Tag Archives: vrijheid

De category mistake van de Europese burgeroorlog (Michel Houllebecq, Onderworpen)

“Denkt u echt dat ze een burgeroorlog willen ontketenen? Geen twijfel mogelijk”, schrijft Houellebecq in zijn in 2015 verschenen roman Onderworpen (54). En een burgeroorlog kreeg Europa, met een toenemende sequentie van aanvallen op de redactie van een satirisch tijdschrift, een podium voor indi-rock, een toeristische boulevard etc., die in hevigheid alleen maar zullen toenemen.

Het verontrustende van deze aanslagen is niet zozeer de terror waartoe de aanhangers van Islamitische Staat bereid blijken te zijn. Hoewel minder symbolisch in de keuze van doelwitten, doet de terror van de Westerse mogendheden niet veel onder voor die van IS; denk aan de honderdduizenden burgerslachtoffers in Irak als gevolg van Westerse bombardementen, denk aan de Westerse legitimatie van de Israëlische terreur jegens het Palestijnse volk, denk aan de repressie van kansarme allochtone jongeren in de buitenwijken van Brussel en Parijs, om maar een paar voorbeelden te noemen. Verontrustend is veeleer de categorial mistake die het Europa onmogelijk maakt haar vijand serieus te nemen, laat staan een burgeroorlog uit te vechten.

In de Europese samenleving is de individuele vrijheid en singulariteit van elk individu doorgeschoten tot absolute norm. Daardoor ziet de Europeaan zichzelf niet alleen primair als individuele actor die zijn eigen leven leidt, maar wantrouwt hij ook elke tendens tot veralgemenisering en totalisering van anderen, bijvoorbeeld in termen van ‘het Islamitisch gevaar’. De Europeaan hamert op het feit dat we met individuen te doen hebben die in staat blijken tot terroristische daden, maar dat we hen niet over één kam moeten scheren en als groep mogen veroordelen. De verdachtmaking van elke generaliserende aanspraak ontneemt de Europeaan om überhaupt een vijand, i.e. een idee of eigenschap die bepaalde actoren met elkaar gemeen hebben, te identificeren. Dat wil zeggen dat de individuele vrijheid en singulariteit de Europeaan belet om de Europese burgeroorlog als een burgeroorlog te taxeren, laat staan te voeren; ze is niet in staat tot een algemene aanspraak die een vijand identificeert, in het licht waarvan een burgeroorlog kan worden gevoerd. De strijd wordt hooguit gevoerd tegen  meer of minder individuele raddraaiers die terroristische aanslagen plegen.

De category mistake van de Europese burgeroorlog bestaat daarin, dat de aanhangers van IS wel in staat zijn tot algemene of totaliserende aanspraken, waarmee zij hun vijand kunnen identificeren. IS vindt die totaliserende aanspraak nu juist in de individuele vrijheid en singulariteit als algemene kenmerken van de Europeaan, die geperverteerd verschijnen in de aanspraak op grenzeloze beledigingen van anderen. Het zijn die algemene kenmerken van de Europeaan die de aanvallen van IS op het individu – de ironicus, de danser, de flaneur – legitimeert, terwijl diezelfde individualiteit de Europeaan de mogelijkheid ontneemt om zich te verdedigen tegen die aanvallen. Dan ben je bij voorbaat ten dode opgeschreven.

Advertisements

De vrijheid van de economie, of hoe de Grieken de vrijheid verkwanselden (Lord Byron, De omzwervingen van Jonker Harold)

Lord Byron’s omzwervingen van Jonker Harold laat zien dat de Griekse onderwerping aan Europa in een lange traditie staat:

“Een bende pummels ringeloort uw land.

De Griek doet niets. Hij scheldt op de barbaar,

maar siddert voor de zweep in Turkse hand,

Een slaaf van wieg tot graf, in woord en daad ontmand” (II: 74).

Byron leert dat het Griekse referendum tegen de Europese schuldeisers niets anders was dan het gekef van een schoothondje die zijn angst en beven voor de wetten van de Europese economie moesten verhullen. De Griek draagt volgens Byron nog wel de kiem van de vrijheid in zich, maar weet die niet meer tot een verzengend vuur aan te wakkeren. Waarom? Ten onrechte hoopt de Griek op de hulp van derden; de Fransen en de Russen in Byron’s tijd, waarop ook nu weer een beroep wordt gedaan. Zijn oproep kan worden gelezen als een oproep aan de Grieken naar de vrijheid te grijpen en het juk van de Europese economie af te werpen.

“Wacht niet tot de Rus of Galliër dat doet!

Want ook al valt de vijand hun te voet,

Het vuur der vrijheid zal voor u niet branden.

Sta op! De wraak van de Heloot is zoet!

Kom Griekenland, verjaag uw dwingelanden!

Uw glorie is gedoofd; u resten hoon en schande” (II: 76).

Die schande bestaat erin dat nota bene de Grieken, als bewoners van de bakermat van Europa, de strijd tussen politiek en economie hebben verloren, en daarmee het vuur van de vrijheid van de economie.

De ijdelheid van de ondernemer in het cowboy kapitalisme (John Williams, Butcher’s Crossing)

Ondernemerschap is één van de koosnaampjes die onze tijd kenmerken. Ondernemers zijn hip en alles wat door ondernemerschap wordt aangeraakt lijkt te gaan groeien en bloeien, variërend van de ondernemende universiteit tot en met de ondernemende kunstenaar. Ondernemerschap is het idealisme van onze tijd, een idealisme dat wars is van ambtenarij, betutteling en bureaucratie en alle ruimte geeft aan zelfbewuste jonge mensen die alert zijn op nieuwe kansen in de markt, risico’s durven nemen, en met huid en haar betrokken zijn in de strijd om het beste idee, de beste kans of het beste product. We leven in het tijdperk van het cowboy-kapitalisme, het wilde westen waarin ondernemers hun geluk beproeven door risico’s te nemen, geloof hebben in eigen kunnen, en bereid zijn vuile handen te maken om het verschil te maken. John Williams’ boek Butcher´s Crossing werpt evenwel een ander, ontnuchterend licht op het ideaal van de cowboy-ondernemer.

Butcher’s Crossing beschrijft de metamorfose van een jongeman die het wilde westen intrekt om een nieuw leven te beginnen, maar bedrogen uitkomt. In het begin van het boek, wanneer de jongeman aankomt in Butcher’s Crossing, een bizonhuidendorp en laatste grenspost voordat het wilde westen begint, treft hij een klassieke ondernemer in deze huiden aan: “Die koop en verkoop ik. Ik stuur groepen jagers eropuit om te jagen, en dan voeren ze huiden aan. Die verkoop ik in Saint Louis. Het drogen en looien doe ik hier zelf. Vorig jaar heb ik er bijna honderdduizend verwerkt. Dit jaar twee-, driemaal zoveel. Geweldige kans, jongen. Denk je iets met deze administratie te kunnen?” (22). De ondernemer wijst de jongeman ook op de business opportunity om kavels in het dorp te claimen; zij zullen enorm in prijs stijgen als eenmaal de spoorlijn is aangelegd. Hij roept de jongen op bij hem te blijven en voor hem te gaan werken, want hij ziet in hem iemand die “aan de dag van morgen kan denken” (23). De ondernemer is een man van actie die aan de dag van morgen denkt, nu investeert met het oog op winst morgen en winstgevendheid voor de dagen die volgen.

De jongeman wijst het aanbod van de huidenverkoper af. Hij was naar deze grenspost afgereisd om afscheid te nemen van de mechanische wereld van de administratie, en is op zoek naar de vrijheid van het wilde westen. Hij stelt zich dat land voor als een oneindige wildernis vol nieuwe ontdekkingen. Samen met een ervaren bizonjager investeert hij in een span ossen die de huiden moeten vervoeren, stelt hij een eerste werknemer aan en spreekt hij een puike prijs af met de huidenhandelaar. Een jaar later, na verschrikkelijke ontberingen te hebben doorstaan, komt de jongeman zonder buit terug bij de handelaar, die ook zelf bankroet blijkt te zijn gegaan. De markt voor bizonhuiden blijkt ingestort, mede dankzij het cowboy-kapitalisme van de bizonjagers. “’Jij maakt jezelf kapot, jij en jouw soort mensen. Dag in, dag uit, met alles wat je doet. Niemand kan jóú zeggen wat je moet doen. Nee. Jij gaat je eigen gang, terwijl het land ligt te rotten van alles wat je doodt. Je overspoelt de markt met huiden en maakt de markt kapot…” (303). Doordat bizons enerzijds worden overbejaagd en hun huiden anderzijds op de markt worden gedumpt door de cowboy ondernemers, hebben zij de markt om zeep gebracht. De onderneming van de jongeman bleek met andere woorden ijdel.

Die ijdelheid van de onderneming wordt teruggevoerd op de ijdelheid van de ondernemer; na zijn terugkeer uit het wilde westen kan de jongeman “zich de kracht [niet] herinneren van die […] passie, die hem ertoe had aangezet om een half continent over te trekken, naar een wildernis waarover hij had gedroomd, als in een visioen, dat hij er zijn onveranderlijke zelf zou kunnen vinden. Bijna zonder spijt kon hij nu toegeven dat deze passies waren voortgekomen uit ijdelheid” (332). De ijdelheid van de jongeman kan een aanwijzing geven naar de ijdelheid van de cowboy-ondernemer die in het cowboy-kapitalisme zo wordt gehuldigd en gevierd. Het geloof in eigen kunnen (self-efficacy) van de cowboy-ondernemer, die zich door niemand de wet laat voorschrijven, getuigt van hoogmoed, en zijn risicobereidheid getuigt van blindheid, waardoor hij de vergankelijkheid en zinloosheid van al zijn inspanningen om het verschil te maken niet ziet: “’Jongelui’, zei McDonald, ‘willen altijd met niets beginnen. Ik weet het. Je had nooit gedacht dat iemand anders wist wat je probeerde te doen, hè?’. ‘Daar heb ik nooit over nagedacht’, zei Andrews. ‘Misschien omdat ik zelf niet wist wat ik probeerde te doen’. Weet je het nu wel?’. Andrews schoof onrustig heen en weer. ‘Jongelui,’ zei McDonald minachtend, ‘jullie denken altijd dat er iets te ontdekken valt’. ‘Ja meneer’, zei Andrews. ‘Nou, er valt niets te ontdekken’, zei McDonald”(304).

De cowboy-ondernemer, verblind als hij is door zijn hoogmoed, gaat zijn eigen ondergang tegemoet zodra hij de grens van Butcher’s Crossing passeert. Die ondergang bestaat niet zozeer in het bankroet van de ondernemer – voor hetzelfde geld had de investering wel rendement opgeleverd – maar in de ijdelheid, vergankelijkheid en zinloosheid van alle inspanningen van de ondernemer om het verschil te maken, die de jongeman pas na zijn terugkeer uit het wilde westen ervaren kan: “Dat was de helderblauwe leegte in de starende blik van Charley Hoge, waarin hij een vluchtige blik had geworpen. Dat was de minachtende blik waarmee Schneider naar de rivier had gekeken vlak voordat de hoef zijn gezicht had weggevaagd. Dat was het blinde volhouden op het gezicht van Miller tijdens de witte sneeuwjacht in de bergen” (332-333). Butcher’s Crossing leert dat de cowboy-ondernemer gekenmerkt wordt door 1) hoogmoed (in plaats van vertrouwen in eigen kunnen), die hem 2) blind maakt (in plaats van risicobereid) voor de 3) diepe vergankelijkheid en zinloosheid die zijn niet aflatende werklust omgeeft (in plaats van de zorg voor morgen). De pleitbezorgers van het cowboy-kapitalisme zouden zich eerst rekenschap moeten geven van de ijdelheid van de cowboy-ondernemer, alvorens onze studenten op te leiden voor het wilde westen.

Jeff Wall en de aard van de beweging

11_Volunteer_1996

De foto’s van Jeff Wall dwingen ons anders na te denken over beweging en rust. Neem Volunteer, een prachtige zwart-wit foto uit 1996 die ik recentelijk zag tijdens een tentoonstelling in het Stedelijk Museum van Amsterdam. Wall vroeg een vrijwilliger van een daklozencentrum een maand lang te werken voor de camera zodat hij niet meer zou poseren maar zich zou gedragen als ware het een reële situatie. Het resultaat is een geënsceneerd beeld van een man die met een mop in de hand de vloer dweilt. De ruimte is eenvoudig ingericht met wat stoelen en een kinderlijk getekend berglandschap bij wijze van behang. Samen met een eenvoudig keukenblok in de hoek met een koffieketel en wat knuffelbeertjes aan een verwarmingsbuis, wordt het decor gevormd waarin de man lijkt op te gaan in zijn werk, zijn ogen gericht op de mop waarmee hij de vloer van de verlaten ruimte boent.

Normaal gesproken denken we over beweging zo, dat we ons een mens voorstellen die zich vervolgens beweegt in de wereld en bijvoorbeeld een vloertje boent. Die gedachtegang wordt onderbroken door Wall’s foto, doordat de man wordt stilgezet in het snapshot en de mop toch beweging laat zien. Deze beweging áchter de beweging van de mop over de vloer constitueert de identiteit van de man die opgaat in zijn werk en zo pas is wie hij is; vrijwilliger. Niet alleen dat, want ze tekent evengoed de verlaten ruimte waarin de man zijn eenzame arbeid verricht; het lauwe kopje koffie uit de ketel die is uitgezet na de laatste dienst, de rechte stoelen die alleen een gejaagde rust toelaten, kortom, het ecosysteem waarin de vrijwilliger en de verlaten ruimte in elkaar zijn ingebouwd. In deze synchroniciteit van de man en de ruimte ligt ongetwijfeld ook het esthetisch effect van de foto. Maar belangrijker dan dit esthetisch effect is een filosofisch effect dat van Wall’s foto uitgaat: Volunteer doet vermoeden dat het de beweging van de mop over de geleefde vloer zélf is, die het ecosysteem van de vrijwilliger constitueert en in beweging zet.

En toch gaat de vrijwilliger niet op in de beweging van de mop en wordt de foto tegelijkertijd door een grote afwezigheid getekend, alsof de man en de ruimte aan elkaar voorbij trekken. De blik van de man is gericht op de beweging van de mop en tegelijkertijd afgesloten daarvoor, in zichzelf gekeerd en afwezig. Daarmee begint de titel van de foto anders te spreken. In eerste instantie laat Volunteer zien dat de man juist niet het vrije subject is maar pas vrijwilliger is dankzij de beweging van de mop. In tweede instantie laat Volunteer zien dat de vrijwilliger weliswaar niet vrij is om de beweging van de mop op te nemen of af te stoten, maar in de grond wel vrij is van die beweging, niet opgaat in het ecosysteem van de verlaten ruimte. Maar goed, alleen wat in beweging is kan ook rusten… Hetzelfde geldt natuurlijk voor ons.