Tag Archives: verlangen

De wildernis van de homo faber (David Vann’s Caribou Island)

David Vann’s Caribou Island geeft ons gelegenheid om genuanceerder over de mens als homo faber na te denken. Het verhaal speelt op een afgelegen eiland in een van de meren van Alaska, waar een echtpaar op leeftijd onder erbarmelijke omstandigheden aan een blokhut bouwt terwijl hun huwelijk op de klippen loopt. Garry, de hoofdpersoon uit het verhaal, leeft in de overtuiging dat de mens in wezen niet als homo sapiens kan worden begrepen, maar als homo faber moet worden gedacht. Het begrip van de mens als homo faber heeft normaal gesproken een negatieve connotatie, namelijk van de getechnificeerde mens in de maakbare samenleving. Het vreemde is dat ook Garry kritisch staat tegenover de maakbare samenleving en droomt van een leven in de wildernis, maar het wezen van de mens toch als homo faber denkt. Negatief gezegd betekent dit dat hij de homo faber niet in verband kan brengen met het rekenen en plannen, kortom met de perfectie van de techniek. Dit blijkt ook uit de tekst: “Ze zouden hun hut vanaf de grond opbouwen. Zelfs geen fundering. En geen tekeningen, geen ervaring, geen vergunningen, advies ongewenst. Gary wilde het gewoon doen, alsof zij twee de eersten waren die deze wildernis in getrokken waren” (8).

Niet de perfectie van de techniek maar de wildernis van de aarde vormt het uitgangspunt voor Garry’s begrip van de homo faber. Die wildernis wordt begrepen als het overweldigende dat de mens en zijn werken dreigt te vernietigen. De homo faber verlangt in zekere zin zelfs naar die vernietiging: “Een verlangen om te zien wat de wereld kan aanrichten, wat je kunt verdragen, uiteindelijk om te zien wat je waard bent als je verscheurd wordt. De zegen van de vernietiging, van het weggevaagd worden. Maar altijd kent hij verlangen, hij die in zee steekt, en dat is het verlangen om tegenover het ergste te taan, een subtiele hoop op een grotere golf” (212). Dit verlangen van de homo faber is niet zozeer suïcidaal, maar verlangt naar de confrontatie van zijn werken met het overweldigende van de wildernis om te beproeven welke vormen vuurvast blijken te zijn. In die beproeving gaat het uiteindelijk niet om de houdbaarheid van de werken zelf – de krakkemikkige blokhut op het eiland als prothese die wordt geteisterd door weer en wind – maar van de identiteit van de mens die daarin wordt geproduceerd; “De hut zelf als uitdrukking van de mens, een vorm van zijn eigen geest” (68). De homo faber is de mens die weet dat zijn identiteit zich constitueert in de confrontatie van zijn werken met de wildernis van de aarde.

Nu wijzen filosofen zoals Heidegger dit allemaal af omdat het begrip van de mens als homo faber gebonden zou zijn aan de voorstelling van de maakbare samenleving door de mens die haar op eigenzinnige wijze beleeft. En toch is dit te gemakkelijk. Niet alleen omdat ook Heidegger ooit de gedachte aan de homo faber heeft omarmt[1]. Het verschil tussen Heidegger en Garry is dat de eerste denkt dat het werk van de homo faber gereduceerd kan worden tot een specifieke manier waarop ons verstaan van de dingen wordt gestructureerd – Machenschaft und Erlebnis – terwijl de laatste denkt dat het werk echt is; het werk van de homo faber is de pro-ductie waarin de identiteit van de mens uitkristalliseert om uiteindelijk weer verzwolgen te worden door het overweldigende van de wildernis. De homo faber is daarmee niet zozeer een arbeider die de perfectie van de techniek omarmt noch de hulpbehoevende die zich afhankelijk weet van pro-theses,  maar de mens die ervaart dat zijn identiteit zich alleen uitkristalliseert in de productie van werken die hem enerzijds zijn bestemming geven, en die anderzijds moeten worden beproefd in hun confrontatie met de wildernis van de aarde (zie ook mijn blog over David Vann’s Aarde).

[1] Zie hiervoor: Blok, V. (2015) “Heidegger’s Ontology of Work”, Heidegger Studies 31: 109-128

Opstand tegen de barbaren (John Coetzee, Wachten op de barbaren)

Wachten op de barbaren gaat over een magistraat die een afgelegen grenspost van het rijk bestuurt en in opstand komt als hem wordt opgedragen de barbaren in het grensgebied te vervolgen. De aard van de opstand van de magistraat is filosofisch relevant als we ons afvragen wat de aard van onze opstand zou moeten wezen, willen we hedendaagse crises zoals die van de economie of het klimaat daadwerkelijk tot ons toelaten.

Allereerst is de opstand van de magistraat niet ontologisch maar ethisch gemotiveerd. Als hij tijdens zijn nachtelijke omzwervingen in het grensgebied oog probeert te krijgen voor de hogere zin van het land van de barbaren buiten de stadspoorten, ervaart hij dat die er niet is: “Ik zat te kijken naar het opkomen van de maan, stelde mijn zintuigen open voor de nacht, wachtte op een teken dat alles wat om me heen lag, wat onder mijn voeten lag, niet louter zand, beenderstof, schilfers roest, scherven of as was. Maar het teken kwam niet. … De ruimte die ons hier omgeeft is louter ruimte, niet onaanzienlijker of grootser dan de ruimte boven de keten en woningen en tempels en kantoren van de hoofdstad. Ruimte is ruimte, leven is leven, overal gelijk. Maar ik, … ik koester mijn melancholie en tracht in de leegte van de woestijn iets van bijzonder en aangrijpend historisch belang te ontdekken. Nutteloos, ijdel, misleid! Gelukkig maar dat niemand me ziet” (29-30). De magistraat ervaart niet alleen dat er geen verschil is tussen het leven binnen en buiten de stadspoorten, geen verschil is tussen de barbaren en zijn volksgenoten, maar bovenal dat zijn hoop op een hogere zin van de barbaren ijdel is. En toch komt hij in opstand als hij ziet dat deze mensen op onmenselijke wijze naar de stad worden geleid om daar mishandeld en vernederd worden.

De opstand van de magistraat bestaat erin dat hij aandacht vraagt voor de morele grens die wordt overschreden door de folteraars van het Rijk: “‘Kijk!’ schreeuw ik. ‘Wij zijn het grootste wonder der schepping! Maar van sommige klappen kan dit wonderbaarlijke lichaam zich niet herstellen. ‘Hoe…!’ Ik kan niet uit mijn woorden komen. ‘Kijk naar deze mensen!’ herneem ik. ‘Ménsen!’ De menigte rekt, voor zover daartoe in staat, de halzen om naar de gevangenen te kijken en zelfs naar de vliegen die op hun bloedende striemen beginnen neer te dalen” (166). Het is het gelaat van de ander, om met Levinas te spreken, die oproept tot de opstand van de magistraat. Tegelijkertijd laat zich een belangrijk verschil zien. Terwijl de ander volgens Levinas de principiële mogelijkheid van een nieuw begin in zich draagt, de opstanding van een menselijke bestaanswijze die responsief is naar de noden van de barbaren en vreedzaam met hen samen probeert te leven, ervaart de magistraat dat zo’n nieuw begin hem niet gegeven is: “De nieuwe mannen van het Rijk zijn degenen die in zaken als een nieuw begin geloven, een nieuw hoofdstuk, een schone lei; ik ploeter voort met het oude verhaal, hopend dat het me voordat het eindigt zal onthullen waarom ik het ooit de moeite waard heb geacht. Zo komt het dat ik, nu de verantwoordelijkheid voor wet en orde in deze contreien vandaag weer aan mij is overgedragen, bevel geef dat de gevangenen gevoed moeten worden, dat de dokter geroepen moet worden om te doen wat hij kan…” (42). De magistraat ervaart met andere woorden dat zijn opstand gebonden is aan de tijd-ruimtelijke situatie die hem gegeven is, dat wil zeggen de orde die door het Rijk wordt geconstitueerd en waarmee hij zich onlosmakelijk verbonden weet.

Die ervaring van geworpenheid maakt dat de opstand van de magistraat eindigt in een dwaze volharding. Hij fantaseert over het herstel van de vrede aan de grens. “De barbaren hebben zich met hun kuddes tot in de diepste bergdalen teruggetrokken en wachten totdat de soldaten er genoeg van krijgen en weggaan. Als dat gebeurt zullen ze weer tevoorschijn komen. Ze zullen hun schapen weiden en ons met rust laten, wij zullen onze akkers inzaaien en hen met rust laten, en binnen een paar jaar zal de vrede langs de grens hersteld zijn” (203). Hij beseft tegelijkertijd dat niet de veedrijver maar alleen de akkerbouwer van dergelijke grenzen leeft, dat dergelijke grenzen pas ontstaan als de schaarste toeneemt en juist daarom verdedigd en bestreden moeten worden in oorlog en strijd. Dergelijke fantasieën over vrede aan de grens heeft de magistraat nodig, hoezeer hij ook beseft dat ze het dwaalspoor verhullen waarop hij zich bevindt: “Zoals zo vaak tegenwoordig loop ik met een dwaas gevoel weg, alsof ik al langgeleden ben verdwaald maar hardnekkig verderga op een weg die misschien nergens naartoe leidt” (237). Het lukt de magistraat met andere woorden niet zijn eigen barbarendom tot zich toe te laten.

En misschien vinden we hier wel een aanwijzing naar de opstand die ons opgegeven is. Want leert de dwaze volharding van de magistraat ons niet dat we weliswaar moeten erkennen al lang geleden verdwaald te zijn, maar tegelijkertijd een nieuw begin moeten beproeven? Dan is de opstand van de magistraat te begrijpen als een morele beslissing die in de singulariteit van de verdwaalde en dwalende, dat wil zeggen in zijn eigen barbarendom verankerd ligt. Maar dan had de opstand van de magistraat ook kunnen bestaan in de overtreding van de wetten van het Rijk, in de ondermijning van het gezag dat de verdwaalde en dwalende, dat wil zeggen de barbaren mishandelt en vernietigt. Ten slotte had de opstand van de magistraat dan kunnen bestaan in het verlangen naar een nieuw begin. In feite doet de magistraat er juist alles aan om elk verlangen en elke begeerte te doven; de situatie is uitzichtloos en leidt tot gelatenheid.

Als wij daarentegen ervaren dat geen neutrale positie meer in te nemen is ten aanzien van de hedendaagse crises van de economie en het klimaat, dan is er geen ruimte meer voor een dergelijk gelatenheid. De morele beslissing om zorg te dragen voor de slachtoffers van de huidige crises, ondanks de onafwendbaarheid ervan, volstaat dan niet meer. Liever een geboren overtreder[1] dan een dwaze volharder zoals de magistraat! Onze opstand bestaat dan in de overtreding van de wetten die de crises hebben veroorzaakt, in het verlangen naar een nieuw begin van de verdwaalde en dwalende – de grenzeloze verbeelding van de geboren overtreder – en in de morele beslissing om zorg te dragen voor de slachtoffers van de menselijke verbeelding.

[1] Vgl. mijn blog ‘De crack in everything (Leonard Cohen) en de geboren overtreder (Tommy Wieringa)’ van 30 Augustus 2014.

De crack in everything (Leonard Cohen) en de geboren overtreder (Tommy Wieringa)

Er schuilt iets ontegenzeggelijk positiefs in Leonard Cohen’s vers over de barst of scheur in alle dingen: There is a crack in everything/ that’s how the light gets in (Anthem). Eerst dacht ik dat de crack de scheur of kloof tussen mij en de wereld betrof, de afgrond waarin al mijn pogingen om de wereld te bereiken neer zouden storten en verzwolgen zouden worden.[1] Cohen is echter iets op het spoor dat we met Heidegger de on-verborgenheid van de dingen zouden kunnen noemen. Enerzijds is die kloof of scheur de openheid tussen mensen en dingen waarin het licht de wereld verlicht en zichtbaar voor ons maakt. Anderzijds roept Cohen’s lied deze openheid in herinnering, dat wil zeggen dat ze normaal gesproken vergeten en verborgen blijft in ons leven en handelen in dit perfecte licht. Cohen roept de crack in everything in herinnering: Ring the bells that still can ring/ forget your perfect offering/there is a crack in everything … Een belangrijk verschil met Heidegger is dat deze verborgen en licht toelatende openheid volgens Cohen van de dingen zelf is en niet van Zijn, en dat ze het eigenste van mensen en dingen uitmaakt. De vraag is: hoe verhoud ik mij tot die licht toelatende openheid, als ze niet alleen het eigenste van de dingen betreft maar evengoed van mijzelf?

In Dit zijn de namen van Tommy Wieringa is eveneens sprake van een crack in everything. Pontus Beg is politiecommissaris in een afgelegen grensstad in onherbergzaam gebied, ergens in het Oosten. Het is zijn voornaamste taak om rust en orde in de stad te bewaken. Volgens Pontus is “het leven van de mens tussen hemel en aarde als een lichtstraal die door een opening in de muur valt: een ogenblik en het is voorbij. … Stromend en barstend komt alles tevoorschijn; glijdend en vloeiend gaat alles weer naar binnen. Een verandering en hij leeft; nog een verandering en hij is dood”. (199). Volgens Pontus is het dus niet alleen zo dat een opening in de muur het licht toelaat, maar wordt het leven van de mens met die lichtstraal in verband gebracht. Hoe verhoudt het licht van het leven zich tot de crack in everything?

In eerste instantie denkt Pontus dat het licht van het leven met orde in verband moet worden gebracht, een orde die moet worden gehandhaafd tegenover de oprukkende chaos: “’Houd duim en wijsvinger zo dat er nauwelijks meer licht tussendoor valt, dan weet je hoe dichtbij de chaos is’, had hij tegen zijn mensen gezegd. Zij waren er juist om dat beetje licht, dat minuscule kiertje, te bewaken – zo goed en zo kwaad als dat ging” (209). De taak van het politieapparaat is om het licht van orde en rust te garanderen en het recht van de mens op een “ongestoord leven in het midden” te verdedigen (156). In deze eerste lezing laat de crack in everything het licht niet alleen toe maar dreigt het dit licht ook continu op te slokken. De ondergang van dit ordelijke licht wordt verhoed door wetgeving en door wetshandhavers zoals Pontus Beg.

Langzaamaan komt hij echter tot het inzicht dat het ordelijke licht helemaal niet wordt bedreigd door een barst of scheur, maar pas opkomt als een ander licht is gedoofd, namelijk het licht van het verlangen dat de orde bedreigt. In Dit zijn de namen vinden we twee voorbeelden van manieren waarop het licht van de orde wordt bedreigd; enerzijds door Pontus’ verlangen naar een vernieuwing van zijn ziel als hij zich zijn verborgen Joodse identiteit herinnert, en anderzijds door een groep vluchtelingen die over de steppe trekt om het beloofde land – de stad waarin Pontus Beg orde en rust moet zien te handhaven – te bereiken: “Als blinden tastten de reizigers met duizenden tegelijk de muren af, op zoek naar zwakke plekken, een bres, een gaatje waar ze doorheen konden glippen. Een golf van mensen spoelden tegen die muren aan, het was onmogelijk om ze allemaal tegen te houden.  Ze kwamen met ontelbaren en ieder van hen leefde in de hoop en verwachting dat hij bij de gelukkigen hoorde die de overkant zouden bereiken” (104). De crack in everything is hier het gat in elke omgrenzing van de orde, die het licht van het verlangen doet ontbranden en gaande houdt. Het ordelijke licht wordt dus niet primair bedreigd door een barst of scheur die zich continu weer dreigt te sluiten, maar door het licht van het verlangen dat wordt aangewakkerd door de crack in everything.

Dit zijn de namen maakt duidelijk dat het licht van het verlangen bestaat in de overtreding van de wetten en regels die de heersende orde uitmaken: “Wie identiteitspapieren had, bezat die nu niet meer. Nacer Gül had gezegd dat ze ze moesten verscheuren. Het was beter om zonder identiteit te arriveren in het land van aankomst. Een mens zonder naam en afkomst verwart het protocol. Procedures lopen vast, de kans dat je kunt blijven neemt toe. Dus vernietigden ze de papieren die ze met zoveel moeite hadden verkregen. Alles was onvast nu… Nu zijn ze  niemand meer” (103). De verlangende is de “geboren overtreder”  (232) van wet- en regelgeving en dankzij die overtreding ervaart hij voor een moment het grenzeloze niemandsland waarin grenzen worden getrokken en ondermijnd, de crack in everything die normaal gesproken vergeten blijft in het licht van de orde.

De crack in everything betreft echter niet alleen een geografische grens of omheining in het niemandsland, maar huist evengoed in het hart van de verlangende, in (n)iemand; Pontus Beg spreekt over een leegte in de mens, een scheuring in onze eigen naam of identiteit die het licht van het verlangen doet ontvlammen. Dit licht van het verlangen mondt echter niet meer uit in een nieuwe  identiteit, in een nieuwe orde. Enerzijds blijkt elke nieuwe begrenzing illusoir in het licht van het grenzeloze niemandsland, de crack in everything: “Toen ze de rand van de stad bereikten en begrepen waar ze waren, begon de stroper te huilen. Hij kon niet ophouden. De vrouw kon zijn verdriet niet aanzien, ook over haar wangen biggelden dikke tranen. Het leek een besmettelijke ziekte, ze staken elkaar aan, ze huilden nu allemaal, hun tranen bleven stromen. Alles was voor niets geweest. Alles. Ze waren de woestenij overgestoken naar een nieuw land, om daar te ontdekken dat er geen nieuw land was, alleen de nachtmerrie van een eeuwige wederkeer” (236). Anderzijds blijft dit niemandsland in alle dingen vergeten in onze ijver voor een nieuwe begrenzing van de orde. De verlangende is daarentegen een geboren overtreder, dat wil zeggen dat hij niet langer begaan is met het trekken van nieuwe grenzen rond zijn identiteit, maar met de “grenzeloze verbeelding van de overtreding” (232).

Daarmee krijgen we antwoord op de vraag hoe ik mij moet verhouden tot de crack in everything die mijn eigenste uitmaakt. De openheid is het gat in de omgrenzing van mijn identiteit, die mijn verlangen om het eigenste van mijzelf en de dingen te bereiken doet ontvlammen. Dit verlangen wordt niet verzwolgen in de confrontatie met deze openheid, maar de grenzeloze verbeelding van de overtreding van de omgrenzing van mijn identiteit geeft op indirecte wijze pas toegang tot dit eigenste. En laat er geen misverstand over bestaan dat deze grenzeloze verbeelding op een of andere manier mens- of vredelievend zou zijn. Het voorbeeld van de grenzeloze verbeelding in Dit zijn de namen is de nabootsing van een grens door mensenhandelaren, die het mogelijk maakt geld te innen zonder daarbij enig risico te lopen. Voor een meer filosofische variant kunnen we denken aan het boek Dit zijn de namen zelf, namelijk als supplementaire kopie[2] van het tweede bijbelboek Exodus, waarvan de eerste regel luidt: Dit zijn de namen van de zonen van Israel…

[1] Zie mijn blog “John Coetzee’s ‘The Childhood of Jesus’ or How to Escape the World” van 1 Augustus 2013

[2] Zie mijn blok ”De dubbelganger van Stefan Hertmans” van 25 mei 2014