Tag Archives: literatuur

Naar een ecologische en niet-antropocentrische vorm van fictie (Jean-Paul Sartre, Walging)

Een herlezing van Sartre’s Walging kan helpen om de grondeloze verveling achter de zelf-ingenomenheid van de auto-fictie bloot te leggen. De ervaring van het boek is de volstrekte singulariteit van het naakte bestaan van mensen en dingen. Die singulariteit wordt zo radicaal genomen dat er geen enkele tijd-ruimtelijke binding is die dit bestaan verbindt tot een zinvol geheel dat we kunnen overzien. Walging is ontnuchterend, want anders dan veel hedendaagse filosofen die de zin van het menselijk bestaan in diens singulariteit zoeken en die enkelvoudigheid van zin proberen te verdedigen tegen de reductie ervan door wetenschap, techniek en gouvernement, ziet Sartre al vroeg dat het naakte bestaan weliswaar singulier is, maar volstrekt zin- en betekenisloos: “er [is] geen enkele, maar dan ook geen enkele reden om te bestaan” (157). Bezien vanuit dit gezichtspunt getuigt de alomtegenwoordigheid van de auto-fictie vandaag de dag van de leugenachtige poging zin te geven aan een leven dat zinloos en absurd is, en het ‘zelf’ juist verhult in haar zelfingenomen pogingen zichzelf in een zinvol verband te plaatsen.

Ik wil de vraag of het menselijk bestaan zinvol is of niet hier in het midden laten, net als de vraag of de rol van de mens bestaat in het geven van zin aan het leven. Voor mij is Walging zo’n boek dat de vertrouwde wereld plotsklaps in een ander en ontnuchterend licht plaatst. Het laat zien dat de roman altijd een auto-fictieve en humanistische tendens heeft, voor zover het disparate ogenblikken in het leven van de hoofdpersonen in een zinvol verband plaatst. Zouden we het boek niet kunnen lezen als oproep tot het einde van de roman? Het is de vraag of de roman als literaire vorm nog een lang leven beschoren is. Als we vandaag de dag in een wereld leven van crises waarin het individu geen beslissende rol meer speelt, zoals in het geval van vroegere oorlogen en uitvindingen, maar wereldomspannende gemeenschappen, economische en ecologische processen die niet langer aan het individuele bestaan gebonden zijn noch daardoor beïnvloed worden, moeten we dan niet toewerken naar een niet-antropocentrische en ecologische vorm van fictie? Walging kan ons dan vooral in negatieve zin helpen om de vanzelfsprekendheid van de humanistische auto-fictie van de literatuur af te leren en te experimenteren met nieuwe vormen. Wat we node missen is een positieve leidraad om zo’n nieuwe vorm van literatuur gestalte te geven.

Literatuur als revolte tegen de alomtegenwoordige auto-fictie (David Foenkinos, Het geheime leven van Henri Pick).

In Het geheime leven van Henri Pick staat het schrijven en lezen van boeken centraal. Een bibliothecaris besluit een bibliotheek op te richten voor boeken die zijn afgewezen door uitgevers en levert een overvloed aan manuscripten op. Een redactrice van een bekende Franse uitgever vindt er vervolgens een meesterwerk van een volslagen onbekende auteur, en bedenkt een vernuftige marketingstrategie om zowel het boek tot een succes te maken, alsook het verhaal over de ontdekking van dit zonderlinge manuscript.

Het boek rekent af met het oppervlakkige idee dat de schrijver erkenning zoekt voor zijn werk en onsterfelijk wil worden door zijn nalatenschap, net als met het idee dat de lezer zichzelf vooral wil herkennen in de verhalen die hij of zij leest. Hoewel de bibliothecaris zijn bibliotheek voor ongepubliceerde manuscripten oprichtte als monument tegen de vergetelheid, wordt al snel duidelijk dat de bibliotheek zelf – en daarmee ook de inhoud ervan – in vergetelheid raakt zodra de bibliothecaris sterft en de belangstelling ervoor alleen maar wordt aangewakkerd door de marketing van het gevonden meesterwerk. In het schrijven en lezen gaat het om iets wezenlijk anders: “Ja, het was echt geweest. Net als al die schitterende verhalen die ze in haar duisternis creëerde. Het leven kent een diepere dimensie, met daarin verhalen die dan misschien geen verwezenlijking vinden in de realiteit, maar wel degelijk echt zijn” (240). De strijd om erkenning en herkenning verblijft nog in het domein van het reële en mist de diepere dimensie van de mogelijkheid van het leven voorbij de werkelijkheid die echt wordt in het lezen en schrijven van de roman. Zo kan het boek gelezen worden als een revolte tegen het hyper-realisme van de alomtegenwoordige autofictie in de hedendaagse literatuur.

 

Thuisloze literatuur (Manon Uphoff, Vallen is als vliegen)

In Vallen is als vliegen wordt een schrijfster door de dood van haar oudere stiefzus uit haar sluimerbestaan in de fictieve wereld van de literatuur waarin zij heer en meester is gegooid. Zij wordt door onrust bevangen zodra ze beseft dat haar verblijf in die rustieke wereld van de fictie wordt aangedreven door een verdrongen levensgeschiedenis die ze met haar zuster deelt. “Wanneer weten we wie we zijn? En doet het ertoe?” (50). Dat het doen en laten van mensen gedreven wordt door hun al dan niet verdrongen levensgeschiedenis maakt dat we nooit weten wie we zijn en de wereld altijd fictie is, terwijl de zoektocht naar de grondtoon die onze levensgeschiedenis tot de onze maakt er weldegelijk toe doet. Het boek gaat dan ook niet zozeer over een vrouw die het slachtoffer is van incest, maar over de vraag wat thuis betekent in een fictieve wereld.

De verteller daalt af in haar levensgeschiedenis en haar eerste ervaring is dat ze thuis is in een wereld die niet van haar is maar van haar vader, voordat ze ‘ik’ werd. “Echt, het is een mirakel, de dingen die we doodgewoon, saai of juist lachwekkend vinden als we kinderen zijn en onze werkelijkheid nog voor het grootste deel door anderen wordt bepaald. Die wijze, half rijpe, half onrijpe tijd dat we openstaan voor een alles omspannende wereld” (106). Maar als de wereld van de vader gespleten is in de wonderlijke wereld van kunst en literatuur waarin zij dartelt als zijn koningin enerzijds, en een wereld van terror en bezoedeling waarin de angst voor haar vader overheerst, ontstaat de vraag wat thuis betekent en ervaart ze haar eigen gespletenheid in dit gespleten thuis. Want is het thuis nu gespleten in een wereld waarin haar vader liefdevol is en een wereld waarin hij een monster is, of is het thuis een wereld waarin beide gedaanten van haar vader worden teruggevoerd tot één en hetzelfde wezen?

Haar oorspronkelijke strategie is om de orde en kalmte van het thuis te bewaren door de vader als monster te verdringen ten gunste van de liefdevolle vader. “Wanneer onze werkelijkheid haaks staat op ons verlangen en onze hoop, beschikken we over verschillende strategieën. Naast selectief waarnemen kunnen we ook onze eerdere overtuigingen veranderen. Onbewust doen we hierbij vaak wat een advocaat beroepsmatig doet: bewijs verzamelen en dit zo presenteren dat het zo goed mogelijk de gewenste kant van de zaak ondersteunt. Een geconstrueerde en selectieve versie van de feiten die ons de beste overlap met de verlangde werkelijkheid biedt. In feite herschrijven we de geschiedenis” (157). Maar zodra de onrust haar bevangt door de dood van haar zus begint ze aan dit verhaal om die verdrongen geschiedenis, die tot nu haar bestemming alleen op negatieve wijze stuurde, tot zich toe te laten. Haar nieuwe strategie bestaat niet in slachtofferschap maar in een woede die zich niet meer thuis weet in het sluimerbestaan in de fictieve wereld van de literatuur waar zij ooit heer en meester was, maar zich thuisloos weet en zonder oriëntatie in de wereld. Het grandioze aan dit boek is dat niet alleen over die fictieve wereld zonder oriëntatie wordt verhaalt, dan zou ze slechts een nieuw thuis voor rust en orde hebben geschapen, maar dat die woedende onrust haar fictie aandrijft en stuurt.

Hoe je ervaring mee te laten klinken (Wessel te Gussinklo, Zeer helder Licht)

Op het eerste gezicht gaat Zeer helder licht van Wessel te Gussinklo over een verlopen schrijver, een Leger des Heils figuur die valt voor een meisje van de Rotary-club, zoals hij het zelf eens formuleerde. Maar eigenlijk gaat het boek over de aard van het schrijverschap.

Het probleem van de schrijver is dat hij zich uit moet drukken in woorden die niet van hem zijn maar algemene vormen en sjablonen betreffen die de enkelvoudigheid van zijn bestaan nooit kunnen verwoorden. In tegenstelling tot het klootjesvolk, dat zich graag bedient van dergelijke sjablonen en categorieën van vergelijkbaarheid omdat ze geen enkele behoefte heeft verloren te raken in de eenzaamheid van de onvergelijkbaarheid, ervaart de schrijver de pijn van de noodzaak zijn eigenste ervaring in dergelijke gemeenplaatsen uit te drukken. “Maar wij zijn het niet echt, ergens daarachter zijn wij, amorf en vormloos, reikend naar die vormen om herkenbaar, om zichtbaar te zijn, om onze naaktheid, onze weerloosheid te bedekken. Wij scheppen onszelf, wij bekleden onszelf met al die geléénde vormen die toch het meest eigene zijn wat wij hebben; iets anders is er niet” (109). Zonder die vormen zouden we ons alleen maar onmachtig kunnen uitdrukking in geritsel, geklapwiek en gekreun, aldus te Gussinklo.

Daarmee dreigt de hoofdpersoon in een oneindige spagaat te geraken met betrekking tot de taal die hem even dierbaar is als doodongelukkig maakt. Enerzijds heft het gebruik van de taal elke vreemdheid op en maakt het alles en iedereen herkenbaar, en anderzijds snakt hij naar “bevrijding, naar verlossing, die eeuwigheid en onbeperktheid wil” (113). Een uitweg wordt gevonden in het meest voor de hand liggende, namelijk het idee dat de act van de taal niet primair bestaat in de vormgeving van het wat van de ervaring, dat inderdaad eindigt in sjablonen, maar in de uitdrukking van een wie van de ervaring die nooit gevangen kan worden in een sjabloon. Te Gussinklo articuleert dit onderscheid door een oppositie aan te brengen tussen het filosofisch schrijven dat het wat van de ervaring op het oog heeft, en het literaire schrijven dat de presentie van het wie van de ervaring articuleert. Zo makkelijk gaat dat natuurlijk niet. Enerzijds wordt het filosofisch schrijven geen recht gedaan hiermee, alsof hedendaagse filosofie nog zou bestaan in het beschrijven van een wat van welke cognitieve inhoud dan ook. Anderzijds wordt het literaire schrijven hiermee geen recht gedaan, want het wie van mijn levensverhaal is natuurlijk nooit voor mijzelf present. Misschien bedoelt te Gussinklo dat het wie van de ervaring van zich blijk geeft in de act van de benoeming van de wereld om je heen, niet voor de eerste keer, maar wel voor jou. Daarin ligt de on-mogelijkheid van de ervaring van dit wie.

En toch kunnen we iets leren over schrijverschap van te Gussinklo, want het wie van de ervaring wordt gereduceerd en vernietigd in een wat zodra we het gaan beschrijven. Het gaat er om dat het wie mee-klinkt, “het mag niet echt zichtbaar zijn want dan wordt het filosofie of psychologie, of fenomenologie voor mijn part. Ik moet de goede woorden vinden zodat het beelden blijven, gewaarwordingen in plaats van iets abstracts en theoretisch” (118). Het is maar de vraag of dit wie van de ervaring van zich blijk geeft in een gevecht om jezelf in het schrijven, zoals te Gussinklo denkt, of in de onmacht van ons geritsel, geklapwiek en gekreun waarin ons naakte bestaan van zich blijk geeft. Het is dat on-mogelijke gevecht dat meeklinkt in Zeer helder licht, dat het boek tot een grandioze leeservaring maakt.

 

 

Negatieve indicaties van een leeservaring (Vladimir Nabokov, Lolita)

Sommige romans hebben zelf niet veel om het lijf, maar geven wel een negatieve aanwijzing naar wat een leeservaring zou moeten zijn. Lolita is een voorbeeld hiervan. Het boek gaat over een volwassen literatuurwetenschapper die seksueel geobsedeerd raakt door zijn twaalfjarige stiefdochter.

In het nawoord zegt de auteur van Lolita dat een goede roman je doet beseffen verbonden te zijn “met andere bestaansvormen waarin de kunst (nieuwsgierigheid, tederheid, vriendelijkheid, vervoering) de norm is” (380). Dit klinkt alleszins redelijk, hoewel onduidelijk is wat kunst met nieuwsgierigheid en vriendelijkheid te maken heeft. Nabokovs opvatting van die verbondenheid blijkt in het boek zelf, waarin de literatuurwetenschapper en hoofdpersoon zegt dat het lot van geliefde romanpersonages in de verwachtingen van de lezer ligt: “Elke afwijking van het lot waartoe wij hebben beschikt zou ons niet alleen als abnormaal maar ook als onethisch treffen” (322). De verbondenheid die Nabokovs leeservaring beoogt is het product van zijn eigen verwachtingspatroon en resulteert in een synchroniciteit die inderdaad gekenmerkt wordt door tederheid, vriendelijkheid en vervoering. Maar dit is het tegendeel van wat ik een leeservaring zou willen noemen, namelijk de ervaring dat het lot van geliefde romanpersonages mijn verwachtingen juist op de proef stellen en uit het lood slaan. Daar is in ieder geval geen sprake van tederheid en vriendelijkheid, en word je eerder op jezelf teruggeworpen.

Over asiel, de verantwoordelijkheid van literatuur en David Mitchell’s roman Tijdmeters.

Als een tijd zoals de onze ten onder dreigt te gaan aan een toenemende uniformering en een-dimensionaliteit van denken, willen en voelen, is het goed dat kunstenaars en romanciers het land van de mogelijkheid verkennen en openhouden. Niet zozeer om een alternatief als toevluchtsoord uit de verstikking vorm te geven. De verkenning van mogelijkheden voert een pluriformiteit in die de dimensionaliteit of openheid van onze tijd überhaupt ervaarbaar maakt – diens onontgonnene – zonder te pretenderen ons ineen daarmee te bevrijden.

Hoe moeilijk de weg van de romancier is blijkt wel uit het risico dat zijn verkenningen uiteindelijk toch thuishoren in de een-dimensionaliteit die het ter discussie wil stellen. Een recent voorbeeld hiervan is het grandioze boek Tijdmeters  van David Mitchell. Enerzijds voert het een parallelle werkelijkheid in waarin twee soorten van onsterfelijken – de een door asiel aan te vragen bij de ziel van een sterfelijke, de ander door die sterfelijke ziel te ‘decanteren’ en zich daarmee te voeden – met elkaar strijden om goed en kwaad. Anderzijds lukt het de schrijver op geen enkele manier om het verschil tussen ons sterfelijken en die onsterfelijken ervaarbaar te maken in het boek; beiden zijn gebonden aan de chronologie met hun ditjes en datjes die in het boek uitvoering aan bod komen. Met andere woorden, hoewel een nieuw type mens wordt geïntroduceerd die de ‘tijdloze’ wordt genoemd (416), is het denken, willen en voelen van de tijdloze op geen enkele manier onderscheiden van ons tijdelijken, en voedt de inventie van de romancier daarmee alleen maar de toenemende uniformering en een-dimensionaliteit die onze tijd kenmerkt.