Tag Archives: geschiedenis

Schuld en boete (Oek de Jong, Zwarte Schuur)

Zwarte Schuur thematiseert hoe een toevallige gebeurtenis je leven kan tekenen. Maris, de hoofdpersoon van het boek en gevierd kunstenaar, heeft in zijn jonge jaren per ongeluk een prille geliefde gedood. Hij heeft boete gedaan voor zijn misdaad maar de gebeurtenis verder geheimgehouden voor de meeste mensen. Hij wilde opnieuw beginnen en vertrekt naar de Verenigde staten, het land waar je je eigen leven los van je levensgeschiedenis en achtergrond vorm kunt geven. Als het geheim later toch uitkomt is hij bang verstoten te worden door zijn omgeving. Hij vindt dat hij zich niet kan verantwoorden voor iemand die hij nu niet meer is. Maar hij is natuurlijk tegelijkertijd nog steeds de dader die hij ooit was. Daarmee gaat dit boek over de onmogelijkheid aan je geschiedenis te ontkomen. Dat geldt niet alleen voor de persoon met wie iets gebeurt, maar ook voor de anderen in zijn omgeving die het liefst geen deelgenoot van zijn geheim hadden willen worden: “Er verschuift opeens zoveel” (100). Een ingrijpende gebeurtenis veroorzaakt niet alleen een trauma in psychologische zin, maar verschuift tegelijkertijd de zin van de wereld om je heen, en daarmee de geschiedenis, de waarheid en het goede. Het verhaal beschrijft helaas alleen de subjectieve kant van de gebeurtenis en hoe die vormgeeft aan je leven, maar daar kunnen we toch wat van leren.

Hoewel je namelijk van voor tot achter door gebeurtenissen wordt bepaald, verandert de betekenis van die gebeurtenissen in de loop van de geschiedenis en onttrekt die betekenis zich aan je grip. Zo weet Maris dat hij het meisje ruw achteroverduwde omdat zij hem vernederde, zonder de intentie haar de dood in te jagen, en is hij tegelijkertijd bang dat het toch anders is gegaan: “Twijfel, waar hij lange tijd niet mee te maken had gehad, herleefde. Het verhaal dat hij had verteld, was misschien niet het ware verhaal. Als hij nu sprak, onder invloed van de drank, zou hij misschien iets anders vertellen dan hij altijd had verteld, aan anderen en vooral aan zichzelf. Hij kon zich verspreken. Er kon iets anders tevoorschijn komen nu hij zo aangeschoten was. Bij zijn schuldgevoel voegde zich de angst, de angst dat het niet waar was wat hij had verteld” (276). Doordat de betekenis van het gebeurde zich onttrekt aan zijn grip en altijd achteraf onwaar kan blijken te zijn, is zijn boetedoening ook altijd ontoereikend. Aan de hand van het altaarstuk van Grünewald laat de Jong zien dat de aanvaarding van je schuld nodig is voordat je opnieuw kunt beginnen, en dat gebeurt dan ook in het vervolg van het verhaal.

Maar je zou de kruisiging van Jezus ook anders kunnen begrijpen. Het is niet zo dat Jezus boete doet voor al onze zonden in plaats van onszelf, maar Jezus is de enige die boete kan doen voor onze menselijke zonden. Als de betekenis van de gebeurtenis aan verandering onderhevig is en onze boetedoening daardoor altijd ontoereikend is, dan is alleen de boetedoening voor alle mogelijke zonden, die alleen door Jezus gedragen kan worden, toereikend. Maar als alleen Jezus in eigenlijke zin boete kan doen, dan is de opstanding en het opnieuw geboren worden ook alleen aan hem voorbehouden, en blijven wij stervelingen krioelen in onze ontoereikende pogingen om rekenschap af te leggen.

Getijdengolven naar een onafzienbare toekomst (Julian Barnes, Alsof het voorbij is)

Alsof het voorbij is gaat over een man die terugkijkt op zijn jonge jaren op school en langzaamaan beseft dat woorden geschiedenis maken; een verborgen brief aan zijn ex-vriendin, ze was er met zijn beste vriend vandoor gegaan, blijkt een vloek te bevatten die bewaarheid wordt. Daarmee wordt de opvatting van geschiedenis van zijn beste vriend – “geschiedenis is de zekerheid die ontstaat op het punt waarop de gebreken van de herinnering en de onvolkomenheden van de documentatie samenkomen” (67-68) – gelogenstraft. Geschiedenis is niet primair iets van de herinnering – “…wat je je uiteindelijk herinnert, is niet altijd hetzelfde als wat je hebt meegemaakt” (9) – noch iets van documenten, zo laat het boek zien, maar van de taal. Het woord is als een getijdengolf, die rustig golvend naar zee plotseling en in alle rust omkeert, het water openbreekt en je overspoelt. De rust van die ommekeer is het verontrustende, de grote onrust die je identiteit op het spel zet. Voor Barnes is het een uitgemaakte zaak dat de getijdengolf van de taal terugvoert in het verleden; je kunt de toekomst immers niet kennen. Ik koester de gedachte dat het ook andersom kan, dat we plotseling opgepakt en meegedragen kunnen worden in een onafzienbare toekomst.

Het iconoclasme van Louis-Ferdinand Céline, of de reis naar het einde van de geschiedenis

Als het einde van de geschiedenis betekent dat de realiteit en het ideale met elkaar samenvallen, dan valt Célines “Reis naar het einde van de nacht” te begrijpen als een reis naar het einde van de geschiedenis. Alleen wordt dit einde niet bereikt door de realisatie van het ideaal door de universele heerschappij van de liberale democratie (Fukuyama), maar door de realiteit van elke vorm van idealisme te ontdoen.

Célines ervaring van de eerste wereldoorlog maakt dit duidelijk. Terwijl anderen zochten naar een verborgen zin of hoger ideaal achter de verschrikkingen van de eerste wereldoorlog – de iconophilia van ‘het vaderland’, ‘een nieuwe geest’, ‘het Franse ras’, ‘de civilisatie’ etc. – destrueert Célines alter ego Bardamu elke hogere betekenis van de oorlog. Zo merkt hij op tegen zijn vriendin Lola, die uit Amerika is overgekomen om Frankrijk te ‘redden’: “Weet jij bijvoorbeeld nog de naam van ook maar een van de soldaten die in de honderd jarige oorlog gesneuveld zijn, Lola? … heb je ooit geprobeerd achter een van die namen te komen?… nee, nietwaar? … je hebt ‘t nooit geprobeerd. Voor jou zijn ze even anoniem en onbekend, ze laten je net zo koud als het kleinste atoom van die presse-papier daar voor je, als je ochtendkeutel… dus je ziet dat ze voor niets gesneuveld zijn, Lola! Helemaal voor niets, die stommelingen. Geloof mij maar. Het bewijs is geleverd. Alleen het leven telt. Ik wed dat deze oorlog, hoe belangrijk we ‘m nu ook vinden, over tienduizend jaar volkomen vergeten zal zijn… Ik geloof niet aan de toekomst, Lola…” (71). De reis naar het einde van de nacht bestaat in de ontmaskering en vernietiging van verheven idealen en principes en kan dan ook iconoclastisch worden genoemd. Daarin wordt het licht van de idealen gedoofd en hult Bardamu zich in een steeds dieper wordende nacht. De dageraad breekt pas aan zodra we ons niet langer inspannen om ´redelijk´ en ´moreel´ te lijken en gewoon onszelf zijn, dat wil zeggen “abject, wreed en absurd” (460). In die zin is “Reis naar het einde van de nacht” te begrijpen als een reis naar het einde van de geschiedenis.

Terwijl Bardamu denkt dat het einde van de geschiedenis aanbreekt zodra we bij de feiten blijven in het hier en nu, niet langer dromen over verheven idealen en onze hoop niet langer vestigen op de toekomst, getuigt “Reis naar het einde van de nacht” nog van een andere reis. Bardamu ziet het einde van de geschiedenis namelijk pas dankzij de reis van het vertrouwde of eigene naar het vreemde: “Dat is nou ballingschap, het buitenland, ’t is die onverbiddelijke kijk op het leven zoals ’t werkelijk is, gedurende die paar heldere uren, uitzonderlijke momenten in het tijdsbestek van het menselijke bestaan, waarin je de gewoonten van een vorig land achter je laat, zonder dat de andere, de nieuwe gewoonten je al volkomen afgestompt hebben “ (236-237). De reis van het vertrouwde naar het vreemde geeft heel even zicht op het leven zoals het werkelijk is, namelijk op het moment dat je het vertrouwde achter je laat en het vreemde nog niet hebt eigen gemaakt: “Reizen betekent ’t zoeken naar dat ledige, naar die kleine duizeling voor klootzakken…” (237). Enerzijds ziet Bardamu dankzij deze reis het loze en ledige van het leven, dat wil zeggen het einde van de geschiedenis. Anderzijds veronderstelt deze reis alweer geschiedenis, namelijk de ‘voltrekking’ van de overgangen van het eigene naar het vreemde waarin de kleine duizeling alleen ‘geschieden’ kan. Dat betekent dat de kleine duizeling nog ontstoken is door het nachtelijke licht van de geschiedenis.