Tag Archives: laurent binet

Over het primaat van de taal (Binet, De zevende functie van taal)

Op een gekke manier is de twintigste eeuwse filosofie bezeten door de gedachte dat taal de eigenlijke toegang tot de wereld verzorgt en belemmert, variërend van continentale filosofen zoals Heidegger tot analytische filosofen zoals Searle en post-moderne filosofen zoals Derrida. Op grandioze manier komt het primaat van de taal ter sprake in De zevende functie van taal van Laurent Binet. Daarin gaat het om een intellectuele whodunit waarin een fictieve moord op Roland Barthes met behulp van alle bekende Franse en Amerikaanse filosofen van de twintigste eeuw wordt onderzocht en opgelost.

Barthes ziet dat de taal geen communicatie-instrument is maar de betekenis van de wereld sticht. We herkennen dit inzicht als we een goede roman voor de geest halen waarin de vanzelfsprekende betekenis van de bestaande wereld ter discussie wordt gesteld – ik denk onwillekeurig aan Elementaire Deeltjes van Houllebecq – of een nieuwe wereld wordt gesticht waarmee ik nog niet vertrouwd was – ik denk onwillekeurig aan De vlucht van Carrasco. Hoe ontegenzeggelijk de performatieve functie van de taal ook is die de wereld sticht, en hoezeer de kwaliteit van een roman ook kan worden afgemeten aan haar performatieve functie, ook de dingen zelf hebben dit vermogen, zoals een boom of steen, of zelfs artefacten zoals een stoplicht of tablet. Denk bijvoorbeeld aan Vonne van der Meer’s Take 7, waarin het de symbolische orde van de draaiende filmcamera is die niets opneemt en toch het ingedutte Spaanse dorpje op hilarische wijze uit haar sluimer wekt.

Hoewel Binet in navolging van Barthes erkent dat alles in het universum betekenis heeft, houdt hij in dit boek vast aan het primaat van de taal die betekenis sticht. Het boek kan als een gedachtenexperiment worden gelezen waarin het primaat van de taal zodanig wordt opgerekt dat alles in het universum een talige betekenis heeft; de mens zelf heeft alleen nog maar een talige identiteit en wordt een romanpersonage: “Hoe weet je dat je niet in een roman zit? Hoe weet je dat je niet in een fictieve wereld leeft? Hoe weet je dat je wérkelijk bestaat?”(389). Als iets mij weerhoudt om mee te gaan met Binet’s voorstel en vast te houden aan de gedachte dat de betekenis van het universum verdere reikt dan de talige, dan is het wel dit boek zelf. Daarin blijken de personages uiteindelijk talige constructies in een verder bloedeloos verband. Wat de 21e eeuwse filosofie nodig heeft is een revolte tegen het primaat van de taal.

 

 

Oproep tot het schrijven van infra-romans (Laurent Binet, HhhH (Himmlers hersens heten Heydrich))

Laurent Binets HhhH heet een infra-roman. Hij legt niet uit wat hij ermee bedoelt, maar komt hier later in Vrij Nederland op terug: “Mijn toegespitste definitie is: een geschiedenis verteld als een roman met alle eigenschappen en technieken van de roman – op één na: fictie”. Enerzijds is het boek een reconstructie van de aanslag op Heydrich door Tjechische partizanen tijdens de tweede wereldoorlog. Anderzijds boekstaaft het boek de zoektocht van de auteur om die reconstructie te schrijven in deze roman. Nu klinkt zo’n nieuw begrip wel mooi en vakkundig, maar wat zegt het eigenlijk over hedendaags schrijverschap?

De infra-roman beoogt verankerd te blijven in de niet fictieve werkelijkheid zoals die verwoord is in historische documenten en verslagen, zonder daarbij iets te verzinnen. Maar Binet is geen naïef realist, want hij laat op geweldige manier zien dat elk document en elk verslag doorspekt is van subjectiviteit, dat alle opgediste feiten verschillende gezichtspunten toelaten. Zijn probleem is echter dat die subjectiviteit vandaag de dag overtuigt van een postmodern nihilisme in de literatuur waarin alles verzonnen kan worden en niets nog een grens lijkt te stellen aan onze verbeelding. Dit blijkt uit een passage waarin hij zich afvraagt waar de twee aanslagplegers op Heydrich elkaar hebben ontmoet: “Dat zou ik graag weten. Ik weet nog niet of ik die ontmoeting ga ‘visualiseren’ (dat wil zeggen verzinnen!) of niet. Als ik het doe dan zal dat het definitieve bewijs zijn dat fictie nergens respect voor heeft” (116). Met andere woorden, Binet verzet zich tegen het postmoderne nihilisme dat het onderscheid tussen feit en fictie heeft gedestrueerd en zet de niet-fictieve werkelijkheid in als grens van zijn verbeelding, hoe fluïde de ‘werkelijkheid’ van die werkelijkheid in feite ook is. Natuurlijk mislukken al zijn pogingen om te bepalen wat die werkelijkheid is voorbij de indicatie dat die werkelijkheid is. Maar als we Flauberts gedachte volgen dat “we meer waard zijn door ons streven dan door wat we tot stand brengen” (197), dan leest dit boek vooral een als oproep aan de filosofie om het postmodern nihilisme te overwinnen en het niet-fictieve van de werkelijkheid opnieuw te denken en in een infra-filosofie onder te brengen, zoals het de literatuur oproept radicale pogingen te ondernemen om meer infra-romans te schrijven.