Tag Archives: zinloosheid

Naar een ecologische en niet-antropocentrische vorm van fictie (Jean-Paul Sartre, Walging)

Een herlezing van Sartre’s Walging kan helpen om de grondeloze verveling achter de zelf-ingenomenheid van de auto-fictie bloot te leggen. De ervaring van het boek is de volstrekte singulariteit van het naakte bestaan van mensen en dingen. Die singulariteit wordt zo radicaal genomen dat er geen enkele tijd-ruimtelijke binding is die dit bestaan verbindt tot een zinvol geheel dat we kunnen overzien. Walging is ontnuchterend, want anders dan veel hedendaagse filosofen die de zin van het menselijk bestaan in diens singulariteit zoeken en die enkelvoudigheid van zin proberen te verdedigen tegen de reductie ervan door wetenschap, techniek en gouvernement, ziet Sartre al vroeg dat het naakte bestaan weliswaar singulier is, maar volstrekt zin- en betekenisloos: “er [is] geen enkele, maar dan ook geen enkele reden om te bestaan” (157). Bezien vanuit dit gezichtspunt getuigt de alomtegenwoordigheid van de auto-fictie vandaag de dag van de leugenachtige poging zin te geven aan een leven dat zinloos en absurd is, en het ‘zelf’ juist verhult in haar zelfingenomen pogingen zichzelf in een zinvol verband te plaatsen.

Ik wil de vraag of het menselijk bestaan zinvol is of niet hier in het midden laten, net als de vraag of de rol van de mens bestaat in het geven van zin aan het leven. Voor mij is Walging zo’n boek dat de vertrouwde wereld plotsklaps in een ander en ontnuchterend licht plaatst. Het laat zien dat de roman altijd een auto-fictieve en humanistische tendens heeft, voor zover het disparate ogenblikken in het leven van de hoofdpersonen in een zinvol verband plaatst. Zouden we het boek niet kunnen lezen als oproep tot het einde van de roman? Het is de vraag of de roman als literaire vorm nog een lang leven beschoren is. Als we vandaag de dag in een wereld leven van crises waarin het individu geen beslissende rol meer speelt, zoals in het geval van vroegere oorlogen en uitvindingen, maar wereldomspannende gemeenschappen, economische en ecologische processen die niet langer aan het individuele bestaan gebonden zijn noch daardoor beïnvloed worden, moeten we dan niet toewerken naar een niet-antropocentrische en ecologische vorm van fictie? Walging kan ons dan vooral in negatieve zin helpen om de vanzelfsprekendheid van de humanistische auto-fictie van de literatuur af te leren en te experimenteren met nieuwe vormen. Wat we node missen is een positieve leidraad om zo’n nieuwe vorm van literatuur gestalte te geven.