Tag Archives: triage

Morele overwegingen van een IC verpleegkundige in tijden van Corona (Sander Kollaard, Uit het leven van een hond)

Uit het leven van een hond biedt een prachtig klein verhaal dat te denken geeft in tijden van Corona. Met de toenemende druk op de IC’s vraag je je wel eens af hoe artsen en verpleegkundigen aankijken tegen leven en dood, zeker met het vooruitzicht dat keuzes moeten worden gemaakt wie wel en niet behandeld zullen worden bij toenemende druk op het aantal beschikbare bedden. Men heeft de neiging om deze beslissing aan de professionele en ethische overwegingen van de dienstdoende artsen over te laten. Dat maakt de vraag hoe een gemiddelde professional tegen het leven aankijkt relevant. Hoewel Kollaard het helemaal niet heeft over Corona biedt zijn boek alle gelegenheid hierbij stil te staan.

            Eigenlijk staat dit vraagstuk vanaf het begin van het boek centraal, waarin de wat bedaagde IC verpleegkundige Henk van Doorn een gesprek heeft met een veel jongere collega over de betekenis van het hart. Volgens haar is het hart slechts een pomp waardoor het bloed door het lichaam stroomt, terwijl Henk vasthoudt aan de betekenis van het hart dat onze diepste gevoelens verbeeldt, van liefde kan overstromen of juist kil kan blijken te zijn. Eigenlijk gaat het hier om de discussie tussen een mechanisch en vitalistisch idee van het leven, want de collega zou zeggen dat de mens primair materie is, ‘spul’, terwijl Henk dat weliswaar erkent maar zich beroept op de levenslust van de materialiteit van het leven.

            Hoe zouden beide professionals omgaan met de selectie van patiënten in het geval van triage? Het valt te verwachten dat de collega van Henk een calculerende burger is die vooral kijkt naar de slagingskans van de behandeling en als de nood aan de man komt een rationeel principe zal hanteren dat jongeren bijvoorbeeld voorrang geeft op ouderen, terwijl Henk daarentegen individuele factoren centraal zou stellen. Hij erkent namelijk wel de materialiteit van het menselijk bestaan maar zegt dat het leven meer is dan dat: “Spul dus? Ja, spul, alleen maar spul? Ja, alleen maar spul. Maar: schitterend spul! Poëtisch spul… want kijk dat spul eens zitten in zijn busstoeltje met een wezenloze glimlach rond zijn lippen. De nederlaag is al binnen een paar minuten vergeten, liefdevol bedekt met de poedersuiker van opspelende verliefdheid. Poëzie: het wonderbaarlijke vermogen van spul om verliefd te worden. Laten we daar even stilstaan: spul dat verliefd wordt…” (97). Uiteindelijk vindt hij de zin van de materialiteit van het bestaan in levenslust: “’… het is niet eten en drinken dat ons in leven houdt, maar levenslust, de morele overtuiging dat het de moeite waard is, dat er waarheid en schoonheid ligt in het leven zelf, altijd en overal, maar dat het aan ons is om dat op te zoeken, te delven, als gelukszoekers, in de beste betekenis van het woord…” (133).

Enerzijds laten deze twee diametraal tegenover elkaar staande grondhoudingen ten aanzien van het leven ons twijfelen aan de vanzelfsprekendheid van de gedachte dat we beslissingen over triage aan professionals moeten overlaten, als die beslissingen mede ingegeven zijn door hun eigen levensovertuiging in plaats van die van hun patiënten. Anderzijds spreekt Henk ons aan op ons eigen vanzelfsprekende begrip van het leven. Hij zegt dat ziekte “ons uit de normale verhoudingen [verjaagt] en reduceert … tot vreemdelingen. Het vernietigt de vanzelfsprekendheid van wie en wat we zijn” (16). Als Corona de ziekte van onze tijd is, dan zouden we de huidige pandemie progressief kunnen begrijpen als crisis die ons uit onze normale en vanzelfsprekende verhoudingen verstoot. En wat is er vanzelfsprekender vandaag de dag dan de gedachte dat het hart primair een pomp is, dat het leven gecalculeerd kan worden op basis van generiek-rationele grootheden als onderdeel van een enorme calculus van het leven? Als waarheid en schoonheid in het leven zelf ligt, altijd en overal, dan kan de prioriteit van behandeling niet worden afgemeten aan een abstracte grootheid als het genoten aantal levensjaren. Dan zouden we Henks idee van “levenslust als moreel beginsel” (96) als uitgangspunt moeten nemen voor onze morele overwegingen in het geval van triage. Die levenslust is niet af te meten aan het aantal genoten levensjaren en kan misschien überhaupt niet door een ander worden beoordeeld. Veeleer zouden potentiële Corona patiënten zichzelf de vraag moeten stellen of zij nog de morele overtuiging hebben dat het leven de moeite waard is, en zou dit gezichtspunt centraal moeten staan in de afweging of zij nog behandeld willen worden of niet. Het maakt de morele overwegingen in het geval van triage niet gemakkelijker maar voorkomt dat het individu verdwijnt achter een ethische calculus en geeft de enkelvoudigheid en onvervangbaarheid van het bestaan weer stem in ons verdriet om al die te vroeg gestorvenen.