Tag Archives: wereld

De vlucht voor breuklijnen en de hartstocht van de ondernemer (De schooldagen van Jezus, John Coetzee)

In het vervolg op De Kinderjaren van Jezus van John Coetzee vluchten de hoofdpersonen David en zijn pleegvader Simon opnieuw naar een nieuwe stad. Het vorige verhaal draaide om hun aankomst in een nieuw land waar wordt afgezien van het singuliere van het menselijk bestaan ten gunste van het universalisme van het heden, dat blijk geeft van een bloedeloze maar welwillende houding jegens vreemdelingen. David en Simon worden weliswaar opgenomen in het nieuwe land en kunnen naar school en aan het werk, maar zij voelen zich niet thuis in het nieuwe land. Beiden blijven ze de singulariteit van het menselijk bestaan centraal stellen, ieder op hun eigen manier. Terwijl dit bij Simon blijkt uit zijn verlangen naar de persoonlijkheid van de ander of de wereld en uitkristalliseert in zijn zorg voor David, wordt Davids houding getekend door een radicale breuk tussen hem en de wereld om hem heen. Omdat hij doodsbenauwd is in die breuklijn tussen zelf en wereld te vallen en verzwolgen te worden door het niets, wordt zijn houding eerder getekend door een vlucht voor de wereld. Hierdoor wordt zijn vlucht naar een nieuw begin aan het eind van De kinderjaren van Jezus ingegeven. Ik eindigde mijn reflectie op het boek met de vraag hoe te leven zonder continu weg te hoeven vluchten voor de wereld.[1]

In het vervolg – De schooljaren van Jezus – lijken we hier een antwoord op te krijgen. Davids oriëntatie op het singuliere reikt zo ver dat hij alleen maar singulariteiten ziet – deze tafel, deze stoel, deze mens – en totaal geen oog heeft voor de universele kenmerken of categorieën op grond waarvan tafels en stoelen overeenkomen – het woord ‘tafel’, ‘stoel’, ‘mens’ – en de tafel, de stoel, de mens vormen. Op het vermogen “om voorwerpen te rangschikken op grond van hun overeenkomsten” (39) door middel van de taal is het normale schoolsysteem gebaseerd, en dat is de reden achter hun vlucht naar een nieuwe stad aan het eind van De kinderjaren.

In de nieuwe stad vindt David een nieuwe school die niet uitgaat van het woord als categorie en van het meten van overeenkomsten en verschillen met behulp van dergelijke categorieën, maar van de dans. De dans bestaat ook uit tellen en ritmische bewegingen, maar belichaamt primair het gebied waar deze tafel als deze tafel hier bestaat, het gebied waar deze mens als deze mens bestaat; David, Simon, etc. Dit gebied is niet het gebied van het woord als algemeen begrip maar van de naam als eigen naam: “Onze academie legt zich erop toe de ziel van onze leerlingen naar dat gebied te loodsen, hen in overeenstemming te brengen met de grote onderliggende beweging van het universum of, zoals wij het liever noemen, de dans van het universum” (82). In De schooljaren van Jezus komt de dans naar voren als antwoord op de vraag hoe te leven zonder continu weg te hoeven vluchten voor de breuklijnen tussen zelf en ander of de wereld: “Hetzelfde kind durfde, voordat het uw academie bezocht, niet eens van de ene stoeptegel op de volgende te stappen uit vrees dat hij door de spleet zou vallen en in het niets zou verdwijnen. Maar nu danst hij moeitelos over spleten heen. Over wat voor magische krachten beschikt de dans?” (251).

En toch moeten we hier een kritische vraag stellen. Als de dans begrepen wordt als manier om de ziel van het kind in overeenstemming te brengen met de grote onderliggende beweging van het universum, getuigt de dans daarmee dan niet van eenzelfde tendens om de singulariteit van het bestaan op te heffen, nu door op te gaan in dit al? In dat opzicht valt Simons oplossing van dit probleem uit het vorige boek te heroverwegen. Voor Simon betekende singulariteit dat je de breuklijnen tussen zelf en ander of de wereld erkent, en dat die breuklijnen kunnen worden overbrugd door het verlangen naar de ander of de wereld. Mijn antwoord op de vraag hoe te leven zonder continu weg te hoeven vluchten voor de breuklijnen tussen zelf en ander of de wereld zou ik zoeken in het domein van het verlangen of de hartstocht. Enerzijds maakt de hartstocht het pas mogelijk dat ik betrokken ben of de ander of de wereld, terwijl die hartstocht alleen maar wezenskenmerk van het menselijk bestaan kan zijn als ze onvervuld blijft en zonder inlossing; de mens is alleen in de voltrekking als oneindige onderweg van en reiken naar de ander of de wereld zonder ooit vervult te raken.

Daarmee moet een tegenspraak opvallen in de karakterisering van Simon in beide boeken. Terwijl Simon in De kinderjaren nog wordt gekenmerkt door de hartstocht voor de ander of de wereld, wordt hij in De schooljaren geportretteerd als een man van de ratio die geen hartstocht kent. En toch is die tegenspraak alleen schijn. Het nieuwe boek geeft juist een nadere bepaling van de aard van de hartstocht voor de ander of de wereld, namelijk een omwenteling van het menselijk bestaan; Simon ervaart dat hij en David elkaar nauwelijks begrijpen, dat wil zeggen dat de breuklijn tussen zelf en ander onoverbrugbaar dreigt te worden. En dat is geen probleem voor David – hij vlucht voor de breuklijnen tussen zelf en ander – maar wel voor Simon. Ten opzichte van David voelt hij zich kil en rationeel, dat wil zeggen zonder hartstocht. Tegelijkertijd geeft dit gevoel een aanwijzing naar zijn hartstocht, dat bestaat in zijn wens om een ander – hartstochtelijker – mens te worden om zo een betere gids en leidsman te zijn voor David. De aard van de hartstocht of het verlangen naar de ander of de wereld bestaat in de onderneming van een omwenteling van het menselijk bestaan, dat wil zeggen een onderneming die als oneindig onderweg – entre-preneur – hartstochtelijk blijft. In deze hartstocht vinden we het antwoord op de vraag hoe te leven zonder continu weg te hoeven vluchten voor de breuklijnen tussen mij en de ander of de wereld.

[1] Zie mijn eerdere blog over De Kinderjaren van Jezus: https://vincentblok.wordpress.com/2013/08/01/john-coetzees-the-childhood-of-jesus-or-how-to-escape-the-world/

De begrenzing van de circulaire economie (Don Delillo’s Onderwereld ).

Don Delillo’s Onderwereld gaat over de aarde als ondergrond van de beschaafde wereld. Als ondergrond behoort ze zelf niet tot de beschaafde wereld; ze verandert met de minuut en kent geen vaste of stabiele vorm. Omdat we normaal gesproken alleen aandacht hebben voor de stabiele wereld zoals we die zien, voelen en ruiken, vraagt Denillo naar de methode om de onderwereld als ondergrond van de beschaafde wereld ter sprake te brengen. De Italianen hebben daar een woord voor. Dietrologia is de zoektocht naar de verborgen beweegredenen achter de beschaafde wereld. Volgens Delillo leidt een dietrologia niet zozeer tot complottheorieën over de onderwereld maar is het een specifieke methode van omtrekkende bewegingen waarin die onderwereld ter sprake wordt gebracht. Het is die omtrekkende beweging die Denillo’s roman constitueert.

Terwijl filosofen de onderwereld in verband zullen brengen met materie of het elementaire, spreekt Denillo zelf over afval: “De beschaving is niet opgekomen en heeft niet gebloeid terwijl mannen jachttaferelen in bronzen hekken smeedden en filosofie fluisterden onder de sterren, met afval als een vervelend bijproduct, opgeveegd en vergeten. Nee, eerst was er het afval, en het heeft mensen aangespoord om in antwoord erop een beschaving op te bouwen, als zelfverdediging. We moesten manieren vinden om van ons afval af te komen en om te gebruiken wat we niet kwijt konden. Het afval duwde terug. Het groeide in de hoogte en de breedte en het heeft ons gedwongen de logica en de discipline te ontwikkelen die zouden leiden tot systematisch onderzoek van de werkelijkheid, tot wetenschap, kunst, muziek, wiskunde”  (314). Daarmee stelt Denillo een vanzelfsprekendheid van onze tijd ter discussie, namelijk het idee dat afval een bijproduct van de beschaving is die we lange tijd onbestraft hebben kunnen lozen in de natuur en de atmosfeer, en vandaag de dag om betere regulering vraagt middels afvalscheiding en hergebruik. “Vuilnis werd altijd  overdekt of naar de randen van een kamer of een landschap geduwd. Maar het had zijn eigen tempo. Het duwde terug. Het duwde naar alle lege plekjes toe en schreef op die manier het bouwpatronen voor en veranderde rituele systemen”  (313-314). Denillo stelt dus voor om afval te begrijpen als onderwereld of ondergrond waaruit elke beschaving opkomt, als beweegreden achter iedere zoektocht om een beschaving te vestigen.

In eerste instantie heeft afval nog een positieve connotatie. Botjes, potscherven en hulzen geven toegang tot verleden beschavingen. Je zou die positieve connotatie kunnen opvatten als aanleiding of beweegreden om afval vandaag de dag positiever te waarderen in onze samenleving: “Breng afval in het openbaar. Laat het de mensen zien en laat ze er respect voor hebben. Verstop je afvalplekken niet. Creëer een architectuur van afval. Ontwerp prachtige gebouwen voor de recycling van afval en vraag mensen hun eigen afval in te zamelen en naar de perspomp en de sorteerband te brengen. Raak vertrouwd met je huisvuil” (313). Deze opvatting van afval ligt ten grondslag aan de hedendaagse roep om materialen te recyclen en meer algemeen om de inrichting van een biobased of circulaire economie; from cradle to grave to cradle to cradle. Daarin is afval niet langer het bijproduct van onze beschaving dat weggespoeld kan worden of anderszins verbannen naar de marge. Er is geen sprake meer van een dergelijke marge van de beschaving als we het idee van ‘global’ warming serieus nemen. De positieve waardering van afval in onze samenleving ziet het als een onderwereld die dient als grondstof en motor voor de verdere ontwikkeling van een duurzame beschaving.

Wat Denillo’s pleidooi voor recyclen van en bouwen met afval niet ziet is dat de circulaire economie afval helemaal niet serieus kan denken, net zomin als zijn protagonist die oproept vertrouwt te raken met afval. Ze begrijpt afval niet als onderwereld van afval waar beschavingen een reactie op vormen, maar als grondstof voor de bouw en ontwikkeling van een duurzame beschaving. Het ideaal van de circulaire economie is dan ook zero-waste ten gunste van een circulaire beweging waarin elk afvalproduct van de beschaving nieuwe grondstof is in de verdere ontwikkeling van die beschaving. De circulaire economie miskent dus juist de onderwereld van afval omdat ze die bij voorbaat begrijpt als grondstof van, en daarmee onderdeel van de beschaving. De circulaire economie is afgewend van die onderwereld in de energie-accumulatie van waste to energy. Dat volgens filosofen zoals Bataille juist een dergelijke energie-accumulatie en miskenning van de noodzaak van wastefulness als humane categorie leidt tot oorlog en verderf, ziet Denillo niet.[1]

Tegelijkertijd ziet Denillo een nieuw type afval opkomen in het tijdperk van de kernwapens. “Afval heeft tegenwoordig iets bloedserieus, een soort onaanraakbaarheid. Witte bakken plutoniumafval met gele waarschuwingsbordjes erop. Voorzichtig. Zelfs het onbeduidendste huisvuil wordt nauwlettend bekeken. Mensen kijken tegenwoordig met een ander oog naar hun vuilnis, en zien elke fles en elk platgestampt pak in een planetair verband” (99). In tegenstelling tot de positieve waardering van afval in de opgraafwerkzaamheden van de archeoloog en in de circulaire economie, dient kernafval juist definitief begraven en juist niet gerecycled te worden. Biedt kernafval een betere toegang tot de onderwereld waar Denillo’s boek aandacht voor vraagt?

Allereerst biedt kernafval een concrete ervaring van afval die niet meer als grondstof voor de circulaire economie te denken is, maar als onderwereld moet worden gedacht. Elke poging om kernafval in te zetten voor de circulaire economie zal de mens met de dood bekopen. Daarmee biedt kernafval een eerste aanwijzing naar afval als onderwereld waarvoor de beschaving uit de weg gaat. Kernafval betreft tegelijkertijd een onderwereld: terwijl we afval vroeger nog konden proberen weg te denken door het weg te spoelen of anderszins te verbannen naar de randen van de beschaving, leven we vandaag de dag in het besef dat elke lozing van kernafval als een boemerang terug kan keren in onze beschaving. Ten tweede biedt kernafval daarmee een concrete ervaring van de onderwereld van afval. De mens is inbegrepen in die onderwereld, want kernafval bedreigt en ondermijnt niet alleen de beschaving maar ook de mens daarbinnen: “de mensen worden door afval weggeduwd”, “omdat ze geen ruimte meer hadden om te leven en te ademen, omgeven door hun eigen almaar groeiende berg afval”  (373).

Het is deze onderwereld van kernafval die op verborgen wijze onze beschaving stuurt en richting geeft: “Verontreinigd afval zetten we bij met een gevoel van ontzag en vrees. Het is noodzakelijk dat wij respect voelen voor wat we weggooien” (99). Het is een beschaving die elke andere beschaving uitsluit. Vanaf nu zijn namelijk onherroepelijke risico’s verbonden aan elke opgraving van afvalresten en elke inmenging van afval als grondstof voor de circulaire economie. Daarom wordt kernafval “het landschap van de toekomst” genoemd, “het enige landschap dat er op den duur nog zal zijn” (312).

Wat kunnen we leren van de onderwereld van kernafval? Enerzijds stelt dit begrip van afval een grens aan het ideaal van de circulaire economie. Nucleair afval kan niet worden opgenomen in de circulaire economie, wat betekent dat de toelaatbaarheid van nucleair materiaal in onze samenleving de toetssteen vormt of we de circulaire economie daadwerkelijk ernstig nemen of louter als metafoor bezigen. Anderzijds stelt dit begrip van afval een grens aan wastefulness als humane categorie. Het voorbeeld van kernafval laat zien dat afval weliswaar de onderwereld van onze beschaving is, en daarmee van onszelf, maar dat we er op geen enkele manier vertrouwd mee kunnen raken zonder het met de dood te moeten bekopen.

[1] Zie hiertoe J. Zwier, V. Blok, P. Lemmens, R.J. Geerts (2015). “The Ideal of a Zero-Waste Humanity: Philosophical Reflections on the demand for a Bio-Based Economy”. Journal of Agricultural & Environmental Ethics 28 (2): 353–374.

De onthechting van de wereld en de terugkeer van de aarde (David Vann’s Aarde)

Het heeft er alle schijn van dat de bedreiging door het apparaat heden ten dage reële trekken begint aan te nemen. In die zin is elke motie van wantrouwen tegen pogingen om ons te kerstenen gelegitimeerd. De vraag is waar we de ammunitie voor zo’n motie vandaan halen. David Vann’s roman Aarde (2012) kan ons een aanwijzing geven.

Aarde gaat over Galen, een jongeman die samen met zijn naaste familie een geïsoleerd bestaan leidt in het zuiden van Amerika. Hij ervaart de wereld als een illusie van het denken en mediteert voortdurend om transcendentie te bereiken. Daarin neemt hij afscheid van zijn eigen lichamelijkheid en zijn familie, maar ook van geestelijke ‘hechtingssystemen’ zoals de filosofie en de theologie. Toch stranden al zijn pogingen te onthechten van de wereld: “Maar zijn ademhaling was onregelmatig, hield hem vast aan de wereld, kluisterde hem hier terwijl hij vrij wilde opstijgen. Hoge ondergroei schuurde, geselde hem, een stronk tussen zijn tenen en hij ging bijna onderuit. Hij moest zijn ogen opendoen en opzij uitwijken om het slechtste stuk te vermijden. En dat was het probleem. Altijd een storing. Altijd als hij ergens dichtbij kwam” (23). Galen’s ervaring is dat zijn meditaties wel leiden tot een onthechting van de wereld maar niet uitmonden in transcendentie; de aarde weerhoudt hem om “over de randen van de droom” te glijden. “De aarde voelde echt als aarde” (24). Vann’s boek beschrijft Galen’s verscheurdheid tussen zijn streven naar onthechting van de wereld en zijn ervaring van de weerbarstigheid van de aarde op gruwelijke wijze.

Aarde leert dat onze onthechting van het apparaat niet wordt gerealiseerd door onze transcendentie – als ze al te realiseren valt – noch door onze rescendentie. Onze verbondenheid met de aarde getuigt weliswaar van een goede gezondheid te midden van de verstikkingspogingen van het apparaat, maar de aarde zelf verhoedt diens perfectionering en behoudt de scheiding tussen de wereld van het apparaat en de aarde. Het is deze weerbarstigheid van de aarde zelf, die de ammunitie vormt voor onze moties van wantrouwen en rondzingt in onze pogingen ons vrij te maken van het apparaat.