Tag Archives: heidegger

Onderhuidse taal (Michel Faber, Onderhuids)

Onderhuids gaat over een buitenaardse mogendheid die op aarde een vleesverwerkingsindustrie met mensen bestiert. Gespierde mannelijke lifters in de Schotse hooglanden worden door een tot vrouw omgebouwd buitenaards wezen opgepikt en verdoofd, van haren en tanden ontdaan en gecastreerd, om ten slotte vetgemest te worden in een vleesboerderij naar het model van onze bio-industrie. Uiteindelijk worden deze ‘vodsels’, zoals aardbewoners door de buitenaardse mogendheid worden genoemd, uitgevoerd om voor veel geld als ‘voddissinfilet’ op een buitenaardse markt te worden verkocht. Als een van de vodsels losbreekt uit zijn kooi en ternauwernood in staat is een briefje te schrijven met daarop het woord ‘genade’, ontspint zich een filosofisch relevante discussie over taal tussen twee buitenaardse wezens.

De vrouw “pijnigde  haar hersens op zoek naar een vertaling, maar realiseerde zich toen dat het woord zich, puur toevallig, niet in haar eigen taal liet overzetten. Het begrip bestond eenvoudigweg niet” (178). Als Heidegger gelijk heeft dat de taal het huis van het zijn is, dat wil zeggen dat de taal een betekenisvolle wereld articuleert waarin wij altijd al weten wat de dingen betekenen en hoe we ermee om moeten gaan, dan betekent dit niet alleen dat de buitenaardse mogendheid het woord ‘genade’  niet kent, maar dat het woord hun denken en doen niet be-tekent. Het is te gemakkelijk om hieruit te concluderen dat het ontbreken van het woord genade in de buitenaardse taal verklaart waarom ze geen genade kennen met de mensen die ze als beesten verwerken voor hun bio-industrie.

Het probleem is dat de vrouw opgaat in haar taal en daarmee van imperialisme getuigt. Hoezeer vodsels en mensen, zoals de buitenaardse wezens zichzelf noemen, ook op elkaar konden lijken, “als het puntje bij paaltje kwam, waren vodsels tot geen van de dingen in staat die een menselijk wezen tot mens bestempelden. Ze konden niet siuwillen, ze konden niet mesnisjtillen en ze hadden geen flauw idee wat slan inhield. In hun beestachtigheid hadden ze zich nooit tot het gebruik van hunsjur weten te ontwikkelen; hun leefgemeenschappen waren zo primitief dat hississinnen er niet voorkwamen en ook leken deze schepselen geen enkele behoefte aan tsjail, of zelfs maar aan tsjailsinn te hebben” (180-181). In het licht van woorden ‘siuwillen’, ‘mesnisjtillen’, ‘slan’ die de identiteit van de buitenaardse wezens tekenen, verschijnt de noodkreet van de vodsel als barbaars gekrabbel, als loos. En omdat dit gekrabbel niet thuis te brengen is in de taal die de menselijke identiteit uitmaken, vallen de vodsels niet onder de categorie ‘mens’ en mogen ze worden afgeslacht als beesten.

De mannelijke tegenstrever van de vrouw daarentegen gaat niet op in zijn taal en vraagt juist aandacht voor het gekrabbel op het stukje papier. Of we nu wel of niet in staat zijn de betekenis van het woord ‘genade’ te verstaan, in beide gevallen indiceert het dat vodsels over spraak en schrift beschikken en een taal hebben. Voor de vrouw be-tekent ‘siuwillen’ de identiteit van de mens, en legitimeert het ontberen van die naam dat vodsels als beesten worden verwerkt voor de bio-industrie, terwijl de man juist zegt dat het hebben van taal überhaupt de identiteit van de mens tekent, of we die nu verstaan of niet. Niet langer is de verstaanbaarheid het criterium voor menszijn, maar de onderhuidse taal die mens en vodsel bindt zonder daarmee hun verschilligheid te overbruggen, de openheid waar mens en vodsel omheen staan zonder elkaar te raken.

Advertisements

De wildernis van de homo faber (David Vann’s Caribou Island)

David Vann’s Caribou Island geeft ons gelegenheid om genuanceerder over de mens als homo faber na te denken. Het verhaal speelt op een afgelegen eiland in een van de meren van Alaska, waar een echtpaar op leeftijd onder erbarmelijke omstandigheden aan een blokhut bouwt terwijl hun huwelijk op de klippen loopt. Garry, de hoofdpersoon uit het verhaal, leeft in de overtuiging dat de mens in wezen niet als homo sapiens kan worden begrepen, maar als homo faber moet worden gedacht. Het begrip van de mens als homo faber heeft normaal gesproken een negatieve connotatie, namelijk van de getechnificeerde mens in de maakbare samenleving. Het vreemde is dat ook Garry kritisch staat tegenover de maakbare samenleving en droomt van een leven in de wildernis, maar het wezen van de mens toch als homo faber denkt. Negatief gezegd betekent dit dat hij de homo faber niet in verband kan brengen met het rekenen en plannen, kortom met de perfectie van de techniek. Dit blijkt ook uit de tekst: “Ze zouden hun hut vanaf de grond opbouwen. Zelfs geen fundering. En geen tekeningen, geen ervaring, geen vergunningen, advies ongewenst. Gary wilde het gewoon doen, alsof zij twee de eersten waren die deze wildernis in getrokken waren” (8).

Niet de perfectie van de techniek maar de wildernis van de aarde vormt het uitgangspunt voor Garry’s begrip van de homo faber. Die wildernis wordt begrepen als het overweldigende dat de mens en zijn werken dreigt te vernietigen. De homo faber verlangt in zekere zin zelfs naar die vernietiging: “Een verlangen om te zien wat de wereld kan aanrichten, wat je kunt verdragen, uiteindelijk om te zien wat je waard bent als je verscheurd wordt. De zegen van de vernietiging, van het weggevaagd worden. Maar altijd kent hij verlangen, hij die in zee steekt, en dat is het verlangen om tegenover het ergste te taan, een subtiele hoop op een grotere golf” (212). Dit verlangen van de homo faber is niet zozeer suïcidaal, maar verlangt naar de confrontatie van zijn werken met het overweldigende van de wildernis om te beproeven welke vormen vuurvast blijken te zijn. In die beproeving gaat het uiteindelijk niet om de houdbaarheid van de werken zelf – de krakkemikkige blokhut op het eiland als prothese die wordt geteisterd door weer en wind – maar van de identiteit van de mens die daarin wordt geproduceerd; “De hut zelf als uitdrukking van de mens, een vorm van zijn eigen geest” (68). De homo faber is de mens die weet dat zijn identiteit zich constitueert in de confrontatie van zijn werken met de wildernis van de aarde.

Nu wijzen filosofen zoals Heidegger dit allemaal af omdat het begrip van de mens als homo faber gebonden zou zijn aan de voorstelling van de maakbare samenleving door de mens die haar op eigenzinnige wijze beleeft. En toch is dit te gemakkelijk. Niet alleen omdat ook Heidegger ooit de gedachte aan de homo faber heeft omarmt[1]. Het verschil tussen Heidegger en Garry is dat de eerste denkt dat het werk van de homo faber gereduceerd kan worden tot een specifieke manier waarop ons verstaan van de dingen wordt gestructureerd – Machenschaft und Erlebnis – terwijl de laatste denkt dat het werk echt is; het werk van de homo faber is de pro-ductie waarin de identiteit van de mens uitkristalliseert om uiteindelijk weer verzwolgen te worden door het overweldigende van de wildernis. De homo faber is daarmee niet zozeer een arbeider die de perfectie van de techniek omarmt noch de hulpbehoevende die zich afhankelijk weet van pro-theses,  maar de mens die ervaart dat zijn identiteit zich alleen uitkristalliseert in de productie van werken die hem enerzijds zijn bestemming geven, en die anderzijds moeten worden beproefd in hun confrontatie met de wildernis van de aarde (zie ook mijn blog over David Vann’s Aarde).

[1] Zie hiervoor: Blok, V. (2015) “Heidegger’s Ontology of Work”, Heidegger Studies 31: 109-128

Heideggers antisemitisme en de overtreding van de wet

Het is vrijwel onmogelijk om vandaag de dag een uitspraak te doen over Heideggers antisemitisme. Hoewel de inkt van zijn Schwarze Hefte nog maar nauwelijks is gedroogd, lijkt de discussie al gesloten voor hij goed en wel op gang kan komen. Ik geef een voorbeeld. Ik mag mij keren tegen de recente politiek van Israël om het Palestijnse volk aan te vallen. Ik mag vinden dat de Israëlische oorlogspolitiek ideologisch gedreven is en ik mag me zelfs keren tegen deze ideologie. Maar hoewel deze ideologie gedeeltelijk in de Blut und Boden van het Joodse volk verankerd ligt, overtreed ik de wet zodra ik de Israëlische ideologie in verband breng met het Joodse volk of met het Joodse ras. Een meer filosofisch voorbeeld: Als filosoof in de fenomenologische traditie mag ik mij bezinnen op de singulariteit van mijn eigen lichamelijkheid, bijvoorbeeld in lijn met het denken van Merleau-Ponty, maar overtreed ik de wet zodra ik die singulariteit verbind met de singulariteit van een ras. Heidegger moet zich in de jaren dertig in een vergelijkbare, hoewel precies omgekeerde positie hebben bevonden. Hij zou de wet juist overtreden hebben wanneer hij de filosofische vraag naar het wezen van mensen en dingen, bijvoorbeeld in zijn beruchte rectoraatsrede, niet zou hebben verbonden met het ras van de Duitser.

Maar goed, filosofen zijn nu eenmaal geboren wetsovertreders , zo ook Heidegger [1]. In de kritische periode tussen 1934 en 1940 zegt hij tijdens een voordracht: “Der Mensch ist nicht weniger Subjekt, sondern wesentlicher, wenn er sich als Nation, als Volk, als Rasse, als ein irgendwie auf sich selbst gestelltes Menschentum begreift. Hierbei ist besonders zu beachten, dass auch und gerade der Rassegedanke nur auf dem Boden der Subjektivität möglich ist” (GA 90: 38). Volgens Heidegger begrijpt het racisme de mens als subject, dus als het onderliggende voor ons verstaan van mensen en dingen. Het denken over de mens in termen van een ras bestaat in de zelf-constitutie van het subject in het licht van een idee, zoals bijvoorbeeld communisme, liberalisme, semitisme maar ook anti-semitisme. “Rasse – ein rein subjektiever Begriff” (GA 90: 67). Omdat iedereen die ook maar èèn letter van Heidegger gelezen heeft weet dat hij de mens als subject afwijst, is duidelijk dat hij met deze uitspraken de wet overtreedt en het racisme afwijst.

We kunnen Heideggers positie zelfs anti-rascistisch noemen, want zijn oerintuïtie is nu juist dat het subject geen toegang heeft tot de waarheid, dat wil zeggen, tot de ontologische differentie tussen ons vanzelfsprekende verstaan van mensen en dingen – bijvoorbeeld als ras in de jaren dertig en als homo economicus vandaag de dag – en de openheid waarin dit verstaan opkomt en ook weer ondergaat. Heidegger neemt afscheid van het subject en is in die zin anti-semitisch. Dit anti-semitisme bestaat in de afwijzing van de zelf-constituties van het subject, Heidegger spreekt in dit verband van maakbaarheid en berekening, ten faveure van onze openheid voor de waarheid. Dit is het zogenaamde zijnshistorische anti-semitisme van Heidegger.

Het anti- van Heidegger’s anti-semitisme kan dan ook niet als een vernietiging of uitzuivering van het semitisme worden begrepen. In de oorlogsjaren zegt Heidegger tijdens een college: “Ich will überhaupt nicht ‘gegen’ etwas Vorgehen. Wer sich in die Gegnerschaft einlässt, verliert das Wesenhafte, mag er dabei siegen oder unterliegen” (GA 77: 51). Als je ‘tegen’ iets bent, bijvoorbeeld tegen het Joodse volk, dan ben je er volgens Heidegger negatief afhankelijk van: “Alles ‘anti’ denkt im Sinne dessen, wogegen es ‘anti’ ist” (GA 54: 77). Belangrijker nog is dat een dergelijke vernietiging of uitzuivering zou uitmonden in een nieuwe zelf-constitutie van het subject, bijvoorbeeld als het Duitse volk, terwijl de openheid waarin dergelijke zelf-constituties opkomen en weer ondergaan dan vergeten blijft. Het anti- van Heidegger’s anti-semitisme betekent dat hij terughoudend is ten aanzien van de zelf-constituties van het subject – of dit nu de zelf-constitutie van het semitisme of van het anti-semitisme betreft – en de wet van dergelijke zelf-constituties overtreedt, om zo pas zicht te krijgen op de waarheid.

Nu lijkt Heidegger èèn uitzondering te maken, want hij brengt de filosofische vraag naar de identiteit van mensen en dingen expliciet in verband met het Duitse volk. Zoals ik elders heb laten zien is Heidegger’s denken ambigu hierin [2]. Soms lijkt ‘de Duitser’ een heel specifiek volk of ras te behelzen, dus het product van een subjectieve zelf-constitutie, en soms is ‘de Duitser’ juist dat volk of ras dat de wet van dergelijke zelf-constituties overtreedt, een anti-ras dus dat pas zo in de nabijheid van de waarheid kan verblijven.

En hier zouden we aanleiding kunnen vinden voor een filosofische kritiek op Heidegger’s anti-semitisme, als we namelijk het Joodse volk als voorbeeld van zo’n anti-ras zouden kunnen begrijpen. Rosenberg noemde de Joden al ras-loos en een anti-ras, en ook Heidegger zelf noemt het Jodendom een bodemloos kosmopolitisme in zijn Schwarze Hefte. Met het bezwaar van kosmopolitisme kan ik niet zo veel, althans, we kunnen het Israëlische nederzettingenbeleid toch moeilijk kosmopolitisch noemen. Maar een filosofische bezinning op het Jodendom als het bodem- en heimat-loze, op het omzwervend bestaan van de wandelende Jood Ahasverus bijvoorbeeld, zou Heidegger indicaties hebben kunnen geven hoe we precies in de nabijheid van de waarheid zouden kunnen verblijven.

Maar let op, een dergelijke positieve reflectie op het Jodendom is verboden omdat we daarmee net als Heidegger de ont-rassing (Entrassung) van volkeren in onze liberale democratie een halt zouden toeroepen en fundamentele verschillen tussen volkeren, bijvoorbeeld tussen de homo economicus die opgaat in zijn subjectivistische zelf-constituties en Ahasverus als de omzwervende hoeder van de waarheid, zouden erkennen. Met andere woorden, om ook maar een begin te maken met een kritiek op Heideggers anti-semitisme zouden we de wet al moeten overtreden.

[1] Zie voor het begrip van de geboren overtreder: https://vincentblok.wordpress.com/2014/08/20/de-crack-in-everything-leonard-cohen-en-de-geboren-overtreder-tommy-wieringa/
[2] Blok, V. (2012), “Naming Being – or the philosophical Content of Heidegger’s National Socialism”, Heidegger Studies, Vol. 28, pp.101-122

De circulariteit van de informatiemaatschappij (Dave Eggers – De Cirkel)

Dave Eggers’ recente roman De Cirkel is eigenlijk een gedachte-experiment, waarin het huidige internettijdperk van facebook, google en twitter tot het uiterste wordt doorgevoerd. De Cirkel is de naam van een internetbedrijf dat de functie van zoeken, sociale media, consumentenonderzoek en zelfs betalingsverkeer integreert in haar producten en diensten, en langzaamaan uitgroeit tot een wereldwijde monopolist. De missie van de Cirkel is om een einde te maken aan de anonimiteit van het internet – dat leidt alleen maar tot excessen zoals porno, oplichting en geweld – en een menselijke gemeenschap te stichten waarin wederzijds begrip, communicatie en het delen van kennis centraal staan: “Met de huidige technologie hoeft communicatie nooit een probleem te zijn. Wederzijds begrip moet altijd binnen bereik liggen en glashelder zijn. Dat is wat we hier doen. Je zou zelfs kunnen stellen dat het de missie van dit bedrijf is – het houdt mij in elk geval heel erg bezig. Communicatie. Begrip. Helderheid” (49). Het bedrijf ontwikkelt technologie en software die transparantie bevordert, zoals bijvoorbeeld minuscule camera’s met internetverbinding die overal op de wereld kunnen worden ingezet om misstanden waar te nemen. De grondgedachte van het bedrijf is dat transparantie misstanden voorkomt en tot ethisch handelen leidt; de militair op het Tahrirplein laat het in de toekomst wel uit zijn hoofd om op ongewapende burgers in te slaan in de wetenschap dat de hele wereld mee kan kijken en luisteren, zoals de pedofiel het wel uit zijn hoofd zal laten om zich voor te doen als minderjarige op het internet, in de wetenschap dat hij zijn identiteit niet langer kan verschuilen achter een sluier van anonimiteit. Dit ideaal van volledige transparantie wordt zelfs een “tweede verlichting” genoemd, die tot een “gouden tijdperk” zal leiden van een door en door redelijke als broederlijke gemeenschap van mensen, waarin credo’s gelden als: “geheimen zijn leugens”, “delen met anderen is zorgen voor anderen” en “privacy is diefstal”.

Nu neemt het boek al een voorschot op allerlei cultuurkritische bezwaren tegen volledige transparantie en de opgave van privacy, die we ook op de opiniepagina’s van onze kranten kunnen vinden. Het probleem van de cirkel is niet dat de eigen bedrijfsgeheimen van de Cirkel uitgesloten lijken te zijn van de oproep tot volledige transparantie. Evenmin is het bezwaar dat de informatie van de Cirkel in de verkeerde handen kan vallen of dat publieke informatie niet onder beheer van commerciële partijen zou mogen worden gesteld. Het probleem is ten slotte ook niet dat de mens alleen nog maar re-actief is in een wereld vol smiles en frowns, in plaats van nog actief iets te maken. De bezwaren tegen direct toezicht vallen in het niet tegenover de ethische voordelen van volledige transparantie die in het boek worden geschetst.

De kritiek op de informatiemaatschappij wordt vertolkt door Mercer, de ex van de hoofdpersoon, die tegen de heerschappij van de sociale media is gekant: “Mae, we moeten anders met elkaar omgaan. Elke keer dat ik je zie of iets van je hoor, zit er een filter tussen. Je stuurt me linkjes, je haalt iemand aan die iets over me schrijft, je zegt dat je een foto van mij op iemands tijdlijn hebt gezien… Het is altijd een aanval via een derde persoon. Zelfs als ik je persoonlijk spreek, vertel je me wat een of andere onbekende van me denkt. Het is net alsof we nooit meer alleen zijn. Iedere keer dat ik je zie, zijn er honderd andere mensen in de kamer. Jij bekijkt me steeds door de ogen van honderd andere mensen” (124). Maar hier vergist Mercer zich. Enerzijds is het zo dat de directe ik-jij relatie het risico loopt de wereld om zich heen – of het nu de derde persoon enkelvoud of de mensheid in z’n geheel betreft – te vergeten. De betrokkenheid van de derde persoon in de communicatie is de mogelijkheidsvoorwaarde voor ons ethisch handelen in het aanschijn van de derde persoon en is zo juist de mogelijkheidsvoorwaarde voor broederschap. Anderzijds is het zo dat de betrokkenheid van de derde persoon in de communicatie weliswaar het gevolg is van volledige transparantie, maar helemaal geen filter tussen de gespreksgenoten voegt. De volledige transparantie die de Cirkel voorstaat neemt in tegendeel juist elk filter weg, waardoor het gecommuniceerde en de communicatie in elkaar ingebouwd raken: “Op een granieten paneel bij de ingang van het Protagoras paviljoen stond een citaat van de naamgever van het gebouw: De mens is de maat van alle dingen. ‘Maar voor ons is het veel belangrijker’, zei Mae terwijl ze de deur opendeed, ‘dat de mens tegenwoordig alle dingen kan méten, met alle instrumenten die ons daarvoor ter beschikking staan” (303). In de volledige transparantie van de meetbaarheid van mensen en dingen door de mens als maat van alle dingen, raakt de verschijning van de wereld en ons verstaan van die wereld zodanig in elkaar ingebouwd, dat de cirkel zich voltooit. Van een filter tussen mij en andere mensen is dus helemaal geen sprake.

De eigenlijke kritiek van Mercer is echter dat de voltooiing van de cirkel de wereld overbelicht, terwijl de mens volgens hem een balans is tussen de heldere licht van het weten en de duisternis van het niet-weten: “Is het nooit in je opgekomen dat onze geest misschien wel heel zorgvuldig is afgestemd op de balans tussen wat we wel en wat we niet weten? Dat onze ziel zowel het mysterie van de nacht als de helderheid van de dag nodig heeft? Jullie bij de Cirkel scheppen een wereld waarin er altijd daglicht is en ik denk dat we daar levend door zullen verbranden. Er blijft geen tijd over voor reflectie, voor slaap, voor afkoeling” (391). We moeten hier even door de verschrikkelijke oppervlakkigheid van de taal van Eggers heenlezen. De zin van Mercer’s verzet tegen de voltooiing van de cirkel is niet dat hij de voordelen van de transparantie niet accepteert, maar dat hij zeker is van een surplus, het oneindige van mensen en dingen dat het licht van de transparantie omkranst en doorkruist. Ook Mae ervaart de oneindigheid van de dingen: “Aan de overkant van de zilverkleurige baai zag ze een paar vogels, blauwe of zilverreigers, laag naar het noorden glijden en zo zat ze een tijdje voor zich uit te dromen. Misschien huisden onder haar wel vossen, verscholen zich krabben onder de stenen op het strand, reden boven haar hoofd mensen in auto’s voorbij; ze dacht aan de mannen en vrouwen in de sleepboten en tankers, die de haven in- en uitvoeren, zuchtend – iedereen had alles al gezien. Ze kon er alleen maar naar raden, naar wat zoal leefde in het diepe water om haar heen, doelbewust voortbewegend of doelloos ronddrijvend, maar ze dacht nergens erg lang over na. Het was genoeg om zich van de miljoenen mogelijke permutaties om zich heen bewust te zijn en troost te putten uit de wetenschap dat ze nooit veel zou, en eigenlijk ook niet kon, weten” (247). Hier blijkt dat de oneindigheid van mensen en dingen helemaal niet beschermt hoeft te worden tegen de overbelichting van de transparantie zoals Mercer denkt (net als filosofen zoals Heidegger overigens), dat dit oneindige klaar aan de dag ligt en onopgemerkt blijft om soms, plotseling en zonder ons toedoen op te duiken.

Het is zelfs niet zo dat de existentiële ervaring van dit oneindige een breuk met de meetbaarheid van de informatiemaatschappij inluidt, zo laat het voorbeeld van Mae zien. Mae ervaart het oneindige van mensen en dingen als “die zwarte snee, die luide scheur die ze een paar keer per week in haar binnenste voelde” (181). “Toen ze ongeveer op de achtste site was, merkte ze dat de scheur in haar binnenste zich weer opende. … De scheur werd steeds groter en opende een peilloze duisternis die zich in hoog tempo onder haar uitspreidde” (301). Filosofen zoals Adorno hoopten altijd dat de existentiële ervaring van het oneindige – de ervaring van miljoenen mogelijke permutaties om je heen, de peilloze duisternis in je binnenste – je doet herinneren dat de meetbaarheid wordt omkranst en doorkruist door het oneindige dat niet onder control te krijgen is. Ze hoopten dat deze ervaring zou leiden tot de acceptatie van dit oneindige en daarmee tot een breuk met onze tendens om alles te meten ten gunste van de volledige transparantie van de informatiemaatschappij. Maar het voorbeeld van Mae laat juist zien dat de ervaring van het oneindige helemaal niet leidt tot een change of heart. Als ze namelijk inziet dat de scheur in haar binnenste niet-weten betreft, zegt ze: “Het niet-weten was de oorzaak van alle gekte, eenzaamheid, achterdocht en angst. Maar daar was iets aan te doen. Transparantie had haar voor de hele wereld kenbaar gemaakt, had een beter mens van haar gemaakt, haar naar ze hoopte dichter bij de perfectie gebracht. Nu zou de rest van de wereld volgen. Volledige transparantie zou voor volledige toegankelijkheid zorgen, en dan zou er geen niet-weten meer zijn. Mae glimlachte bij de gedachte dat het allemaal zo eenvoudig was, zo zuiver” (422).

Enerzijds maakt het voorbeeld van Mercer duidelijk dat het oneindige van de dingen er helemaal niet om vraagt om beschermd te worden tegen de overbelichting van de transparantie. Anderzijds maakt het voorbeeld van Mae duidelijk dat de ervaring van de oneindigheid van de dingen helemaal geen grens stelt aan de meetbaarheid van de informatiemaatschappij, laat staan een change of heart inluidt. Het boek maakt op beklemmende wijze duidelijk dat er geen enkele aanleiding te vinden is om de cirkel van de transparantie te doorbreken, alleen misschien voor de geboren overtreder [1].

[1] Zie mijn blog “De crack in everything (Leonard Cohen) en de geboren overtreder (Tommy Wieringa)” van 20 augustus 2014.

De crack in everything (Leonard Cohen) en de geboren overtreder (Tommy Wieringa)

Er schuilt iets ontegenzeggelijk positiefs in Leonard Cohen’s vers over de barst of scheur in alle dingen: There is a crack in everything/ that’s how the light gets in (Anthem). Eerst dacht ik dat de crack de scheur of kloof tussen mij en de wereld betrof, de afgrond waarin al mijn pogingen om de wereld te bereiken neer zouden storten en verzwolgen zouden worden.[1] Cohen is echter iets op het spoor dat we met Heidegger de on-verborgenheid van de dingen zouden kunnen noemen. Enerzijds is die kloof of scheur de openheid tussen mensen en dingen waarin het licht de wereld verlicht en zichtbaar voor ons maakt. Anderzijds roept Cohen’s lied deze openheid in herinnering, dat wil zeggen dat ze normaal gesproken vergeten en verborgen blijft in ons leven en handelen in dit perfecte licht. Cohen roept de crack in everything in herinnering: Ring the bells that still can ring/ forget your perfect offering/there is a crack in everything … Een belangrijk verschil met Heidegger is dat deze verborgen en licht toelatende openheid volgens Cohen van de dingen zelf is en niet van Zijn, en dat ze het eigenste van mensen en dingen uitmaakt. De vraag is: hoe verhoud ik mij tot die licht toelatende openheid, als ze niet alleen het eigenste van de dingen betreft maar evengoed van mijzelf?

In Dit zijn de namen van Tommy Wieringa is eveneens sprake van een crack in everything. Pontus Beg is politiecommissaris in een afgelegen grensstad in onherbergzaam gebied, ergens in het Oosten. Het is zijn voornaamste taak om rust en orde in de stad te bewaken. Volgens Pontus is “het leven van de mens tussen hemel en aarde als een lichtstraal die door een opening in de muur valt: een ogenblik en het is voorbij. … Stromend en barstend komt alles tevoorschijn; glijdend en vloeiend gaat alles weer naar binnen. Een verandering en hij leeft; nog een verandering en hij is dood”. (199). Volgens Pontus is het dus niet alleen zo dat een opening in de muur het licht toelaat, maar wordt het leven van de mens met die lichtstraal in verband gebracht. Hoe verhoudt het licht van het leven zich tot de crack in everything?

In eerste instantie denkt Pontus dat het licht van het leven met orde in verband moet worden gebracht, een orde die moet worden gehandhaafd tegenover de oprukkende chaos: “’Houd duim en wijsvinger zo dat er nauwelijks meer licht tussendoor valt, dan weet je hoe dichtbij de chaos is’, had hij tegen zijn mensen gezegd. Zij waren er juist om dat beetje licht, dat minuscule kiertje, te bewaken – zo goed en zo kwaad als dat ging” (209). De taak van het politieapparaat is om het licht van orde en rust te garanderen en het recht van de mens op een “ongestoord leven in het midden” te verdedigen (156). In deze eerste lezing laat de crack in everything het licht niet alleen toe maar dreigt het dit licht ook continu op te slokken. De ondergang van dit ordelijke licht wordt verhoed door wetgeving en door wetshandhavers zoals Pontus Beg.

Langzaamaan komt hij echter tot het inzicht dat het ordelijke licht helemaal niet wordt bedreigd door een barst of scheur, maar pas opkomt als een ander licht is gedoofd, namelijk het licht van het verlangen dat de orde bedreigt. In Dit zijn de namen vinden we twee voorbeelden van manieren waarop het licht van de orde wordt bedreigd; enerzijds door Pontus’ verlangen naar een vernieuwing van zijn ziel als hij zich zijn verborgen Joodse identiteit herinnert, en anderzijds door een groep vluchtelingen die over de steppe trekt om het beloofde land – de stad waarin Pontus Beg orde en rust moet zien te handhaven – te bereiken: “Als blinden tastten de reizigers met duizenden tegelijk de muren af, op zoek naar zwakke plekken, een bres, een gaatje waar ze doorheen konden glippen. Een golf van mensen spoelden tegen die muren aan, het was onmogelijk om ze allemaal tegen te houden.  Ze kwamen met ontelbaren en ieder van hen leefde in de hoop en verwachting dat hij bij de gelukkigen hoorde die de overkant zouden bereiken” (104). De crack in everything is hier het gat in elke omgrenzing van de orde, die het licht van het verlangen doet ontbranden en gaande houdt. Het ordelijke licht wordt dus niet primair bedreigd door een barst of scheur die zich continu weer dreigt te sluiten, maar door het licht van het verlangen dat wordt aangewakkerd door de crack in everything.

Dit zijn de namen maakt duidelijk dat het licht van het verlangen bestaat in de overtreding van de wetten en regels die de heersende orde uitmaken: “Wie identiteitspapieren had, bezat die nu niet meer. Nacer Gül had gezegd dat ze ze moesten verscheuren. Het was beter om zonder identiteit te arriveren in het land van aankomst. Een mens zonder naam en afkomst verwart het protocol. Procedures lopen vast, de kans dat je kunt blijven neemt toe. Dus vernietigden ze de papieren die ze met zoveel moeite hadden verkregen. Alles was onvast nu… Nu zijn ze  niemand meer” (103). De verlangende is de “geboren overtreder”  (232) van wet- en regelgeving en dankzij die overtreding ervaart hij voor een moment het grenzeloze niemandsland waarin grenzen worden getrokken en ondermijnd, de crack in everything die normaal gesproken vergeten blijft in het licht van de orde.

De crack in everything betreft echter niet alleen een geografische grens of omheining in het niemandsland, maar huist evengoed in het hart van de verlangende, in (n)iemand; Pontus Beg spreekt over een leegte in de mens, een scheuring in onze eigen naam of identiteit die het licht van het verlangen doet ontvlammen. Dit licht van het verlangen mondt echter niet meer uit in een nieuwe  identiteit, in een nieuwe orde. Enerzijds blijkt elke nieuwe begrenzing illusoir in het licht van het grenzeloze niemandsland, de crack in everything: “Toen ze de rand van de stad bereikten en begrepen waar ze waren, begon de stroper te huilen. Hij kon niet ophouden. De vrouw kon zijn verdriet niet aanzien, ook over haar wangen biggelden dikke tranen. Het leek een besmettelijke ziekte, ze staken elkaar aan, ze huilden nu allemaal, hun tranen bleven stromen. Alles was voor niets geweest. Alles. Ze waren de woestenij overgestoken naar een nieuw land, om daar te ontdekken dat er geen nieuw land was, alleen de nachtmerrie van een eeuwige wederkeer” (236). Anderzijds blijft dit niemandsland in alle dingen vergeten in onze ijver voor een nieuwe begrenzing van de orde. De verlangende is daarentegen een geboren overtreder, dat wil zeggen dat hij niet langer begaan is met het trekken van nieuwe grenzen rond zijn identiteit, maar met de “grenzeloze verbeelding van de overtreding” (232).

Daarmee krijgen we antwoord op de vraag hoe ik mij moet verhouden tot de crack in everything die mijn eigenste uitmaakt. De openheid is het gat in de omgrenzing van mijn identiteit, die mijn verlangen om het eigenste van mijzelf en de dingen te bereiken doet ontvlammen. Dit verlangen wordt niet verzwolgen in de confrontatie met deze openheid, maar de grenzeloze verbeelding van de overtreding van de omgrenzing van mijn identiteit geeft op indirecte wijze pas toegang tot dit eigenste. En laat er geen misverstand over bestaan dat deze grenzeloze verbeelding op een of andere manier mens- of vredelievend zou zijn. Het voorbeeld van de grenzeloze verbeelding in Dit zijn de namen is de nabootsing van een grens door mensenhandelaren, die het mogelijk maakt geld te innen zonder daarbij enig risico te lopen. Voor een meer filosofische variant kunnen we denken aan het boek Dit zijn de namen zelf, namelijk als supplementaire kopie[2] van het tweede bijbelboek Exodus, waarvan de eerste regel luidt: Dit zijn de namen van de zonen van Israel…

[1] Zie mijn blog “John Coetzee’s ‘The Childhood of Jesus’ or How to Escape the World” van 1 Augustus 2013

[2] Zie mijn blok ”De dubbelganger van Stefan Hertmans” van 25 mei 2014