Tag Archives: in ongenade

Tegen het bekentenis fetishisme (John Coetzee, In ongenade)

In ongenade gaat over David Lurie, een in ongenade gevallen universitair docent in de Engelse taal- en letterkunde omdat hij zich vergrepen heeft aan een veel te jonge studente. Mij intrigeert vooral zijn beroep op het recht te zwijgen in dit boek. Dat komt niet zozeer omdat we ons inmiddels bewust zijn van de grootschaligheid van de aanklacht van de #me too beweging, maar vanwege het volstrekte exhibitionisme waarmee al het private vandaag de dag de publieke ruimte in wordt geslingerd en niemand meer het recht lijkt te willen hebben om te zwijgen.

            Natuurlijk, Lurie weet dondersgoed dat hij fout zit als hij het meisje verleidt. Ook bekent hij volledige schuld zodra hij wordt aangeklaagd door een onderzoekscommissie. Maar hij neemt liever ontslag dan dat hij moet opbiechten wat zijn beweegredenen waren en spijt te betuigen. Als lezer krijgen wij die beweegredenen wel te lezen. Zo zegt hij dienaar van eros te zijn en gaat hij niet akkoord met het idee dat begeerte iets slechts is omdat dat zijn aard zou ontkennen (geen zorg, in het boek treden voldoende personages op die tegen dit soort gedachten ageren). Net zo lezen we over zijn beweegredenen om geen berouw te tonen. Zo zegt hij dat berouw de wandaad niet kan goedmaken en dat werk voor de gemeenschap niet in staat is de verstoorde balans van de samenleving te herstellen; het getuigt alleen maar van zuiveringsacties in plaats van een daadwerkelijke reiniging van de zonden. Het feit dat wij over al deze beweegredenen en motieven lezen in het boek laat zien dat zijn beroep op het recht te zwijgen niet om dit soort beweegredenen draait. Hij beroept zich op het recht te zwijgen omdat de mens in wezen ontoegankelijk is voor zichzelf en voor de ander. Hij zoekt weliswaar naar wegen zichzelf uit te spreken en niet langer een personage te zijn in het verhaal van een ander, maar wordt daardoor niet toegankelijker voor zichzelf. Die ontoegankelijkheid en vreemdheid blijkt overal in het boek, bijvoorbeeld in de passiviteit van de studente die hij verleidde, in het zwijgen van zijn dochter na haar verkrachting, en in de stomheid van de honden die hij helpt euthanaseren.

In de post-moderne filosofie is het heel populair je op de singulariteit van het bestaan te beroepen die het uiteindelijk onmogelijk maakt toegang te hebben tot jezelf of tot de ander. Wat In ongenade enerzijds laat zien is de schaduwzijde van dit inzicht, want betekent de erkenning van die ontoegankelijkheid niet dat het onmogelijk is je te engageren met welke publieke uitwisseling dan ook? Wat rest is de aanvaarding van de schande als het lot dat je te dragen hebt. Lurie zegt tegen de vader van het meisje: “Ik ben in een staat van ongenade gevallen waaruit ik mezelf niet gemakkelijk zal kunnen oprichten. Het is niet een straf die ik heb geweigerd. Ik klaag er niet over. Integendeel, ik onderga hem dag na dag en probeer die schande als mijn lot te aanvaarden” (149). Lurie draagt zijn schande niet door zich uit te spreken, maar door zich in zijn handelen te engagement met het aller onaanzienlijkste dat bestaat, onaanzienlijker dan de mens zelfs, in zijn geval de zorg voor dode honden. Wat In ongenade anderzijds laat zien is hoe ver onze maatschappij verwijderd is van het recht om te zwijgen. In plaats van het ondergaan van de  schande wordt gedweept met het exhibitionisme van onze beweegredenen, motieven en verklaringen die uiteindelijk beogen om de ongenade te keren, verzachten en uiteindelijk goed te maken – denk aan het bekentenis fetishisme dat ons in documentaires en talkshows tegemoet treedt – in plaats van die te doorstaan in ons feitelijke leven.