Tag Archives: peter terrin

Vertrouw/Wantrouw de Ander (Yucca, Peter Terrin)

Soms is het niet een verhaal dat je meevoert, maar een enkele zin die je aan het denken zet. Een recent voorbeeld daarvan was mijn lezing van de roman Yucca van geweldenaar Peter Terrin. Hoofdpersoon Viktor wordt 11 jaar na de moord op zijn zoon vrijgelaten uit de gevangenis en vindt een baantje als chauffeur bij Yucca, een cateringbedrijf dat maaltijden levert aan hulpbehoevenden. Tijdens een van zijn tochten heeft hij een gesprek met bij-rijdster Lisa: “’Je ziet iets in iemand en daar handel je naar… En als je daarnaar handelt dan geef je hem of haar de kans om die persoon te zijn. Dat is vertrouwen. Toch?’” (113). Ik sloeg meteen aan op het gebruik van het woord ‘vertrouwen’ in deze context.

Ik wist al dat je niet eerst iemand ziet, hem of haar vervolgens interpreteert en ten slotte handelt naar die interpretatie. Je ziet iemand altijd al direct als iemand, als vriend of vijand, als potentiële geliefde of als iemand die afkeer inboezemt. Dat je hem of haar altijd in een welbepaald licht ziet en begrijpt blijkt niet zozeer uit de ideeën die je over hem of haar hebt, maar uit je handelen. Zo steek je de ene keer de nachtelijke straat over om een directe confrontatie met een tegenligger te vermijden, en een andere keer niet, en zo zoek je tot de ene mens toenadering in een bar en zoveel anderen niet. Ik ben zelfs geneigd te geloven dat die handeling de ander gelegenheid geeft te zijn wie hij of zij is. Ik herinner me het voorbeeld van een experiment waarbij een docent ‘dacht’ te maken te hebben met leerlingen met een relatief hoog IQ en ze overeenkomstig dit idee behandelde in de klas, terwijl het feitelijk een groep kinderen betrof die een relatief laag IQ hadden. Het bleek dat deze kinderen relatief hoger scoorden dan een andere groep kinderen met een hoog IQ waarvan de leerkracht dacht dat ze juist een laag IQ hadden en ze dienovereenkomstig behandelde. In die zin kun je zeggen dat mijn handelen de ander de gelegenheid geef te zijn wie hij of zij is.

Waarom brengt Viktor dit in verband met ‘vertrouwen’? Want als dit waar is, dan ligt altijd het gevaar op de loer dat je iemand alleen de kans geeft te worden wat jij denkt dat hij of zij is, en niet te worden wat hij kan en wil zijn. Dat geldt voor de kinderen in het bovenstaande voorbeeld, maar is ook een vraag die Viktor zichzelf stelt over zijn handelen jegens anderen: “Dichtte Viktor hem te veel agressie toe, te veel vijandigheid, ondanks de hartelijkheid tijdens het koken en drinken nadien? … Was de grijns een poging geweest om verdriet te verbergen, het schokken van zijn schouders een gebaar van machteloosheid? Had hij Claude wel de kans gegeven om de man te worden die Claude zelf het liefst zou willen zijn?” (148). Je kunt dit alleen doorbreken door niet op te gaan in je handelen en beter te luisteren, door in tegendeel juist meer op de ander te vertrouwen. Ook dit vertrouwen op de ander stuit echter op een grens: “Nooit vertelt een mens alles, al hebben we de beste intenties. … we hebben niet iets verzwegen, we hebben het gewoon niet verteld” (328).

Uit deze korte reflectie blijkt ten eerste dat het schenken van vertrouwen geen positief fenomeen is, omdat het alleen het denkbare van de ander apprecieert en uitsluit “dat wat ondenkbaar is toch voor je ogen gebeurt” (347). Ten tweede blijkt dat vertrouwen niet iets is dat je primair schenkt, want de ander schenkt jou in zijn of haar handelen andersom ook de kans de persoon te zijn die hij of zij denkt dat je bent. Daarom antwoordt Lisa Viktor niet alleen dat “je bij iedereen iemand anders [kan] zijn”, maar ook dat je daarin “soms staat […] te kijken van jezelf” (113). Ik ben altijd al vertrouwd met de ander in ons handelen in reactie op de ander. Ten derde blijkt dat deze vertrouwdheid op geen enkele manier een rechtgeaard verstaan van wat de ander kan en wil zijn of enige rechtvaardigheid jegens die ander garandeert. Daarom wordt dit vertrouwen “een triest feit” genoemd (226). In die zin had er net zo goed kunnen staan: “’Je ziet iets in iemand en daar handel je naar… En als je daarnaar handelt dan geeft je hem of haar de kans om die persoon te zijn. Dat is wantrouwen. Toch?’”.

Advertisements

Het gelukkige toeval van de volstrekte machteloosheid (Peter Terrin, Monte Carlo)

In Monte Carlo beschrijft Peter Terrin de heldendaad van een automonteur die in de baan van het vuur springt en verhoedt dat het beeldschone gelaat van een jonge filmster wordt verbrand, maar niet wordt erkend. Terrin laat in dit boek de achterkant van het gelijk zien, dat wil zeggen de spaanders die noodzakelijkerwijs moeten vallen om het werk van de mediacratie – van Monte Carlo tot De wereld draait door – tot stand te brengen en in stand te houden. Tegelijkertijd laat het boek zien dat de volstrekte machteloosheid van de vergetenen niet perse negatief hoeft te zijn. Terwijl het toeval wil dat de monteur zijn leven lang het ongeluk van zijn miskenning moet smaken, voert Terrin een ander vergeten personage op die zijn succes juist aan een dergelijk toeval dankt; de fotograaf die jaren later, als de filmster alsnog verbrandt bij een autocrash, door een gelukkig toeval van volstrekte machteloosheid de beeldbepalende foto’s schiet die de mediacratie nodig heeft om te kunnen blijven schitteren. Daarmee verschuift de aandacht van de volstrekte machteloosheid naar het gelukkig toeval dat ons denken en doen omgeeft.

Biophobia and the Banality of Transparency (Peter Terrin’s Post Mortem)

At first glance, Peter Terrin’s Post Mortem is a book about an author who is writing an autobiographical book about his alter ego, while his four year old daughter is hit by a cerebral infarction. In fact, it describes the struggle of an author in the current age, in which the complete revelation of yourself – the transparency of our biography in literary works but also at social networks like facebook and wordpress – is celebrated as the greatest good. Steegman, the main character of the book, is a child of his time and completely transparent for himself; he recognizes and knows himself, writes an autobiographical book and even tries to have control over his future biographer. At the same time, he suffers from biophobia and wants to escape his biography. Why? Because of the banality of transparency in which there is no room anymore for any difference between what you are and what the world knows about you. Originally, it was precisely this difference that drove authors, poets and philosophers to write their books and sing their songs. In the age of transparency, Steegman’s idea is to move in the opposite direction; he becomes completely transparent in his book (“he has become his books”) and at the same time, he explores a diversionary tactic; the exploration of another possible meaning of his biographical events and based on this, the establishment of an ambiguity and secrecy in which Steegman can withdraw and escape the transparency of his biography.

Although I acknowledge that Steegman’s diversionary tactic is promising – especially the tactic to raise dust clouds in which you can hide yourself in the age of transparency – the focus on biophobia and the biographical is still subjectivistic in this novel. I would like to propose another possible meaning of Post Mortem, inspired by the temporary amnesia of Steegman’s daughter. After her cerebral infraction, she suffered from temporary amnesia as a self-protective reflex of the bodily system. Maybe, we have to conceive the banality of transparency as a temporary amnesia with regard to the difference between ourselves and what the world knows about us. This amnesia is nothing negative. On the one hand, it is precisely this amnesia that has to be conceived as self-protective, i.e. as a protection of the self in the age of transparency. On the other hand, it is precisely this amnesia with regard to myself, which provides the only access to the difference between myself and what the world knows about me in the age of transparency. In this respect, not biophobia but a non-subjectivistic desire for the “self” should be key in future literary efforts. Coetzee’s descriptions of the personal over the universal in ‘the Childhood of Jesus’ – see my previous blogs – could be seen as such an effort.