Tag Archives: literatuur

Hoe je ervaring mee te laten klinken (Wessel te Gussinklo, Zeer helder Licht)

Op het eerste gezicht gaat Zeer helder licht van Wessel te Gussinklo over een verlopen schrijver, een Leger des Heils figuur die valt voor een meisje van de Rotary-club, zoals hij het zelf eens formuleerde. Maar eigenlijk gaat het boek over de aard van het schrijverschap.

Het probleem van de schrijver is dat hij zich uit moet drukken in woorden die niet van hem zijn maar algemene vormen en sjablonen betreffen die de enkelvoudigheid van zijn bestaan nooit kunnen verwoorden. In tegenstelling tot het klootjesvolk, dat zich graag bedient van dergelijke sjablonen en categorieën van vergelijkbaarheid omdat ze geen enkele behoefte heeft verloren te raken in de eenzaamheid van de onvergelijkbaarheid, ervaart de schrijver de pijn van de noodzaak zijn eigenste ervaring in dergelijke gemeenplaatsen uit te drukken. “Maar wij zijn het niet echt, ergens daarachter zijn wij, amorf en vormloos, reikend naar die vormen om herkenbaar, om zichtbaar te zijn, om onze naaktheid, onze weerloosheid te bedekken. Wij scheppen onszelf, wij bekleden onszelf met al die geléénde vormen die toch het meest eigene zijn wat wij hebben; iets anders is er niet” (109). Zonder die vormen zouden we ons alleen maar onmachtig kunnen uitdrukking in geritsel, geklapwiek en gekreun, aldus te Gussinklo.

Daarmee dreigt de hoofdpersoon in een oneindige spagaat te geraken met betrekking tot de taal die hem even dierbaar is als doodongelukkig maakt. Enerzijds heft het gebruik van de taal elke vreemdheid op en maakt het alles en iedereen herkenbaar, en anderzijds snakt hij naar “bevrijding, naar verlossing, die eeuwigheid en onbeperktheid wil” (113). Een uitweg wordt gevonden in het meest voor de hand liggende, namelijk het idee dat de act van de taal niet primair bestaat in de vormgeving van het wat van de ervaring, dat inderdaad eindigt in sjablonen, maar in de uitdrukking van een wie van de ervaring die nooit gevangen kan worden in een sjabloon. Te Gussinklo articuleert dit onderscheid door een oppositie aan te brengen tussen het filosofisch schrijven dat het wat van de ervaring op het oog heeft, en het literaire schrijven dat de presentie van het wie van de ervaring articuleert. Zo makkelijk gaat dat natuurlijk niet. Enerzijds wordt het filosofisch schrijven geen recht gedaan hiermee, alsof hedendaagse filosofie nog zou bestaan in het beschrijven van een wat van welke cognitieve inhoud dan ook. Anderzijds wordt het literaire schrijven hiermee geen recht gedaan, want het wie van mijn levensverhaal is natuurlijk nooit voor mijzelf present. Misschien bedoelt te Gussinklo dat het wie van de ervaring van zich blijk geeft in de act van de benoeming van de wereld om je heen, niet voor de eerste keer, maar wel voor jou. Daarin ligt de on-mogelijkheid van de ervaring van dit wie.

En toch kunnen we iets leren over schrijverschap van te Gussinklo, want het wie van de ervaring wordt gereduceerd en vernietigd in een wat zodra we het gaan beschrijven. Het gaat er om dat het wie mee-klinkt, “het mag niet echt zichtbaar zijn want dan wordt het filosofie of psychologie, of fenomenologie voor mijn part. Ik moet de goede woorden vinden zodat het beelden blijven, gewaarwordingen in plaats van iets abstracts en theoretisch” (118). Het is maar de vraag of dit wie van de ervaring van zich blijk geeft in een gevecht om jezelf in het schrijven, zoals te Gussinklo denkt, of in de onmacht van ons geritsel, geklapwiek en gekreun waarin ons naakte bestaan van zich blijk geeft. Het is dat on-mogelijke gevecht dat meeklinkt in Zeer helder licht, dat het boek tot een grandioze leeservaring maakt.

 

 

Negatieve indicaties van een leeservaring (Vladimir Nabokov, Lolita)

Sommige romans hebben zelf niet veel om het lijf, maar geven wel een negatieve aanwijzing naar wat een leeservaring zou moeten zijn. Lolita is een voorbeeld hiervan. Het boek gaat over een volwassen literatuurwetenschapper die seksueel geobsedeerd raakt door zijn twaalfjarige stiefdochter.

In het nawoord zegt de auteur van Lolita dat een goede roman je doet beseffen verbonden te zijn “met andere bestaansvormen waarin de kunst (nieuwsgierigheid, tederheid, vriendelijkheid, vervoering) de norm is” (380). Dit klinkt alleszins redelijk, hoewel onduidelijk is wat kunst met nieuwsgierigheid en vriendelijkheid te maken heeft. Nabokovs opvatting van die verbondenheid blijkt in het boek zelf, waarin de literatuurwetenschapper en hoofdpersoon zegt dat het lot van geliefde romanpersonages in de verwachtingen van de lezer ligt: “Elke afwijking van het lot waartoe wij hebben beschikt zou ons niet alleen als abnormaal maar ook als onethisch treffen” (322). De verbondenheid die Nabokovs leeservaring beoogt is het product van zijn eigen verwachtingspatroon en resulteert in een synchroniciteit die inderdaad gekenmerkt wordt door tederheid, vriendelijkheid en vervoering. Maar dit is het tegendeel van wat ik een leeservaring zou willen noemen, namelijk de ervaring dat het lot van geliefde romanpersonages mijn verwachtingen juist op de proef stellen en uit het lood slaan. Daar is in ieder geval geen sprake van tederheid en vriendelijkheid, en word je eerder op jezelf teruggeworpen.

Over asiel, de verantwoordelijkheid van literatuur en David Mitchell’s roman Tijdmeters.

Als een tijd zoals de onze ten onder dreigt te gaan aan een toenemende uniformering en een-dimensionaliteit van denken, willen en voelen, is het goed dat kunstenaars en romanciers het land van de mogelijkheid verkennen en openhouden. Niet zozeer om een alternatief als toevluchtsoord uit de verstikking vorm te geven. De verkenning van mogelijkheden voert een pluriformiteit in die de dimensionaliteit of openheid van onze tijd überhaupt ervaarbaar maakt – diens onontgonnene – zonder te pretenderen ons ineen daarmee te bevrijden.

Hoe moeilijk de weg van de romancier is blijkt wel uit het risico dat zijn verkenningen uiteindelijk toch thuishoren in de een-dimensionaliteit die het ter discussie wil stellen. Een recent voorbeeld hiervan is het grandioze boek Tijdmeters  van David Mitchell. Enerzijds voert het een parallelle werkelijkheid in waarin twee soorten van onsterfelijken – de een door asiel aan te vragen bij de ziel van een sterfelijke, de ander door die sterfelijke ziel te ‘decanteren’ en zich daarmee te voeden – met elkaar strijden om goed en kwaad. Anderzijds lukt het de schrijver op geen enkele manier om het verschil tussen ons sterfelijken en die onsterfelijken ervaarbaar te maken in het boek; beiden zijn gebonden aan de chronologie met hun ditjes en datjes die in het boek uitvoering aan bod komen. Met andere woorden, hoewel een nieuw type mens wordt geïntroduceerd die de ‘tijdloze’ wordt genoemd (416), is het denken, willen en voelen van de tijdloze op geen enkele manier onderscheiden van ons tijdelijken, en voedt de inventie van de romancier daarmee alleen maar de toenemende uniformering en een-dimensionaliteit die onze tijd kenmerkt.