Tag Archives: tijd

Stormenderhand barst de tijd los (Mark Haddon, De pier stort in)

In Het Pistool, een verhaal uit Mark Haddon’s De Pier stort in, wordt ons idee van de continuïteit van ons bestaan danig op de proef gesteld: “Wanneer hij later het verhaal aan mensen vertelt, zullen ze het niet begrijpen. Waarom is hij niet gevlucht? Zijn vriendje had een geladen pistool. Hij zal zich herhaaldelijk verbazen over hoe slecht iedereen zich zijn eigen jeugd herinnert, hoe ze de volwassenen die ze geworden zijn in die verbleekte foto’s projecteren, in die sandalen, die kleine stoeltjes. Alsof kiezen, alsof beslissen, alsof nee zeggen vaardigheden waren die je gewoon kon leren, net als fietsen of je veters strikken. De dingen overkwamen je” (185). Dat het zo slecht is gesteld met onze herinnering is niet alleen een epistemologisch probleem, want dan zouden foto’s en schriften helpen om weer toegang te krijgen tot onze oorspronkelijke jeugd en de band kunnen herstellen. Het venijn van het verhaal schuilt in de suggestie dat de tijd ons voor een ontologisch probleem stelt, als de tijd zelf geen continuüm vormt: “Tijd is alleen maar barsten en vertakkingen” (183). Bij een voorval zoals een ongeval kun je ongedeerd blijven of gewond raken. Beide mogelijkheden van het bestaan barsten open en vertakken zich in zo’n geval als parallelle universums die voor elkaar afgesloten zijn, en tegelijkertijd de meervoudigheid van ons bestaan uitmaken. In elk voorval barst de tijd open en vertakt zich stormenderhand in een meervoudig zelf van mens en wereld, waardoor je even een ervaring hebt niet te weten wie je bent, alvorens je te identificeren met een van de vertakkingen en de anderen af te laten zinken onder het oppervlak van jouw groef.

 

Advertisements

Op het kruispunt van verleden en toekomst (David Vann, Aquarium)

David Vann’s boek Aquarium gaat over een jong meisje dat samen met haar moeder een sober leven leidt van noeste arbeid. Het verschil tussen het meisje en haar moeder is dat de eerste georiënteerd is op de toekomst en leeft in mogelijkheden, terwijl haar moeder zonder toekomst leeft. “Als je iets hebt om naar uit te kijken verandert alles. Ik heb altijd een toekomst nodig gehad. Ik kan niet zonder”, zegt het meisje (62). Die toekomst waarover het meisje spreekt heeft niet zozeer betrekking op veranderingen in de wereld, maar op het mogelijkheidskarakter van haar eigen bestaan. Dit blijkt uit een tweegesprek met haar opa: “’Wij denken dat de wereld af is, dat hij zo hoort te zijn, maar eigenlijk is hij zich nog steeds aan het vormen. Over een miljoen jaar heeft zo’n makreel een soort ballon als maag, die bij de kop past’. ‘Dat bedoel ik niet’, zei ik. ‘Wat dan wel?’ ‘Dat we nog niet in elkaar gezet zijn. Dat er stukken ontbreken’” (124). De toekomst is niet ‘iets’ dat in de tijd gebeurt om vervolgens te verglijden in het verleden. De toekomst is altijd onderweg omdat mensen nooit ophouden onderweg te zijn in hun menswording. In de grond van de zaak is de mens een historisch of beter, ‘geschiedelijk’ wezen. De consequentie is dat je de toekomst niet nodig hebt, zoals het meisje denkt, maar dat je toekomstig bent.

De moeder van het meisje leeft in een heel ander besef en verwijt haar dochter een zekere eenzijdigheid: “Je denkt dat de wereld tegelijk met jou ontstaan is. Maar dat is  niet zo. Die is tegelijk met mij ontstaan” (134). De wereld ontstaat niet pas met je geboorte maar de geschiedenis, gematerialiseerd in je moeder of je opa, draagt en stuurt je menswording altijd al. Je zou de moeder eveneens een zekere eenzijdigheid kunnen verwijten. Enerzijds heeft ze alleen aandacht voor de historische bepaaldheid van het menselijk bestaan, en anderzijds neemt ze zichzelf als maatstaf bij die bepaling. Door het gedrag van haar eigen moeder te kopiëren hoopt de moeder haar dochter een besef bij te brengen van die historische bepaaldheid van het menselijk bestaan: “Ze is een kind. Alle kinderen zijn egoïstisch… Wij bestaan niet echt. Wij hebben geen gevoelens of gedachten die niet met haar te maken hebben. Ze kan niet geloven dat wij al vóór haar bestonden. Dus laat ik haar die tijd doormaken. Dan wordt het een deel van haar eigen herinneringen, en dan gaat ze het geloven” (170). Deze strategie is natuurlijk inadequaat en ongepast omdat ze een algemeen gedeeld verstaan van de geschiedenis veronderstelt. Haar dochter heeft hier weet van wanneer ze haar uiterste best doet om te delen in de geschiedenis van haar moeder, en tegelijkertijd beseft dat “het ene leven nooit weet kan hebben van het andere” (205).

Er zit iets in het verwijt van eenzijdigheid van zowel moeder als kind, want in werkelijkheid is niet alleen de toekomst maar ook het verleden altijd onderweg omdat mensen nooit ophouden onderweg te zijn in hun menswording. Dit maakt het mogelijk om recht te doen aan de ervaring van de moeder dat het verleden niet kan worden uitgewist en dat niets ongedaan kan worden (in dat opzicht is Derrida’s gedachte dat met de dood een wereld sterft twijfelachtig), en de ervaring van het kind de toekomst nodig te hebben, toekomstig te zijn. Op het kruispunt van die twee gedachtelijnen kan pas sprake zijn van ware vergiffenis

Getijdengolven naar een onafzienbare toekomst (Julian Barnes, Alsof het voorbij is)

Alsof het voorbij is gaat over een man die terugkijkt op zijn jonge jaren op school en langzaamaan beseft dat woorden geschiedenis maken; een verborgen brief aan zijn ex-vriendin, ze was er met zijn beste vriend vandoor gegaan, blijkt een vloek te bevatten die bewaarheid wordt. Daarmee wordt de opvatting van geschiedenis van zijn beste vriend – “geschiedenis is de zekerheid die ontstaat op het punt waarop de gebreken van de herinnering en de onvolkomenheden van de documentatie samenkomen” (67-68) – gelogenstraft. Geschiedenis is niet primair iets van de herinnering – “…wat je je uiteindelijk herinnert, is niet altijd hetzelfde als wat je hebt meegemaakt” (9) – noch iets van documenten, zo laat het boek zien, maar van de taal. Het woord is als een getijdengolf, die rustig golvend naar zee plotseling en in alle rust omkeert, het water openbreekt en je overspoelt. De rust van die ommekeer is het verontrustende, de grote onrust die je identiteit op het spel zet. Voor Barnes is het een uitgemaakte zaak dat de getijdengolf van de taal terugvoert in het verleden; je kunt de toekomst immers niet kennen. Ik koester de gedachte dat het ook andersom kan, dat we plotseling opgepakt en meegedragen kunnen worden in een onafzienbare toekomst.