Tag Archives: proclamatie van exterritorialiteit

De proclamatie van exterritorialiteit versus het dissidentendom van de dichter (Nacht op de rivier, Peter Handke)

Nacht op de rivier gaat over een voormalig schrijver die op zijn woonboot een verhaal vertelt over zijn omzwervingen door Europa. Wat het vertellen van de ex-schrijver aan de praat krijgt is de ervaring van gevaar, die de luisteraars doet verstommen en de verteller doet fluisteren op hun tocht over de rivier de Morava. Dit gevaar bestaat erin dat de verteller een exterritorialiteit proclameert, een enclave die zich teweerstelt tegen de tendens tot mondiale hegemonie van het Europese denken, dat door dit Europese denken wordt achterhaald, geïncorporeerd en geüniformeerd. Dat Handke persoonlijk ervaring heeft met het taboe op enclave-denken is bekend; hij bejubelde de onschuld en puurheid van het Servische volk tijdens de Balkan-oorlog terwijl de communis opinio diametraal de andere kant op wees. Toch is dit niet het punt hier, want dit verwijt aan het adres van het Europese denken kun je evengoed vanuit de filosofie van Levinas begrijpen.

Het gevaar waarin de verteller verkeert drijft de vlucht van de woonboot over de Europese wateren aan. Terwijl hij eerst nog dacht dat de proclamatie van exterritorialiteit bestond in een tocht naar buiten-Europese oorden, beseft hij nu dat de vlucht voor het gevaar alleen door een binnen-Europese trektocht kan worden volbracht: “Hoe had hij kunnen vergeten dat de Grote Horizon zich nooit van buitenaf liet zien, ergens buiten, al was het op nog zo’n grote afstand? En al helemaal nooit met opzet? Hoe had hij kunnen vergeten dat de Grote Horizon hoogstens uit een bepaalde nabijheid voortkwam en dan in je binnenste verder liep…” (34). Het grootste gevaar van binnen-Europese trektochten is dat je er niet buiten kunt treden maar er juist door in vervoering wordt gebracht: “’Alleen in vervoering zie ik wat de wereld is’” (37). Allereerst doet die vervoering hem beseffen inbegrepen te zijn in die totaliteitsaanspraak van het Europese denken: “Het veel grotere, het eigenlijke gevaar was dat in zo’n toestand van vervoering de wereld zich enerzijds meer dan ooit als complete wereld, als een totaliteit liet zien, maar dat er anderzijds tegen, van, over die wereld niets meer te zeggen viel” (129). Ten tweede brengt die vervoering zijn vlucht op gang, zijn zin om te ontsnappen aan de uniformering van de wereld door het Europese denken met het oog op een “volmaakte” en “ideale” wereld als “hogere, geldige werkelijkheid” (130). Daarin vindt hij zijn bestemming, zijn zelf-bestemming als verteller en dichter.

De verteller denkt dat die zelf-bestemming louter in de dichterlijke naamgeving kan bestaan – het uitroepen van de enclave – zonder dat dit een handelen hoeft te impliceren. Misschien verklaart deze bepaling van het dichten wel waarom de kritiek op Handke deels terecht was; het bejubelen van de puurheid van het Servische volk is niet alleen een vrij benoemen maar legitimeert het handelen van dat volk uit die naam, wat op z’n minst problematisch is als je de etnische zuivering van duizenden Moslims in Kosovo, Bosnië en Herzegovina in de negentiger jaren in ogenschouw neemt. In dat opzicht had Levinas de voormalig schrijver kunnen vertellen dat het enclave-denken aan dezelfde ziekte lijdt als het Europese denken. Hoe terecht die kritiek misschien ook is, Nacht op de rivier kan ook gelezen worden als Handke’s verontschuldiging voor die fout: “Misschien omdat hij destijds voor korte tijd inderdaad in zoiets als een andere natie geloofde, heel algemeen in principieel andere naties, en omdat hij meende die mede te kunnen belichamen. Idioot, dorpsgek, huisstok” (184).

Hoewel de verteller nu inziet dat de proclamatie van een enclave goed of fout kan uitpakken, geeft hij het idee dat dichters enclaves dichten niet op. Dit idee staat diametraal tegenover het Europese denken, dat het dichten heeft doodverklaard en alleen nog ruimte ziet voor de kunstenaar als arrangeur van dat wat is: “Dichterlijke taal is dood, die bestaat niet meer, of alleen nog als imitatie, als aanstellerij. … weg met de droom van de schrijver als schepper. Had maar op tijd leren arrangeren. Leve de schrijvende arrangeurs, dat zijn wij, wij alleen” (261). Hoewel hij erkent dat zijn dichterlijke naamgeving verkeert kan uitpakken en dat hij zich daardoor heeft laten verleiden in het verleden, blijft hij vasthouden aan het principe van de verteller of dichter als schepper en stichter van nieuwe namen, die binnen de hegemonie van het Europese denken verschijnen als dissidenten, blindgangers en ‘desperado’s op verloren terrein’.

Zo’n gedachte is natuurlijk een spekje naar ons bekje, maar toch moeten we hier een voorbehoud maken. Kun je wel zo’n onderscheid claimen tussen benoemen en handelen, en je terugtrekken op het domein van de dichterlijke naamgeving? Is dat niet een verborgen verontschuldiging, die al niet meer nodig is zodra we tot ons toelaten dat literaire proclamaties van enclaves goed offout kunnen uitpakken? Zijn benoemen en handelen niet onderling afhankelijk, voor zover echte namen performatieve kracht hebben en handelingen pas betekenis krijgen in het licht van een idee? Dan kun je niet meer zeggen: “Ja, mijn gedicht liegt, ik kan heel goed benoemen. Maar wat ik ook kan benoemen en zeggen, ik ben niet in staat het te doen. En ik wil het ook niet. Het is mijn taak om te benoemen en niet om ernaar te handelen. Het is niet mijn ambt om te handelen” (114). De eigenlijke vergissing van Handke is niet dat hij zich heeft laten verleiden door het idee van een ideale en volmaakte natie, daarvoor heeft hij zich verontschuldigd, maar zijn onderschatting van de performatieve kracht van het dichterlijke woord.

 

 

Advertisements