Tag Archives: paul auster

De broosheid van het menselijk bestaan (Cormac McCarthy, De weg)

De weg is een post-apocalyptische roman waarin een vader en zijn zoon hun weg banen in een doods en door God verlaten landschap in de verbeten hoop in het zuiden verlossing te vinden. Het boek biedt gelegenheid om na te denken bij de wereld die ons bestaan altijd al en zonder het te weten zin en richting geeft. Dit is relevant omdat het lang door post-humanisten en flat ontologists bekritiseerde onderscheid tussen de feitelijkheid van de dingen en de zin of betekenis van die dingen gerehabiliteerd moet worden in het antropoceen.[1]

            Het is duidelijk dat de wereld waarin wij vandaag de dag leven is vergaan in De weg: “Dit was het nulpunt. De kou en de stilte. De as van de overleden wereld, op gure tijdelijke winden heen en weer geblazen in de leegte. Weggeblazen, verspreid en weer weggeblazen. Alles was van zijn ankers geslagen. Dreef zonder houvast door de lucht vol as” (11). Het overlijden van de wereld is niet alleen een feitelijke gebeurtenis als gevolg van een milieuramp of catastrofale oorlog die de wereld met puin en as bedekt. Het overlijden van de wereld betreft niet zozeer de dingen zelf maar de zin of betekenis van de dingen die door de catastrofe verschrompeld is. Die wereld is het ankerpunt die de dingen en mensen hun zin en betekenis geeft, en door het verschrompelen van die wereld resteert niets anders dan de feitelijkheid van de dingen: “Hij liep naar buiten het grijze licht in en bleef staan en in een kortstondig ogenblik zag hij de absolute waarheid van de wereld. De koude, niet-aflatende kringloop van een aarde die zonder testament was gestorven. Onverzoenlijke duisternis. De blinde bijzonnen in hun baan. De verpletterende zwarte leegte van het heelal. En ergens twee opgejaagde dieren trillend als de vos in zijn schuilplaats. Geleende tijd in een geleende wereld en geleende ogen om dit alles te bewenen” (82). Daarmee komt een ervaring aan het licht die ook in Paul Austers New York Trilogie aan de orde is, namelijk de ervaring van de bodemloosheid van de wereld.[2] Maar waar Auster het nergens zijn van mens en wereld lyrisch begroet, verwoord McCarthy vooral de pijn van dit hardnekkige feit van het leven op deze puinakker, “hun geboorte in verdriet en as” (37).

Toch is de rol van die vergane wereld ambigu in het verhaal. We kunnen ons die vergane wereld ook na de catastrofe nog herinneren, zoals de vader doet die voor de Apocalyps geboren is. Ook de jongen herinnert zich de vergane wereld hoewel hij na de Apocalyps geboren is, want de dingen dragen in de overleden wereld nog steeds de sporen van die wereld. Het zijn die sporen en herinneringen, het is die vergane wereld die hun tocht naar het Zuiden bijlicht en als moreel kompas dient, en dus in zekere zin helemaal niet is vergaan. De vader zegt weliswaar dat je niet aan die herinnering of sporen van de vergane wereld moet vasthouden. Ze is een sirene geworden die ons afleid van de opgave te overleven in een wereld vol gevaar die ons met de dood bedreigt. Niets heeft nog betekenis als je moet overleven in een ‘wereld’ vol gevaar. Ik spreek hier van wereld tussen aanhalingstekens, want zelfs als ik afscheid neem van de vergane wereldom te overleven, dan moet ik mij ondanks die ondergang van de oude wereld toch beroepen op een nieuwe ‘wereld’ die de feitelijkheid van de dingen betekenis en richting geeft, die de ‘gevaarlijke’ wereld constitueert.

Het is dus niet zo dat de ervaring van de bodemloosheid van de wereld leidt tot de absentie van de wereld en alleen nog de verpletterende zwarte leegte van het heelal of de hardnekkige feitelijkheid van het leven resteert. Veeleer is het zo dat de catastrofe de broosheid van het menselijk bestaan blootlegt die altijd al en zonder het zelf te weten overgeleverd is aan geleende betekenissen van een wereld die op- en ondergaat, die hem in bruikleen gegeven zijn om zijn broze bestemming te vinden. Het menselijk bestaan geeft zichzelf niet op in het verlangen naar wereld, zoals de vader in het verhaal zegt, maar daarin constitueert zich pas zijn of haar broze bestaan.


[1] Blok, V. (2021) “Geoethics beyond enmeshment: Critical Reflections on the post-humanist position in the Anthropocene”. In: Bohle, M., Marone, E. (Eds.) Geo-Societal Narratives. Palgrave Macmillan, Cham: pp. 29-54 (DOI: 10.1007/978-3-030-79028-9­_3)

[2] Zie Blok, V. 2021 Nergens of ergens zijn (Paul Auster, De New York Trilogie) | Vincent Blok (wordpress.com)

Nergens of ergens zijn (Paul Auster, De New York Trilogie)

Over De New York trilogie van Paul Auster, een grandioos boek over de principiële onherleidbaarheid en onkenbaarheid van onszelf en de ander, is al heel veel gedacht en geschreven. In eerste instantie denken we natuurlijk wel herleidbaar te zijn en kenbaar voor onszelf. We leven immers in een betekenisvolle wereld die ons bestaan eenheid en richting geeft. Maar als die wereld labyrintische vormen begint aan te nemen – denk aan New York – en je daarin verdwaalt, dan blijkt die betekenisvolle wereld een gefantaseerd verhaal te zijn dat slechts de schijn van orde en kenbaarheid ophoudt.

Fenomenologen zoals Heidegger zagen al dat we geen autonoom subject zijn dat transparant is voor zichzelf, maar geworpen zijn in een betekenisvolle wereld waarin we opgaan zonder op of om te kijken. Hij vraagt naar het bestaan zelf, en met name diens sterfelijkheid, om tot een besef te komen van het leven dat zijn in-de-wereld-zijn heeft uit te staan. Auster opent een andere weg. Hij erkent weliswaar het “hardnekkige feit” van het leven (12), maar ziet in de onmetelijke overdaad van die betekenisvolle wereld de mogelijkheid om tot het besef te komen dat die wereld bodemloos is, nergens, dat hij zelf nergens is. Door die overdaad van de wereld “naar binnen te halen” en zich “vol te laten stromen met uiterlijkheden” doorbreekt hij de “heerschappij van het innerlijk” en spoelt hij zichzelf uit zichzelf weg (74). Inmiddels weten we dat de wereld helemaal niet bodemloos is maar dat de hardnekkige feitelijkheid van de aarde de mogelijkheidsvoorwaarde is voor ons in-de-wereld-zijn.[1] Dit is echter niet problematisch, want we kunnen Austers gedachte over de toevalligheid die dit ‘nergens’ van onszelf en de dingen doortrekt één op één van toepassing verklaren op de aarde (denk aan de diepe toevalligheid van het antropisch principe bijvoorbeeld).

Belangwekkender is het om stil te staan bij de methodische betekenis van De New York trilogie, want Auster zegt dat het dwalen door de stad tot een verdwalen leidt, namelijk een verdwalen in de stad en in zichzelf die de vanzelfsprekendheid van het in-de-wereld-zijn doet afbrokkelen: “Door het doelloze van zijn gezwerf werden alle plekken aan elkaar gelijk en deed het er niet meer toe waar hij was. Het fijnst waren de wandelingen die hem het gevoel gaven dat hij nergens was. Dat was ook het enige wat hij in feite wilde: nergens zijn. New York was het nergens dat hij om zich heen had gecreëerd, en hij besefte dat hij niet van plan was om het ooit nog te verlaten” (10). Wat hier natuurlijk stoort is de subjectieve taal, alsof wij de wereld creëren en wij bepalen of we in-de-wereld-zijn of niet. Het weerlegt elke kwalificatie van deze roman als postmodern, alle referenties naar de onherleidbaarheid, onvoorspelbaarheid en ontoegankelijkheid van het leven ten spijt. Echt problematisch wordt die subjectiviteit als Auster zegt dat zijn doelloze omzwervingen alle plekken gelijkschakelt. Het is immers de mens als wereldloos subject voor wie de ruimte homogeen is, een ruimte waarin geen plaats meer is voor kwalitatief onderscheiden plekken. Maar het is juist dit wereldloos subject dat helemaal niet in staat is tot een omzwervend bestaan, zeker van zichzelf als hij is. Zou Auster voor een moment afscheid hebben genomen van het wereldloze subject, dan zou zijn gedachte dat de onmetelijke overdaad van de betekenisvolle wereld ons uit de vanzelfsprekendheid van die wereld kan verstoten kunnen leiden tot de omgekeerde gedachte: door het zwerven en dwalen ben je pas ergens. Het is die onachterhaalbare localiteit van onze bewoning van de wereld, die van zich blijk geeft in onze omzwervingen in de moderne stad.


[1] Blok, V. (2021) “The Earth means the World to me: Earth- and World-interest in times of climate Change”. Di paola (Eds.), Handbook of Philosophy of Climate Change (accepted for publication

De wereld wemelt, of de objectieve onechtheid van het menselijk bestaan (Paul Auster, 4321)

In 4321 worden vier mogelijke levensverhalen beschreven van Ferguson, de zoon van een Joodse immigrant die eind 19e eeuw de oversteek naar Amerika waagde. De vier jongens delen dezelfde voorgeschiedenis en hetzelfde DNA, maar hun levens ontwikkelen zich op verschillende wijze tegen de achtergrond van toevallige gebeurtenissen en ontmoetingen in de tweede helft van de twintigste eeuw.

Wat het boek op overtuigende manier laat zien is de objectieve onzekerheid van het menselijk bestaan. Die onzekerheid betreft allereerst het mogelijkheidskarakter van Fergusons leven: “Ja, alles was mogelijk, en dat dingen op de ene manier gebeurden, wilde nog niet zeggen dat ze ook niet op een andere manier konden gebeuren. Alles kon anders zijn” (64). Dit mogelijkheidskarakter betreft niet alleen Fergusons eigen leven maar ineen daarmee ook de wereld waarin hij leeft: “De wereld wemelt: het kan alle kanten op” (647). Op het eerste gezicht lijkt het alsof dit mogelijkheidskarakter van de wereld niet op ontologisch maar primair op epistemologisch niveau speelt: “De wereld kon dezelfde wereld zijn, maar als hij niet uit de boom was gevallen, zou het voor hem toch een andere wereld zijn…” (64). Toch wordt verderop duidelijk dat het mogelijkheidskarakter de aard van het eigene van mens en wereld zelf betreft, en niet alleen van onze kennis van de wereld: “Een van de merkwaardige dingen aan zichzelf zijn, had Ferguson uitgevonden, was dat er meer van hem leken te bestaan, dat hij niet slechts één iemand was, maar een hele verzameling van tegenstrijdige ikken, en dat hij wanneer hij bij iemand anders was zelf ook steeds anders was. Bij een uitgesproken extroverte jongen als Noah vond hij zichzelf stil en naar binnen gekeerd. Bij een verlegen en ingetogen iemand als Ann Brodsky vond hij zichzelf druk en onbehouwen, iemand die altijd te veel praatte om het ongemak van haar lange stiltes te overwinnen” (268). De constitutie van het eigene van de mens gebeurt dus in de interactie met de ander of met gebeurtenissen in de wereld – een studentenprotest, een moord op een president etc. – die in de grond van de zaak diep toevallig zijn. Het eigene van mens en wereld valt hen in die zin letterlijk toe in hun interactie.

Het boek maakt duidelijk dat de toevalligheid van het eigene van mens en wereld de wereld niet alleen objectief onzeker maakt, maar ook onecht; elke wereld is mogelijk, en daarmee is deze wereld in de grond onecht. Dit blijkt wanneer Ferguson door ontmoetingen en gebeurtenissen uit het lood geslagen wordt; de wereld smelt weg in die ervaring. “De wereld was niet echt meer. Alles was een valse kopie van wat ze had moeten zijn, en alles wat erin gebeurde had niet mogen gebeuren. Nog lang erna leefde Ferguson onder de betovering van deze illusie, sleet hij zijn dagen als een slaapwandelaar en worstelde hij ’s avonds om in slaap te komen, ziek van een wereld waarin hij was opgehouden te geloven, twijfelend aan alles waarmee ze zich aan hem openbaarde” (92).

In Fergusons verwoording van die ervaring blijkt toch een disbalans te bestaan tussen de objectieve onechtheid van de mens en van de wereld. Want hoewel hij de gedachte tot zich toe probeert te laten dat er meerdere ikken zijn, net zoals de wereld door haar mogelijkheidskarakter gekenmerkt wordt, worden die disparate ikken toch bijeengehouden door een enkele identiteit. Zo spreekt hij over “vier identieke maar verschillende mensen met dezelfde naam”. Die andersheid van de vier versies van Ferguson reikt dus niet tot zijn identiteit – ze delen hetzelfde lichaam en hetzelfde genetisch materiaal – maar wordt veroorzaakt door het feit dat alle vier de versies “in een ander huis in een andere stad en in [hun] eigen omstandigheden” leven (938). Daardoor wordt het eigene van Ferguson van de objectieve onechtheid van de wereld uitgesloten, en blijft dit eigene absoluut voorbij dit mogelijkheidskarakter van zelf en wereld. Op zich is dit ook wel te begrijpen, want als we het idee van de interactieve constitutie van zelf en wereld echt serieus zouden nemen, dan zouden we zelfs niet meer kunnen spreken over vier levensverhalen van dezelfde persoon in een roman – 4321 – en zouden vier separate romans ontstaan: 1; 2; 3; 4. De prijs die Ferguson moet betalen voor die absolute identiteit voorbij de interactieve constitutie van zelf en wereld is dat hem onmogelijk is de objectieve onechtheid van de wereld tot zich toe te laten.

De maxime van de objectieve onechtheid van de wereld gebiedt echter niet alleen om onze onderworpenheid aan de wereld zoals die nu is op te geven, maar evengoed om afscheid te nemen van onszelf als het absolute in onze stoutmoedige pogingen om de wereld op z’n kop te zetten en opnieuw uit te vinden.