en vrouwen in de sleepboten en tankers, die de haven in- en uitvoeren, zuchtend – iedereen had alles al gezien. Ze kon er alleen maar naar raden, naar wat zoal leefde in het diepe water om haar heen, doelbewust voortbewegend of doelloos ronddrijvend, maar ze dacht nergens erg lang over na. Het was genoeg om zich van de miljoenen mogelijke permutaties om zich heen bewust te zijn en troost te putten uit de wetenschap dat ze nooit veel zou, en eigenlijk ook niet kon, weten” (247). Hier blijkt dat de oneindigheid van mensen en dingen helemaal niet beschermt hoeft te worden tegen de overbelichting van de transparantie zoals Mercer denkt (net als filosofen zoals Heidegger overigens), dat dit oneindige klaar aan de dag ligt en onopgemerkt blijft om soms, plotseling en zonder ons toedoen op te duiken.

Het is zelfs niet zo dat de existentiële ervaring van dit oneindige een breuk met de meetbaarheid van de informatiemaatschappij inluidt, zo laat het voorbeeld van Mae zien. Mae ervaart het oneindige van mensen en dingen als “die zwarte snee, die luide scheur die ze een paar keer per week in haar binnenste voelde” (181). “Toen ze ongeveer op de achtste site was, merkte ze dat de scheur in haar binnenste zich weer opende. … De scheur werd steeds groter en opende een peilloze duisternis die zich in hoog tempo onder haar uitspreidde” (301). Filosofen zoals Adorno hoopten altijd dat de existentiële ervaring van het oneindige – de ervaring van miljoenen mogelijke permutaties om je heen, de peilloze duisternis in je binnenste – je doet herinneren dat de meetbaarheid wordt omkranst en doorkruist door het oneindige dat niet onder control te krijgen is. Ze hoopten dat deze ervaring zou leiden tot de acceptatie van dit oneindige en daarmee tot een breuk met onze tendens om alles te meten ten gunste van de volledige transparantie van de informatiemaatschappij. Maar het voorbeeld van Mae laat juist zien dat de ervaring van het oneindige helemaal niet leidt tot een change of heart. Als ze namelijk inziet dat de scheur in haar binnenste niet-weten betreft, zegt ze: “Het niet-weten was de oorzaak van alle gekte, eenzaamheid, achterdocht en angst. Maar daar was iets aan te doen. Transparantie had haar voor de hele wereld kenbaar gemaakt, had een beter mens van haar gemaakt, haar naar ze hoopte dichter bij de perfectie gebracht. Nu zou de rest van de wereld volgen. Volledige transparantie zou voor volledige toegankelijkheid zorgen, en dan zou er geen niet-weten meer zijn. Mae glimlachte bij de gedachte dat het allemaal zo eenvoudig was, zo zuiver” (422).

Enerzijds maakt het voorbeeld van Mercer duidelijk dat het oneindige van de dingen er helemaal niet om vraagt om beschermd te worden tegen de overbelichting van de transparantie. Anderzijds maakt het voorbeeld van Mae duidelijk dat de ervaring van de oneindigheid van de dingen helemaal geen grens stelt aan de meetbaarheid van de informatiemaatschappij, laat staan een change of heart inluidt. Het boek maakt op beklemmende wijze duidelijk dat er geen enkele aanleiding te vinden is om de cirkel van de transparantie te doorbreken, alleen misschien voor de geboren overtreder [1].

[1] Zie mijn blog “De crack in everything (Leonard Cohen) en de geboren overtreder (Tommy Wieringa)” van 20 augustus 2014.

Zelf-onthulling en zelf-verhulling in de wereld van blogs en anti-blogs (Een tijdelijke Vertelling, Ruth Ozeki)

Ruth Ozeki’s roman “Een tijdelijke vertelling” is een zogenaamde “ik-roman” over de Japans-Amerikaanse schrijfster Ruth die een Hello Kitty-lunchtrommeltje vindt op het strand. Het bevat het dagboek van Nao, een 16 jaar oud Japans meisje dat is omgekomen tijdens de Tsunami; een ik-roman in een ik-roman dus.

Karakteristiek voor de ik-roman is dat ze de vorm heeft van een ‘bekentenis’ die volledig ‘transparant’ is en de ‘authentieke’ stem van de schrijver bevat. We herkennen deze stijl in de internetblogs, tweets en facebook berichten waarmee we dagelijks worden geconfronteerd; op eigen gezag bekent men zijn of haar voorkeuren op het gebied van kunst, politiek, wetenschap etc., en geeft men zich bloot in teksten, foto’s en filmpjes die worden gedeeld met anderen. Bepalend daarbij is niet zozeer de inhoud van een blog of tweet maar de mate waarin de eigen authenticiteit wordt zeker gesteld daarin; alles geldt de openbaring van jezelf.

Nu spreekt Ozeki van een spanning tussen zelfonthullende, zelf-verhullende en zelfopofferende handelingen in een ik-roman. De talloze voorbeelden van impersonatie op het internet illustreren goed hoe zelfonthullende berichten op facebook tegelijkertijd zelf-verhullend kunnen zijn; denk aan de volwassen kerel die zich voordoet als een jong ding en contact met je probeert te leggen.[1] In het digitale spel van zelf-onthulling en zelfverhulling lijkt daarentegen van zelfopoffering geen sprake te zijn; alles geldt de openbaring van jezelf.

En toch blijkt deze zelf-openbaring de grootste zelf-opoffering te zijn, zodra je beseft dat elke zelf-onthulling is aangewezen op een publiek van volgers dat er domweg niet is: “Tot mijn eigen verdriet betrapte ik mezelf erop dat ik net deed alsof iedereen in cyberspace wilde weten wat ik dacht, terwijl het in werkelijkheid niemand ook maar ene fuck kan schelen. En toen ik dat verdrietige gevoel vermenigvuldigde met alle miljoenen mensen in hun eenzame kamertjes die verwoed zitten te schrijven en naar hun eenzame paginaatjes zitten te posten waar niemand de tijd voor neemt om ze te lezen omdat iedereen het zelf veel te druk heeft met schrijven en posten, was ik daar behoorlijk kapot van” (33). Als iedereen schrijft en niemand meer leest, dan vindt de zelf-openbaring geen weerklank meer in de wereld, dan ontbreekt de resonantieruimte waarin het zelf wordt geconstitueerd. Wat nu als hierin de grootste zelf-opoffering van onze tijd bestaat?

Hoe ontkomt de ik-roman van Nao aan dit lot? In antwoord op haar ervaring genegeerd en verstoten te zijn door haar volgers (zen ‘in shikato) kiest ze voor een leven als otaku, een in zichzelf opgesloten en maatschappelijk geïsoleerde kluizenaar die haar leven verspilt. Haar verspilling bestaat in het schrijven van een anti-blog, dat wil zeggen een bericht dat niet meer aan allen maar aan een enkel persoon is gericht; haar dagboek dat in een broodtrommeltje verpakt aanspoelt op het strand om door Ruth gevonden en gelezen te worden. Deze strategie helpt natuurlijk niet, tenzij je bij voorbaat veronderstelt dat de schrijver en de volger van zo’n anti-blog aan elkaar zijn gerelateerd. Doordat “Een tijdelijke vertelling” die verstrengeling van de schrijver en de volger van Nao’s anti-blog inderdaad veronderstelt en overigens op prachtige wijze beschrijft, wordt Nao’s zelf-openbaring overbelicht en kan de vraag naar de grootste zelf-opoffering van onze tijd niet meer opkomen in dit boek.


[1] vgl. mijn blog over de banaliteit van transparantie van 22 augustus 2013 voor meer geleerde voorbeelden.

Biophobia and the Banality of Transparency (Peter Terrin’s Post Mortem)

At first glance, Peter Terrin’s Post Mortem is a book about an author who is writing an autobiographical book about his alter ego, while his four year old daughter is hit by a cerebral infarction. In fact, it describes the struggle of an author in the current age, in which the complete revelation of yourself – the transparency of our biography in literary works but also at social networks like facebook and wordpress – is celebrated as the greatest good. Steegman, the main character of the book, is a child of his time and completely transparent for himself; he recognizes and knows himself, writes an autobiographical book and even tries to have control over his future biographer. At the same time, he suffers from biophobia and wants to escape his biography. Why? Because of the banality of transparency in which there is no room anymore for any difference between what you are and what the world knows about you. Originally, it was precisely this difference that drove authors, poets and philosophers to write their books and sing their songs. In the age of transparency, Steegman’s idea is to move in the opposite direction; he becomes completely transparent in his book (“he has become his books”) and at the same time, he explores a diversionary tactic; the exploration of another possible meaning of his biographical events and based on this, the establishment of an ambiguity and secrecy in which Steegman can withdraw and escape the transparency of his biography.

Although I acknowledge that Steegman’s diversionary tactic is promising – especially the tactic to raise dust clouds in which you can hide yourself in the age of transparency – the focus on biophobia and the biographical is still subjectivistic in this novel. I would like to propose another possible meaning of Post Mortem, inspired by the temporary amnesia of Steegman’s daughter. After her cerebral infraction, she suffered from temporary amnesia as a self-protective reflex of the bodily system. Maybe, we have to conceive the banality of transparency as a temporary amnesia with regard to the difference between ourselves and what the world knows about us. This amnesia is nothing negative. On the one hand, it is precisely this amnesia that has to be conceived as self-protective, i.e. as a protection of the self in the age of transparency. On the other hand, it is precisely this amnesia with regard to myself, which provides the only access to the difference between myself and what the world knows about me in the age of transparency. In this respect, not biophobia but a non-subjectivistic desire for the “self” should be key in future literary efforts. Coetzee’s descriptions of the personal over the universal in ‘the Childhood of Jesus’ – see my previous blogs – could be seen as such an effort.