Tag Archives: identiteit

Het carnaval van alternatieve feiten, of Johnathan Franzens boek Purity

Soms heeft een roman een kerngedachte die leidend is voor alle personages die in het boek voorkomen. Zij getuigen van verschillende manieren om die kerngedachte gestalte te geven, er in op te gaan of juist tegen in te gaan. Ze resulteert in de verschillende levenswijzen en levenshoudingen van de personages die het boek bevolken. Een recent voorbeeld daarvan is de roman Zuiverheid van Jonathan Franzen.

De kerngedachte staat in het midden van het boek. Daar spreekt Franzen over de twee geboden om geheimen enerzijds te bewaren en anderzijds openbaar te maken: “Hoe weet je dat je iemand bent, iemand die zich onderscheidt van andere mensen? Door bepaalde dingen voor jezelf te houden. Die bewaak je in jezelf, want als je dat niet doet, is er geen onderscheid tussen binnen en buiten” (303). Geheimen constitueren het onderscheid tussen mijn en dijn. Die zijn noodzakelijk omdat we niet zouden kunnen ervaren zonder onderscheid tussen binnen en buiten. En als je niet kunt ervaren, dan ben je dood. Geheimen zijn dus noodzakelijke voorwaarde voor het leven en alle personages in het boek, afgezien van de hoofdpersoon Purity zelf misschien, leven dan ook van geheimen.

Franzen vervolgt de kerngedachte van het boek als volgt: “Door geheimen te hebben weet je dat er zoiets als een binnenwereld bestaat. Een radicale exhibitionist is iemand die zijn persoonlijkheid heeft verbeurd” (303). De mens die wordt geconstitueerd door geheimen staat tegenover de mens als exhibitionist. Dat is dus iedereen in onze tijd van sociale media; iedereen geeft zich te kennen in zijn of haar zucht tot openbaarheid, variërend van de pijnloze opgave van elke vorm van privacy die alleen nog vanuit de politieke achterhoede wordt bestreden, tot de roep om elke afwijking of elke eigengereidheid toegankelijk te maken in de publieke ruimte, variërend van man-bijt-hond achtige programma’s over zonderlinge figuren tot de volledige transparantie en verantwoordelijkheid die wordt geëist van publieke figuren.

Lees dit niet als oproep tot een verborgen bestaan, zoals de moeder van hoofdpersoon Purity probeert. Dat loopt faliekant mis, zoals het boek op onnavolgbaar mooie wijze laat zien. Uiteindelijk komt dit omdat “een identiteit in een vacuüm ook betekenisloos is. Vroeg of laat heeft je binnenwereld behoefte aan een getuige. Anders ben je gewoon een koe, een kat, een steen, zomaar een ding, gevangen in je ding-zijn. Om een identiteit te kunnen hebben, moet je geloven dat andere identiteiten op eenzelfde manier bestaan. Een mens heeft intimiteit met andere mensen nodig. En hoe ontstaat intimiteit? Door het delen van geheimen” (303).

Uiteindelijk komt Franzen tot de conclusie dat “je identiteit bestaat op het snijpunt van die vertrouwenslijnen” (303). Hoe ziet die mens eruit die tegelijkertijd onthult en verhult? Normaal gesproken zijn we geneigd om dergelijke figuren in verband te brengen met maskerade en carnaval. Die houding is vandaag de dag alleen gedegenereerd tot de presentatie van alternatieve feiten en nepnieuws (vgl. het falen van de krant The Complicator in het boek). Ik kom niet verder dan de houding van de dubbelganger die zich verhult achter zijn praatjes en zijn gedrag niettemin laat leiden door de kerngedachte van Franzens boek. Die figuur komt echter gek genoeg niet voor in Zuiverheid.

De aangeboren onervarenheid van de verdeelde mens (Dostojewski – De Idioot)

De Idioot van Dostojewski (1869) en De Cirkel van Dave Eggers (2013) markeren het begin en het einde van een tijdperk. In De Idioot karakteriseert Dostojewski de post-moderne mens door hem af te zetten tegen voorgaande generaties: “Toen waren de mensen als het ware allemaal bezeten van één idee, maar nu zijn ze nerveuzer, meer ontwikkeld, gevoeliger, als bezeten door twee of drie ideeën tegelijk… de mens van nu is veelzijdiger en heus, dat belet hem om zo’n mens uit één stuk te zijn als in die eeuwen” daarvoor (641). Prins Mysjkin, de hoofdpersoon en idioot uit het verhaal, is het voorbeeld van dit nieuwe type mens die door twee ideeën wordt bezeten. In het begin van het verhaal is de prins net teruggekeerd in Rusland na een lang verblijf in een Zwitsers Sanatorium, waar hij behandeld werd vanwege hevige aanvallen van epilepsie. Al gauw ontmoet hij twee vrouwen – Aglája Jepántsjina en Natásja Filíppovna – waar hij hevig maar lange tijd stilzwijgend verliefd op wordt.

Aan de ene kant vertegenwoordigen de twee vrouwen twee ideeën die de prins beheersen en zo zijn verdeelde identiteit uitmaken. Aan de andere kant vertegenwoordigen de vrouwen zelf twee uiterste verhoudingswijzen van de verdeelde mens. Ook Aglàja Jepàntsjina en Natásja Filíppovna worden namelijk bezeten door twee of meer ideeën. Aglàja’s houding is wispelturig te noemen; op het ene moment betuigt ze namelijk haar liefde voor de prins en op het andere moment drijft ze de spot met hem en wendt ze zich tot een ander. Daarmee getuigt Aglàja van een heel specifieke coping strategy om met haar verdeeldheid af te rekenen, namelijk het continu overspringen van de ene naar het andere idee dat haar identiteit uitmaakt. Natàsja Filìppovna daarentegen ontwikkelt een tegenovergestelde strategie: “er openbaarde zich in haar een soort barbaarse neiging om twee verschillende smaken door elkaar te klutsen” (171). Haar coping strategy bestaat juist in de versmelting van ideeën, zoals bijvoorbeeld deugd en ondeugd, god en duivel etc. De twee verhoudingswijzen geven het maximum en het minimum aan van het tijdperk dat door De Idioot wordt geopend.

En toch laat Prins Mysjkin een derde weg zien omdat het “een dekselse toer is om tegen die dubbele gedachten in te vechten” (384). In tegenstelling tot de twee vrouwen ervaart de prins dat de verdeelde identiteit van de mens tussen verschillende ideeën niet tot een eenheid kan worden teruggebracht. De ervaring van de prins is namelijk dat elk idee een vreemd beginsel blijft ten opzichte van de andere ideeën die zijn identiteit uitmaken, en daardoor nooit eigen kan worden gemaakt door de verdeelde mens. De prins ervaart vreemd te staan ten opzichte van dergelijke ideeën, weliswaar toegang daartoe zoekend maar tegelijkertijd in het besef altijd uitgesloten te blijven daarvan. De natuurlijke dingen hebben hier geen last van. Vogels, bloemen en zelfs grassprietjes kennen hun plaats in de gang van dag en nacht en zijn daar gelukkig mee, aldus de prins: “Alle dingen volgden hun weg en allen kenden hun weg, gingen met een lied heen en kwamen met een lied, alleen hij wist niets, begreep niets, de mensen, noch de klanken in de wereld, niets, alles was hem vreemd en hij was bij alles uitgeschakeld” (521-522). Enerzijds belet de vreemdheid van de ideeën de prins om wispelturig te zijn tussen ideeën of ideeën te versmelten zoals de twee vrouwen. Anderzijds kan hij die vreemdheid van de ideeën pas ervaren dankzij zijn verdeeldheid tussen twee of meerdere ideeën.

De ervaring van vreemdheid wordt niet opgedaan door over en weer te gaan tussen de ideeën. Dan zouden de ideeën hun vreemdheid alweer hebben verloren. De idiotie van de prins bestaat daarentegen in een “aangeboren onervarenheid” (709) met de ideeën die hem in staat stelt zijn verdeeldheid tussen immer vreemd blijvende ideeën te ervaren. De post-moderne mens wordt dus niet alleen gekenmerkt door zijn verdeelde identiteit tussen twee of meerdere vreemde ideeën, want die vreemdheid wordt alleen ervaren dankzij zijn aangeboren onervarenheid.

Dave Eggers roman De Cirkel markeert het einde van het tijdperk dat met Dostojewski’s karakterisering van de idioot geopend is. Enerzijds kan zijn karakterisering van de verdeelde identiteit van de mens helpen om de zin van de existentiële ervaring van het oneindige van mensen en dingen, die Eggers als een scheur of snee in ons binnenste beschrijft, te begrijpen (zie mijn blog van 13 september 2014). Anderzijds is het juist deze verdeelde identiteit van de post-moderne mens die wordt afgesloten en opgeheven door De Cirkel. Het ideaal van De Cirkel is namelijk dat we weer bezeten worden door èèn enkel idee, en wel het idee van ons ware zelf: “Om de tools van de Cirkel te mogen gebruiken … moest je jezelf zijn, je ware zelf, je TruYou. Het tijdperk van valse identiteiten, identiteitsdiefstal, meerdere gebruikersnamen, ingewikkelde wachtwoorden en betalingssystemen was voorbij” (25). In tegenstelling tot de verdeelde mens is de circulaire mens bezeten van het ideaal een mens uit één stuk te zijn – “ons beste ik” (266) – en in de ban van het idee om elke verdeeldheid op te heffen.

Wat Eggers niet kan bevroeden is dat De Cirkel dit ideaal realiseert en perfectioneert door heen en weer te slingeren tussen de coping strategies van Aglája Jepántsjina en Natásja Filíppovna. De vraag blijft staan of de criticasters van De Cirkel een beter lot beschoren zouden zijn als ze de derde weg van Prins Mysjkin zouden kiezen. De enige toetssteen voor die vraag is onze eigen aangeboren onervarenheid.

 

De dubbelganger van Stefan Hertmans

Het woord “dubbelganger” is ongetwijfeld het kernwoord van Stefan Hertmans recente roman “Oorlog en Terpentijn”. Niet alleen in de zin dat Hertmans de dagboeken van zijn grootvader kopieert in zijn roman en zo diens dubbelganger wordt. Ook zijn grootvader zelf is een dubbelganger, want kopieert beroemde schilderijen en trouwt met de zuster – i.e. de dubbelganger – van zijn grote liefde.

Het boek getuigt ook van een hele specifieke opvatting van de dubbelganger. Volgens Hertmans kan het singuliere van een mens of kunstwerk niet terugkeren in een kopie (298) en tast de verdubbeling de identiteit van het origineel zelfs aan (277). Passen we deze opvatting van de dubbelganger toe op “Oorlog en Terpentijn” zelf, dan toont Hertmans zich de moordenaar van zijn grootvader in de totale openbaring en beschrijving van diens leven. Die totale openbaarheid verklaart ook de populariteit van het boek bij het volk.

Gelukkig heeft Hertmans ongelijk en geeft de dubbelganger in tegendeel juist pas toegang tot de identiteit van het origineel. De dubbelganger is namelijk geen exacte kopie maar vormt een supplement dat constitutief is voor onze ervaring van het origineel. Dit maakt de discussie of Hertmans het dagboek van zijn grootvader daadwerkelijk heeft ´gekopieerd´ ook zo urgent. Alleen in de poging tot een zuivere, dat wil zeggen niet supplementaire kopie van de uitgetikte dagboeken raakt zijn grootvader verstikt en wordt hij omgebracht ten gunste van zijn totale openbaring in het boek. Een supplementaire kopie, dat wil zeggen een wezenlijk bewerking van de dagboeken zou daarentegen toegang kunnen geven tot de singulariteit van zijn grootvader. Deze singulariteit blijkt alleen wezenlijk open te zijn voor nieuwe dubbelgangers en kan door geen kopie definitief worden gevangen.

In de loop van het boek ziet Hertmans dit ook zelf in. Als hij de gangen van zijn grootvader nagaat, dan treft hem dat niets herinnert aan het verleden: “Ik rijd naar … de plaatsen waar hij heeft gemarcheerd, gebivakkeerd, gevochten, gegraven, geslapen, gelopen voor zijn leven: eenzelfde volstrekte vergetelheid, banale en dierbare vrede, wees gegroet. … Ik keer met lege handen terug, kan zelfs een greep van het kille, vervuilde zand van een bospad niet ervaren als een vorm van contact met wat hier ooit gebeurde. … Vlaanderen anno 2012. Niets. Absoluut niets. Betekenisloos en veilig, godzijdank dan maar” (293-294). Hier ervaart Hertmans zelf dat zijn kopie supplementair moet zijn, wil het de ervaring van zijn grootvader re-animeren in dit boek. Vanaf dat moment lijkt hij ook de gekopieerde schilderijen van zijn grootvader anders te waarderen en merkt hij op dat een “originele gloed” kan schuilen in een kopie (305). “Oorlog en terpentijn” getuigt in die zin van de transitie van Hertmans waardering voor het origineel naar zijn waardering voor de kopie.

Toch is begrijpelijk waarom Hertmans in interviews in het middel laat of zijn kopie van de dagboeken supplementair is of niet. Niet zozeer omdat hij vermoedt dat zijn kopie van de dagboeken de identiteit van zijn grootvader hebben aangetast. Zoals de identiteit van zijn grootvader zich alleen kan tonen in een supplementaire roman, zo kan ook de identiteit van Hertmans als diens dubbelganger zich alleen tonen in een supplementaire reactie op zijn roman. En in onze tijd, waarin de originaliteit en creativiteit van schrijvers hoogtij lijkt te vieren en de na-bootsing of na-voltrekking van een ander leven als tweederangs wordt afgeserveerd, lijkt juist daartoe niemand meer in staat. Dan doet men er beter het zwijgen toe.

Het mes in Utopia (Patrick Ness, Het mes dat niet wijkt)

In “Het mes dat niet wijkt” schetst Patrick Ness een mogelijke wereld (Utopia) waarin de huidige informatiemaatschappij tot het uiterste is gedreven; iedere gedachte wordt met iedereen gedeeld en vormt een “herrie” van beelden en geluiden waarin elke “stilte” is uitgebannen en vernietigd. Dat alle gedachten met elkaar worden gedeeld wil niet zeggen dat iedereen transparant is voor elkaar: “Dus wat je niet mag vergeten, wat het alderbelangrijkste is van alles wat ik zeg in deze vertelderij is dat herrie niet waar is, herrie is wat mannen graag willen dat waar is, en het verschil tussen die twee dingen is zo groot dat het wel es je dood kan wezen als je niet uitkijkt” (31). Hoewel iedere gedachte en elk gevoel transparant is en door anderen waargenomen kan worden, kunnen deze gedachten verdraaid en verstopt worden onder andere gedachten. De tragiek van Todd, de hoofdpersoon van het boek, is dat hij zichzelf volledig onthult in zijn herrie maar dat de wereld zich juist verhult onder dikke lagen ruis, informatie, noise.

Todd ervaart dat zijn identiteit verloren dreigt te gaan in de herrie en tot chaos zal vervallen. Hij declameert daarom telkens opnieuw zijn naam en probeert zich aan de herrie te onttrekken door de stilte op te zoeken. Aangezien de stilte – gepersonifieerd door het meisje Viola – voortdurend overwoekerd en vernietigd dreigt te worden door de herrie slaan Todd en Viola op de vlucht voor de hoeders van de informatiemaatschappij. Wat is de zin van “het mes dat niet wijkt” op deze vlucht? Niet zozeer het morele dilemma of je een ander – ook al is het iemand die jou of je geliefde belaagt – mag doden zoals de auteur zelf denkt. Het boek spreekt in dat opzicht boekdelen. Todd wil de loop van de geschiedenis veranderen: “Als je niks verandert, verandert d’r ook niks” (118). Voor hem is het mes in staat die verandering te brengen: “Maar een mes is niet gewoon een ding, toch? Het is een keus, het is iets wat je dóét. Een mes zegt ja of nee, steken of niet steken, sterven of niet sterven. Een mes neemt je een besluit uit handen en stuurt het de wereld in en het komt nooit meer terug” (91). Dat wil niet zeggen dat wij het subject van die verandering zijn. Niet zozeer wij maar eerder het mes zelf blijkt hier beslissend te zijn: “Het roept me… ja, zegt het mes… Ja. Pak me, Neem de macht in je hand…” (462). De zin van het mes is dat het een barst slaat en een kloof aanbrengt tussen herrie en stilte.

De scheiding die het mes aanbrengt is echter geen “uitscheiding” van de herrie ten gunste van de stilte, zoals de hoeders van de informatiemaatschappij de stilte uitbannen ten gunste van de herrie (dat doet het mes dat doodt!). In tegenstelling tot het mes dat doodt zwicht “het mes dat niet wijkt” niet voor herrie enerzijds of stilte anderzijds. Todd ervaart namelijk dat niet alleen de herrie maar ook de stilte zijn identiteit dreigt op te slokken. “Het mes dat niet wijkt” scheidt zo tussen herrie en stilte, dat de herrie niet vernietigd wordt ten gunste van de stilte of andersom; het opent de stilte als het omgevende van de herrie (Het ongelezen dagboek van Todd’s moeder is een concreet voorbeeld van een stilte die de herrie omgeeft), een u-topie waarin ‘wat waar is en wat mannen waar willen hebben’ niet langer met elkaar samenvallen. Dankzij deze scheiding wordt de loop van de geschiedenis pas veranderd, wordt geschiedenis überhaupt pas op de been gebracht in de wereld van de herrie. Wat “het mes dat niet wijkt” niet meer bedenken kan is dat de stilte zelf als het wijkende moet worden gedacht.