Tag Archives: jesus carrasco

Diep weggezonken in de hoogten van de vruchtbare aarde (Jesús Carrasco, De grond onder onze voeten)

Eva Holman, echtgenote van een hoge militair die mede verantwoordelijk is voor de gewelddadige kolonisatie van Zuidelijk Spanje door een vreemde mogendheid, wordt opgepakt door het regime omdat ze een inlander voedt, beschermt en verzorgt. Zij wordt verteerd door schuldgevoel omdat zij haar gerieflijke huis heeft gevestigd op het bloed van mannen en vrouwen zoals hij: “Ik draag de schuld van het feit dat ik me heb laten misleiden mijn leven te bouwen op een moeras. En toch, hoewel ik nooit zal kunnen doen wat hij heeft gedaan, terugkeren naar de enige echt oorsprong, kies ik deze plek uit als mijn plek en claim ik voor mezelf het recht op het stof en de wormen en op alles wat er verder nog is om te mogen wegrotten” (232). De man had zich vele omzwervingen lang in leven weten te houden en was nu teruggekeerd naar zijn geboortegrond om herenigd te worden met gestorven vrienden en familie, om weer een te zijn met de aarde die hem heeft voortgebracht. Door hem te verzorgen neemt Eva de last van het werk van zijn schouders en kan hij één worden met de aarde, overleven als zoon van de aarde. Zij leert van de man dat ook zij, hoezeer ze ook leeft op vreemde bodem, “diep weggezonken [is] in de hoogten van de vruchtbare aarde” (176).

Advertisements

‘Het maakt me niet uit of je gevlucht bent of verdwaald’ (Jesús Carrasco, De Vlucht)

Wat een schitterend geschreven en overdonderend boek is Jesús Carrasco’s De Vlucht, over een jongen die het geweld in zijn dorp ontvlucht, contact legt met de weerbarstigheid van de aarde en tijdens zijn omzwervingen vriendschap sluit met een geitenhoeder in open veld. De filosofische relevantie van het boek is dat het aanleiding geeft tot de gedachte dat het omzwervend bestaan in de technologisch gestructureerde wereld nog verankerd is in een vlucht voor die techniek. Waarvoor vlucht je eigenlijk en waar vlucht je dan naartoe? Het boek wordt gestructureerd door een oppositie tussen de ‘burgemeester’ voor wie de jongen op de vlucht is en de ‘herder’ tot wie hij zijn toevlucht neemt. Op basis van de Christelijke traditie zou je deze oppositie kunnen interpreteren als oppositie tussen de wetshandhaver die borg staat voor de toepassing van de universele wet terwijl de herder oog heeft voor de singulariteit van de jongen. Toch is dit niet het geval, want ook de vlakte waarnaar de jongen vlucht wordt door een wet gekarakteriseerd. Die wet laat “geen enkele dankbaarheid of beloning toe“ (59). Daarmee geeft de wet van de vlakte indirect een aanwijzing naar de wet die door de wetshandhaver wordt gegarandeerd en waarvoor de jongen op de vlucht is; de wet van calculatie en economie in de technologisch gestructureerde wereld. Tegelijkertijd is duidelijk dat zijn vlucht niet uitmondt in een romantische idylle, een weg terug baant naar de natuur waarin men in harmonie met de aarde leven kan. Het open veld wordt gekarakteriseerd als een van god verlaten woestenij, waarin niets dan de leegte en ledigheid van de aarde ervaarbaar wordt. Daarmee is gezegd dat de vlucht niet kan putten uit de aarde als vruchtbaar bereik van mogelijkheden – een populaire gedachte vandaag de dag, die zelf nog getuigt van de wet van dankbaarheid en beloning – maar leeft in het besef dat alleen de leegte van de aarde onze omzwervingen op de been houden. En dat is niet per se een bemoedigende gedachte.